Wees oud en saai

ENKELE JAREN geleden verscheen in de Verenigde Staten een boek over internationale betrekkingen, waarin een foto stond van een bijeenkomst van een groot aantal regeringsleiders en staatshoofden. De foto dateerde van begin jaren tachtig, en temidden van Reagan, Giscard d'Estaing, Schmidt en Thatcher stond ook onze bloedeigen Dries van Agt. Het onderschrift bracht onze toenmalige premier terug tot zijn ware proportie temidden van deze groten der aarde, aangezien de tekst vermeldde: ‘unidentified person’.

Voor een Nederlands politicus is internationale roem niet weggelegd. En ook in eigen land legt hij of zij het af tegen de eerste de beste presentator van een ontbijtprogramma of een reservespeler van een profclub. Wie niettemin de ambitie heeft een ‘beroemd’ Nederlands staatsman of -vrouw te worden, zal dienen te gehoorzamen aan de vijftien wetten van de politieke roem.

  1. Een Nederlands politicus dient saai te zijn. Het klinkt als een cliché, maar de Nederlandse politiek hangt nu eenmaal van clichés aan elkaar. Saaiheid, die dient te blijken uit een onberispelijk familieleven en de seksuele uitstraling van een visstick, is een absolute voorwaarde om in Nederland als politicus de top te bereiken, en ook na het politieke einde nog enige naamsbekendheid te behouden. Een voldoende voorwaarde is het natuurlijk niet, want in dat geval zou Dick Tommel over pakweg dertig jaar bekend staan als de beroemdste Nederlandse politicus uit de twintigste eeuw. Deze verplichte saaiheid beperkt de politicus uiteraard in zijn arsenaal van strijdmiddelen. Zoals blijkt uit de volgende wet:
  2. Verkondig nimmer de revolutie. Overal in de ons omringende landen kunnen de regimes wankelen, de kronen of hoofden over straat rollen, de verbeelding aan de macht komen, maar een Nederlands politicus mag nooit vergeten dat om zes uur het avondeten op tafel staat. Daarom kregen lieden als Domela Nieuwenhuis, Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Wijnkoop, Van Ravesteijn en Paul de Groot nimmer een poot aan de grond in Nederland. En Troelstra, de enige wiens 'revolutiepoging’ serieus werd genomen, werd beroemd ondanks zijn radicale woorden in november 1918. Binnen zijn partij werd hij pas de mythologische voorman nadat zijn politieke rol, als gevolg van zijn revolutionaire uitglijder, uitgespeeld was. En het was een langdurig ziekbed, gevolgd door zijn overlijden op zeventigjarige leeftijd, dat hem ook buiten de eigen kring een zekere mate van waardering bezorgde. Daarom:
  3. Politieke roem, in tegenstelling tot naamsbekendheid, verkrijgt men pas als men oud wordt. Dat wil niet zeggen dat men simpelweg dient te overlijden. Nee, men moet echt oud worden. Nu gold men aan het begin van deze eeuw op zijn tachtigste reeds als een oude baas, met het stijgen van de gemiddelde leeftijd zal een politicus tegenwoordig toch tenminste de eeuw moeten naderen, wil hij of zij aanspraak kunnen maken op roem. Het grote voorbeeld is natuurlijk vadertje Drees, die bijna 102 werd. Wat dit betreft zal in de toekomst blijken dat Den Uyl, die slechts 68 werd, ook in dit opzicht pech had. Dit in tegenstelling tot Marinus van der Goes van Naters, die momenteel de honderd nadert en die vol ontzag wordt geïnterviewd door journalisten die nog niet geboren waren toen hij zijn mislukte politieke carrière moest afbreken. Hoewel men door heel voorzichtig en matig te leven, hetgeen de reputatie van 'saaiheid’ ook ten goede komt, zijn best kan doen om heel oud te worden, heeft men dit toch niet volledig in de hand. Daarom is het verstandig om te voldoen aan de volgende imperatief, ook al is die evenmin volledig te beheersen:
