Colombia, land in oorlog

«Wees niet medeplichtig»

Al meer dan veertig jaar woedt in Colombia een burgeroorlog. Niets nieuws onder de zon? Jawel. Na twee demobiliseringsprogramma’s van president Uribe hebben zo’n veertigduizend ex-strijders de wapens neergelegd. Bericht uit een land in oorlog, waar Uribe op 28 mei herkozen gaat worden.

LA MACARENA – «Sommigen van ons hielden ervan om mensen te doden. Ik heb er nooit tegen gekund. Maar het hoorde bij de discipline. Als in een dorp iemand een kip gestolen had, kon dat voor ons voldoende zijn hem af te maken.» José is even stil en kijkt dwangmatig naar buiten. Voor zijn eenvoudige huisje staat een cocaplant, gewoon onder een boom. Maar dat is niet waar hij naar kijkt. José heeft angst. Elke dag. «Nog steeds kan elk moment iemand uit een auto stappen en me overhoop schieten. Op desertatie uit de farc (Gewapende Revolutionaire Krachten van Colombia – jk) staat de doodstraf.»

José is een van inmiddels meer dan 9300 individueel gedemobiliseerde ex-strijders in Colombia. Van hen behoort 49,2 procent tot de in naam nog steeds marxistisch-leninistische farc, ongeveer 34 procent tot de rechtse paramilitaire auc (Autodefensas) en ongeveer 14 procent tot de extreem-linkse eln. Ongeveer twintig procent van de gedeserteerden is vrouw, een even groot percentage is minderjarig. De redenen om lid te worden van deze militante groepen zijn doorgaans niet erg spectaculair. Op vele plaatsen op het platteland vormen ze min of meer het alternatief voor de afwezige voetbalclub. Maar van het vroegere ideologische elan is weinig meer over. Alle strijdende partijen zijn tot over hun oren verwikkeld in de drugshandel.

«Ik was dertien toen ik tot de farc toetrad», vertelt José. «Er was geen werk in het dorp waar ik vandaan kwam en ik verveelde me. Bovendien hield ik van wapens, dat doe ik nog steeds. Met een wapen voel je je zekerder. De eerste jaren beviel het leven bij de farc me. Alles wordt voor je geregeld: eten, kleren, huisvesting. Ik was verantwoordelijk voor het onderhoud van wapens: pistolen, geweren, mortieren, raketwerpers. We hadden verschillende typen mitrailleurs: de AK 47’s, de Venezolaanse fal, de Israëlische Galil. De AK 47’s kwamen uit Jordanië. De andere wapens kwamen uit de gehele regio, uit Nicaragua, Ecuador, Venezuela. Een mitrailleur kost ongeveer vijf miljoen pesos. Een kogel kost 4500 pesos (ongeveer € 1,70 – jk); de prijs van een mensenleven in Colombia. Na een gevecht vraagt de commandant altijd als eerste hoeveel wapens we hebben verloren of veroverd. Dat is het belangrijkste, het aantal manschappen is minder belangrijk.»

Volgens José mag de farc in naam een egalitaire organisatie zijn, er zijn enorme verschillen tussen de commandanten en de soldaten. José: «Elk front heeft zijn specialisatie. Sommigen doen afpersing, anderen specialiseren zich in ontvoeringen. Weer anderen zijn goed in vechten. Maar waar het uiteindelijk om gaat, is territorium. Waarom? Vanwege de drugshandel. Wie het territorium beheerst, beheerst ook de drugshandel.»

Uiteindelijk deserteerde José, omdat hij het zinloze moorden niet meer uithield: «Ik zei dat ik bij een vriend op bezoek ging. Ik ben toen naar de dichtstbijzijnde legerpost gegaan, met medeneming van een pistool, een granaat en een agenda met namen en adressen.»

Nadat José zich bij de legerbasis had overgegeven, volgde voor hem het gebruikelijke traject voor gedemobiliseerden: eerst acht dagen verhoor op de legerpost, om enerzijds waardevolle informatie voor het leger in te winnen en anderzijds te controleren of de deserteur daadwerkelijk is wie hij zegt te zijn. Daarna ontving José in Bogota twee jaar lang financiële ondersteuning van de overheid, psychologische hulp en een opleiding. Aan het eind van zijn twee jaar in het reïntegratieproject kreeg hij acht miljoen pesos, ongeveer € 3500, om een huisje te kopen.

José heeft geluk, want hij heeft na afloop van zijn reïntegratieproject een baan bij een houtzagerij gevonden. Vele reinsertados vinden geen werk en vervallen al snel in de criminaliteit. Een burgerlijk leven opbouwen is moeilijker dan met een wapen omgaan. Met een wapen krijg je doorgaans bovendien wat je wilt.