  4. Zorg voor nageslacht dat eveneens de politiek in gaat. Aangezien de zoon of dochter van een politicus - voor schrijvers en kunstenaars geldt uiteraard hetzelfde - altijd vergeleken zal worden met pa of ma, stijgt diens ster weer iets hoger aan het fletse vaderlandse firmament. Dit heeft twee redenen. In de eerste plaats is daar de menselijke neiging om altijd te beweren dat het niet meer zo is als vroeger, vandaar dat zelfs de meest klungelige politicus van een jaar of veertig terug meer wordt gewaardeerd dan iemand die zich nu op het gladde ijs van het landsbestuur waagt. Ten tweede wordt met de naam van de zoon of dochter ook weer die van pa of ma genoemd. Het meest tragische voorbeeld van een 'tweede-generatiepoliticus’, die weliswaar een briljante carrière had gemaakt, maar niettemin altijd herinnerd zal worden als 'de zoon van’, is uiteraard de onlangs overleden Willem Drees, die zelfs als zeventigjarige nog werd uitgescholden voor 'junior’. De oude Drees had het dus goed bekeken, toen hij de jonge Wim stimuleerde in diens politieke ambities. Hetzelfde geldt voor de oude De Gaay Fortman, wiens zoontje Bas het ook al niet verder bracht dan een uiterst mager bijrolletje. En voor de carrière van Saskia Noorman-Den Uyl valt dus evenzeer te vrezen, al voldoet zij wel aan een andere wet:
  5. Vrouwen in de Nederlandse politiek dienen een niet al te vrouwelijke uitstraling te hebben. Aan Churchill worden de woorden toegeschreven dat tijdens de oorlog Wilhelmina de 'enige vent in de Nederlandse regering’ was. En inderdaad, vrouwelijke politici die zich mogen verheugen in een mate van populariteit die uiteindelijk misschien kan uitmonden in politieke roem, zijn Dokwerker-achtige verschijningen als Ien Dales, Annemarie Jorritsma en Erica Terpstra. Andere dames, die althans bij het rijpere deel van de mannelijke kiezers en collegae zekere lustgevoelens wisten op te roepen, als Hanja Maij-Weggen, Winnie Sorgdrager en Andrée van Es, zijn ofwel uitgerangeerd ofwel na hun politieke afscheid zo goed als vergeten. De enige optie voor vrouwen die niet beschikken over het postuur van een dragonder is het wachten met een politieke carrière tot men toegetreden is tot de orde der grootmoeders. Voor een lieve grijze oma als Els Borst is derhalve de kans op een toegangsbiljet tot het staatkundig Panthéon nog niet geheel verkeken.
  6. Mannelijke politici moeten beschikken over een zekere wohltemperierte arrogantie. Deze arrogantie mag er niet te dik bovenop liggen, maar dient tot uiting te komen in 'de zekerheid van eigen heerlijkheid’. Een te arrogante houding is in dit land dodelijk, omdat de politicus daarmee de 'gewone’ mensen van zich vervreemdt. Een duidelijk voorbeeld van de goede toepassing van deze wet is nog altijd Hans Wiegel. Hij is het archetype van de arrogante, brallerige, poenerige corpsbal, maar hij kijkt wel altijd op het juiste moment in de camera als de 'mensen in het land’ weer eens bewerkt moeten worden. Een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet vormde Onno Ruding, die denigrerend sprak over werklozen die het liefst de hele dag achter de gebreide broek van 'tante Truus’ zaten. Een politicus is per definitie elitair, maar dat moet hij niet laten blijken. Troelstra bijvoorbeeld had weinig fiducie in het intellectuele en politieke onderscheidingsvermogen van zijn partijgenoten, maar reserveerde schampere opmerkingen hierover voor zijn private correspondentie. Hiermee voldeed hij in ieder geval aan de volgende wet:
  7. Openhartigheid is funest. Hoewel het 'lekken’ van gevoelige informatie tegenwoordig conditio sine qua non is om in de politiek hogerop te komen, wil dat nog niet zeggen dat men alles maar kan zeggen wat men denkt. Openhartigheid komt immers in de buurt van eerlijkheid, en voor een politicus is dat doorgaans dodelijk. Een goed voorbeeld is de christen-democratische voorman Piet Steenkamp, die zich ooit liet ontvallen dat dankzij de biecht het geweten van katholieken buitengewoon ruim bemeten was. Hoewel partijgenoten van hem als Dries van Agt en Ruud Lubbers dagelijks de juistheid van deze stelling bewezen, was het gezag van Steenkamp sinds die tijd gereduceerd tot dat van Malle Pietje.