Het stoffige stadje waar José woont, ligt aan de rand van La Macarena, een berucht cocagebied. Enkele jaren geleden trok de Colombiaanse overheid zich tijdelijk terug en liet het over aan de farc, om er met hen over vrede te kunnen onderhandelen. De onderhandelingen kwamen echter nooit van de grond. Inmiddels is de zone weer oorlogsgebied. De farc heeft er grote cocaplantages, die het leger met speciale troepen probeert te vernietigen. Alle planten moeten met de hand, met wortel en al, uit de grond worden getrokken. Vele dorpsbewoners komen tussen de gevechten terecht en vluchten.

«Elke dag komen hier nieuwe desplazados aan», vertelt José Orley Rodriguez in het hete kantoortje van asdegen, een vereniging die voor de rechten van ontheemden opkomt. «De meesten zijn volledig gedesoriënteerd en getraumatiseerd. Vaak zijn ze bang, maar dan vertel ik ze dat we één grote familie zijn. Ik ben zelf ook een ontheemde.» Rodriguez moet oppassen: «Het is levensgevaarlijk, want wij klagen de mensen die achter de verdrijvingen zitten aan. Er zijn al verschillende van mijn collega’s vermoord. Laten we eerlijk zijn: een groot deel van de ontheemden verbouwde zelf ook coca. Het levert het meeste op. Maar het is tevens onze dood. Daarom probeer ik de mentaliteit van de mensen te veranderen. Tijdens mijn wekelijkse praatje voor de ontheemden probeer ik hun duidelijk te maken dat we onze mentaliteit moeten veranderen, dat we andere dingen moeten produceren, ananas, koffie, rijst.»

Even later knettert Rodriguez op een brommertje door het landbouwstadje in de richting van straten met tentachtige bouwsels. «Dit is Morichal», vertelt Rodriguez. «Hier wonen zo’n zeshonderd gezinnen, de meesten van hen zijn verdrevenen. Vorige week zijn hier meer dan vijftig gevallen van dengue (knokkelkoorts, of vijfdaagse koorts – jk) geconstateerd. Er is hier geen riolering of leidingwater; de mensen halen hun water uit een put.» In een van de huisjes woont Sonia. Aan de kale betonnen wanden in haar woning hangen de portretten van haar vier kinderen. Het keukentje wordt met een gordijn van de rest van de woning afgeschermd. Een paar aluminium pannen hangen aan de muur. «Ik woon hier sinds een half jaar», zegt Sonia schuchter. «Dankij de hulp van asdegen konden we hier terecht. We moesten halsoverkop vluchten, omdat de farc wist dat een van mijn zoons bij het leger is. We konden niets meenemen. We vertrokken op woensdag, de maandag daarop werden alle mensen uit het dorp die achterbleven door de farc vermoord.»

’s Avonds spreek ik Marcus. Als een spook uit de duisternis verschijnt hij in het felle licht, terwijl een tropische stortbui op hem neerdaalt. Hij komt net van de avondschool, waar hij leert lezen en schrijven. Marcus is begin veertig. Hij was tot een paar maanden geleden een van de belangrijkste commandanten van de eln, het Leger voor Nationale Bevrijding. Hij deserteerde. Ook hem dreigt de dood. Marcus is nerveus. Hij tapt constant met zijn rechtervoet. «Het begon in de jaren tachtig, toen ik besloot me aan te sluiten bij de eln. Ik wilde vechten tegen de armoede in het land, voor de rechten van de boeren. Ik werd de commandant van de Frente Heroes de Anori, een commando in de buurt van Medellín. We bliezen elektriciteitsleidingen op, we blokkeerden de weg tussen Medellín en Bogota. Om de mensen bewust te maken van de klassenverschillen in het land, maar ook gewoon om geld te innen. In de sloppenwijken van Medellín beheersten we een aantal wijken. We hadden er medische verzorging voor onze strijders, we handelden er onze wapenkopen af, we regelden er kleding en onderdak. Na verloop van tijd ging ik me afvagen of we wel goed bezig waren. Ik maakte een analyse van wat er in de rest van de wereld gebeurde, in Cuba, in de Sovjet-Unie, in Nicaragua. In sommige landen was de linkse revolutie gelukt, maar in Colombia waren we al meer dan veertig jaar aan het vechten en hadden we nog steeds niet meer dan een kwart van het land onder controle. Bovendien zag ik dat we onze waarden aan het verliezen waren. We voerden steeds meer aanvallen op de burgerbevolking uit. Uiteindelijk besloot ik de eln te verlaten. Op een dag was ik ziek en vroeg ik toestemming om voor medische verzorging naar Medellín te gaan. Daar heb ik mijn gezin bezocht en afscheid van ze genomen. Ik was ervan overtuigd dat mijn vlucht mijn dood zou worden. Toen ben ik vanuit Medellín naar een legerbasis gegaan en heb me overgegeven. Ik had er van tevoren met de mannen uit mijn front in het geheim over gesproken: 32 mannen zijn me gevolgd. Het is moeilijk. Ik word gezocht. Van het geld dat ik aan het eind van mijn demobilisatieperiode krijg, wil ik een huisje kopen. Maar ik weet niet of ik dat hier in de stad wil. Ik kom van het platteland. Ik ben gewend om met een machete om te gaan.»

Een paar dagen later zijn we in Medellín, de stad waar Marcus jarenlang in de barrios heerste. In Medellín vocht Pablo Escobar, de leider van het drugskartel van deze miljoenenstad, in de jaren tachtig en negentig een beestachtige drugsoorlog uit tegen de staat en het drugskartel van Cali. Tussen 1985 en 2002 stierven meer dan tachtigduizend mensen. Sinds 2002 is het iets rustiger, deels doordat de drugsbendes het wat rustiger aan doen en deels door de harde hand van president Uribe, die meer politie en leger de straat op stuurde.

«Ik heb zeer veel kritiek op de demobilisatieprocessen, maar we zullen het ermee moeten doen. Er is namelijk geen alternatief», aldus Alonso Cardona, de directeur van de ngo Conciudadanía (Medeburgerschap). «Volgens de Organisatie van Amerikaanse Staten (oas) hebben zich al meer dan 31.000 paramilitairen van Autodefensas gedemobiliseerd. Zelfs de Autodefensas hadden tot voor kort nooit gezegd dat ze zo veel leden hadden. Ze hebben dus zo veel mogelijk mensen voor het demobilisatieproces geronseld, om zo een zo goed mogelijke onderhandelingspositie te verkrijgen.» Deze onderhandelingspositie hebben de paramilitairen nodig om lage gevangenisstraffen uit te onderhandelen en zo weinig mogelijk van hun leiders wegens drugshandel naar de VS te laten uitleveren.

Cardona: «Vooral over de collectieve demobilisatie heb ik twijfels. Ten eerste neemt de farc geen deel. Zij willen niet met deze regering over vrede onderhandelen. In de praktijk gaat het ze echter ook om hun belangen in de drugshandel. We hebben aanwijzingen dat op plekken waar de Autodefensas hun positie hebben opgegeven de farc-milities binnentrekken. Ten tweede heeft het leger te weinig capaciteit om de door de paramilitairen gedemobiliseerde gebieden over te nemen en er veiligheid te garanderen. Ten derde mislukt de demobilisatie als niet ook de drugshandel in het land wordt aangepakt. Want de huidige antidrugsoorlog, ons opgelegd door de Amerikanen, is een mislukking gebleken.»

Weer een paar dagen later, in de hoofdstad Bogota. Voor de ingang van het ministerie van Defensie hangt een tiental gedemobiliseerden rond. Stuk voor stuk jonge kerels, rond de twintig, de meesten met een donkere huidskleur en een baseballcap. Jongens van het platteland. Jongens die tot voor kort nog met een machinegeweer rondliepen en nu een normaal burgerleven willen oppakken.

Binnen in het ministerie weet Marcela Duran van de afdeling strategische communicatie dat vele reinsertados doodsangsten uitstaan vanwege mogelijke represailles door de groep waaruit ze gedeserteerd zijn. Die angst is volgens Duran ongegrond: «Van de ruim 9300 reinsertados in ons programma zijn er tot nu toe twaalf uit wraak door hun groep vermoord. De farc, de eln en de auc hebben niet de capaciteit om zich hiermee bezig te houden.»

Het ministerie blijft dus proberen de guerrilleros in Colombia tot overgave te motiveren: via radiospots, maar ook door flyers boven de jungle uit te strooien.Op zo’n flyer staat een huilende moeder naast haar doodgeschoten kind. «Wees niet medeplichtig», luidt de tekst. Met eenvoudige tekeningen voor de zes procent analfabeten bij de guerrillagroepen wordt uitgelegd hoe de strijders zich bij de dichtstbijzijnde militaire post moeten melden. Een afgebeelde stapel bankbiljetten maakt duidelijk dat voor waardevolle informatie goed geld wordt gegeven. Aanwijzingen die leiden tot de ontdekking van een schuilplaats waar ontvoerde politici of militairen worden vastgehouden, leveren ongeveer twintigduizend euro op, een ingeleverde handgranaat doet veertig euro.

De kritiek van mensenrechtenorganisaties, dat met deze reïntegratie geen gerechtigheid in Colombia mogelijk is, verwerpt Duran: «Elke guerrillero die aan ons reïntegratieprogramma meedoet, is een gewapende persoon minder op straat. In welk ander land ter wereld vind je mensen die zich vrijwillig melden om vervolgens acht jaar de gevangenis in te gaan? In Colombia bestaan die mensen.»