  8. Het is voor een politicus wel belangrijk om de intellectueel uit te hangen, maar hij moet niet te veel schrijven. Den Uyl was een typisch voorbeeld van een 'intellectueel’ in de politiek. Hij droeg met gemak een twintigtal gedichten uit het hoofd voor, en vertelde keer op keer dat Liesbeth en hij elkaar bij het begin van hun verhouding hadden onderworpen aan een intellectuele lakmoesproef, die bestond uit het schrijven van een essay over Du Perrons Het land van herkomst. Wie de paar bundeltjes met toespraken en recensies van Den Uyl erop naleest komt er achter dat het woord 'intellectueel’ toch wel erg veel eer is. Het prototype van de Kaffeehaus-intellectueel is natuurlijk Van Mierlo. Journalisten en andere dienaren des woords zijn vaak bijzonder onder de indruk van toespraken en interviews van deze gewezen journalist, wiens gegroefde gezicht het resultaat lijkt van nachtenlange overpeinzingen over mens en maatschappij. Op papier blijken zijn ontboezemingen steevast te bestaan uit door gemeenplaatsen bij elkaar gehouden zeepbellen. Wie schrijft maakt vijanden, want hij trapt mensen op de tenen en die kunnen hem te allen tijde om de oren slaan met gemaakte fouten en opmerkingen die hij het liefst zou vergeten. Het voorbeeld in deze is Jacques de Kadt, een van de zeer weinige echte intellectuelen die in de politiek een rol hebben gespeeld, en die nooit verder kwam dan een kamerlidmaatschap. Maar, zal men tegenwerpen, hoe zit dat dan met Bolkestein? Ach ja, hij zondigde al tegen de zesde wet, dus dat wordt toch niets, maar zijn 'boeken’ zijn niet meer dan bundeltjes met metapolitieke oraties van het meest vluchtige soort en interviews met mensen die wel iets te vertellen hebben. Een politicus mag best schrijven, maar dan moeten het wel kinderboeken zijn. Dat ligt politiek niet gevoelig, en bovendien kunnen zijn collegae hem dan tenminste volgen. Voorbeelden: Jan Terlouw en GPV-leider Piet Jongeling, die onder het pseudoniem Piet Prins de even spannende als stichtelijke serie Snuf de hond schreef.
  9. Een politicus dient wel op te komen voor de verdrukten en de vertrapten, maar hij moet hierbij niet te veel pretenties hebben. Vooral voor leden van de oppositie is het hebben van principes een absolute must. Leden van regeringspartijen mogen, als ze per se willen, wel principes hebben, maar dan moeten ze er wel naar handelen. Als dat niet gebeurt, zoals in het geval van Van Thijn en de terecht reeds lang vergeten CDA-loyalisten, is het politieke einde nabij. Principes en engagement, het is allemaal prima, zolang het maar niet wordt overdreven. Politici die tegen dit gebod zondigen overtreden vaak ook de volgende wet:
  10. Het is noodzakelijk om althans een minimale kennis van de partijcultuur en -geschiedenis te bezitten. Het meest recente voorbeeld van een tragische afgang die het gevolg was van het met voeten treden van deze wet, is uiteraard de decline and fall van Jacques de Milliano. Niet alleen liep deze te koop met zijn goede bedoelingen en zijn neiging al het leed der wereld op zijn schriele schouders te torsen, ook heeft hij in ernst gedacht dat dit soort zaken in het CDA ook maar één gewillig oor zouden vinden. Men moet wel heel lang in de jungle van Guatemala of de moerassen van Cambodja hebben gezworven om er dit soort denkbeelden op na te houden. Beroemd worden in de politiek is niet iets dat je zomaar overkomt, daar is een zorgvuldige loopbaanplanning voor nodig.
  11. Wie rechtstreeks van de schoolbanken de politiek in gaat zal vroeg of laat mislukken. Het beschikken over relevante werkervaring in het echte leven is absoluut noodzakelijk. Hardlopers zijn vaak doodlopers, dat geldt ook voor de politiek. Jongeren die de blits maken als aanstormend talent, en in plaats van te gaan werken de lange mars door het partij-apparaat maken, zinken meestal spoedig weg in vergetelheid. Marcus Bakker en een hele generatie CPN-leiders hebben hun wereldvreemdheid uiteindelijk moeten bekopen met het failliet van hun partij. Ed. van Thijn is tragisch ten onder gegaan, en over vijftien jaar weet niemand meer wie Felix Rottenberg was.
  12. Als springplank voor politieke roem valt een loopbaan in het bedrijfsleven aan te raden, terwijl een militaire carrière absoluut fataal is. Snelle zakenlui en notoire geldwolven als Colijn, Stikker, Lubbers en Bolkestein kwamen in de politiek vrij goed terecht. Maar met militairen werd het nooit iets. Wie kent duikbootkapitein Piet de Jong nog? En wie weet waarmee VVD'er Ad Ploeg altijd stuntelde? Bij iemand als Aantjes was de aanmelding voor een militaire organisatie al funest. En Colijns reputatie is uiteindelijk gesneuveld nadat bekend werd hoe hij zijn Militaire Willemsorde had verdiend. In Nederland is het een buitengewoon slecht idee om een uniform aan te trekken. Zo werd het met de KVP'er Cals helemaal niets meer nadat een foto was gepubliceerd waarop hij in padvindersuniform de orde van de Vlaamse Gaai kreeg opgespeld. Nee, overste Karremans hoeft echt niet te denken over een politieke carrière. En voor de - met mes en vork - ijzervretende Couzy hoeven we ook niet bang te zijn.
  13. Het beginnen van een eigen politieke beweging is zeer gunstig voor het verkrijgen van politieke roem, zolang die beweging tenminste niet wordt gezien als een filiaal van buitenlandse machten. Een geheel nieuw politiek bestel scheppen, zoals Thorbecke deed, is natuurlijk het mooiste, maar vaker dan eens in de twee eeuwen kun je daar niet mee aankomen. Het stichten van een nieuwe partij is echter een redelijk alternatief. Helemaal mooi is het natuurlijk als je daarnaast nog een heel netwerk van andere organisaties van de grond kunt krijgen, zoals Abraham Kuyper deed. Troelstra dankt zijn roem aan het ontstaan van de sociaal-democratie, zij het dat dit grotendeels het werk van anderen was. Dat een man als Schaepman, oprichter van de grootste partij in Nederland, veel minder beroemd is geworden heeft te maken met het feit dat hij toch vooral werd gezien als zetbaas van de paus. Daarom werd het ook niets met onze poldercommunisten. Helemaal fout gaat het als de hoofdvestiging aanstuurt op gedwongen winkelnering, zoals blijkt uit het tragische lot van Mussert.
  14. Wie met zijn partij wil breken moet niet wachten tot het einde van zijn politieke carrière. Op deze manier vervalt immers de natuurlijke basis voor bewieroking en legendevorming. Als de eigen partij dit niet doet, doet niemand het. Dit wordt geïllustreerd door het tragische lot van onder meer Paul de Groot en de vrijzinnig-democratische politicus Marchant. Alleen de oude Drees had, buiten zijn partij, zoveel krediet opgebouwd dat hij zich deze wetsovertreding kon veroorloven.
  15. Nederlanders zijn een star volkje. Wie vaker dan één keer van partij wisselt wordt gezien als een dwaallicht of een opportunist, en daar houden wij niet van. Jacques de Kadt ontleent zijn huidige roem aan zijn boeken, niet aan zijn politieke activiteiten. De ooit in katholieke kring onweerstaanbaar oprukkende Eric Jurgens en Harry van Doorn hebben zichzelf in de marge van de politiek gemanoeuvreerd. En Michel van Hulten - die na een ware odyssee bij D66 terechtkwam, het verkiezingsprogramma schreef, zich daar vervolgens van distantieerde en zodoende van de verkiezingslijst werd geschrapt - is nu al vergeten.