Boekenbijlage over de classici

Wees wijs, lees de klassieken

Over honderd jaar is er niemand meer die ooit van de klassieke Oudheid heeft gehoord. Het onderwijs gaat te gronde aan oppervlakkigheid. De beste remedie is een degelijke filologische scholing. Wilt u onthaasten? Leer Latijn. De klassieken vertegenwoordigen geen lang vervlogen cultuur, maar een levenshouding, zegt Piet Gerbrandy, die deze boekenbijlage over de klassieken samenstelde (over Sokrates, Caesar, Vergilius, Pindaros, Longinus, Jippus et Jannica en Harry Mulischus.)

‘WANNEER DE AVOND komt keer ik naar huis terug en ga ik mijn studeerkamer in. Bij de deur ontdoe ik mij van mijn dagelijkse kleren vol met drek en modder en trek ik koninklijke en pontificale kleding aan. Keurig aangekleed treed ik binnen in de oude hoven der Antieken, alwaar ik, met liefde door hen opgenomen, mij voed met het voedsel dat exclusief het mijne is en waarvoor ik geboren ben; waar ik mij er niet voor hoef te schamen met hen te praten en hen te vragen naar de beweegredenen van hun handelingen. In hun goedertierenheid geven zij mij antwoord, en vier uur lang voel ik geen enkele verveling, vergeet ik alle ellende, ben ik niet bang voor armoede, maakt mij de dood niet bang: ik verplaats mij helemaal in hen.’


Aldus Niccolò Machiavelli in december 1513. Zouden zulke mensen nog bestaan, die zich ’s avonds eerbiedig in hun studeerkamer terugtrekken om de Griekse en Romeinse schrijvers te gaan lezen? Die zich in gewijde stilte omringen met eeuwenoude folianten, en niet alleen de klassieken zelf, maar ook hun excentrieke commentatoren uit latere perioden als serieuze gesprekspartners beschouwen? Ja, zij bestaan, lieve lezer, al zijn ze zo langzamerhand vrij zeldzaam geworden. Uw nederige scribent is zo iemand. Nu ter gelegenheid van de boekenweek zelfs de meest overbodige media de mond vol hebben van de klassieken, veelal met geen andere reden dan dat er handel in zit, wordt het tijd voor een openhartige coming out.


Hoewel jong en oud zich tegenwoordig met de raarste handelingen bezighouden — ik noem slechts e-commerce, wildwaterkanoën en wintersporten in Lech — wordt het toch algemeen als not done beschouwd de vraag te stellen waartoe dat alles eigenlijk dient. Wie echter besmuikt toegeeft klassieke talen te doceren, wordt vrijwel dagelijks, zelfs door collega’s en superieuren, aan impertinente kruisverhoren blootgesteld die de bedoeling hebben hem zijn gevaarlijke dwaling te doen inzien. Nog nooit heeft iemand mij kunnen uitleggen wat de zin van wiskunde is, niettemin zal geen mathematicus ooit de vraag voorgelegd krijgen wat hem heeft bezield om zich toe te leggen op logaritmen en lege verzamelingen. Het nut van wiskunde geldt als gegeven. Waarom moeten wij, rampzalige classici, onze onschadelijke liefhebberij dan toch steeds rechtvaardigen?


Vooral in het voorjaar, wanneer veel leerlingen hun vakkenpakket moeten samenstellen, overvalt me vaak een diepe moedeloosheid. Hoe inspirerend je ook denkt te zijn, zowel kinderen als ouders bejegenen je als was je een onrein roofdier, met een mengeling van afgrijzen en ontzag zodra je de mogelijkheid oppert dat Melvin misschien Grieks zou kunnen kiezen, of dat Kimberley wellicht kan afzien van het ongetwijfeld hoogst spirituele vak Management & Organisatie ten gunste van Latijn.



TOCH HEEFT DE noodzaak week in week uit je vak te legitimeren ook voordelen. Afgezien van het feit dat dit een goede oefening in retorica is, dwingt het je ook alert te blijven en je voortdurend bewust te zijn van de meest fundamentele vragen. Geen econoom of ICT’er die zich dagelijks afvraagt waarmee hij in godsnaam bezig is, geen classicus bij wie dat niet het geval is. Het meest interessante van die vraag is waarschijnlijk dat het antwoord per persoon verschilt en bovendien per generatie verandert. Waarom doen wij dit? Ik weet het niet, of liever: ik weet wel duizend redenen, waarvan ik ruiterlijk toegeef dat er niet één doorslaggevend is; maar ik wil er graag en ook best vaak over debatteren. Als ik daarna terug mag naar mijn studeerkamer.


Vooral in gymnasiaal gezelschap hoort men wel beweren dat de Grieken en Romeinen een beschaving hadden die in de wereldgeschiedenis haar weerga niet kent. Anders dan deze cultureel onderlegde dames en heren voel ik mij niet in staat over die kwestie een oordeel te vellen, om de eenvoudige reden dat ik van bijna alle andere beschavingen uit de historie zo goed als niets weet. De klassieken ken ik al nauwelijks, laat staan dat ik ze zou durven vergelijken met de prestaties van vroegere samenlevingen in India, China en Mexico. Voor zover ik een beeld heb van de klassieke Oudheid moet ik vaststellen dat waardering voor cultuuruitingen uit die periode in hoge mate een kwestie van smaak is. Voor de omgevallen zuiltjes die menige toerist in een staat van euforie brengen, voel ik weinig hartstocht, Romeinse wandschilderingen vind ik foeilelijk en de vermaarde archaïsche glimlach lijkt me eerder onbeholpen dan fraai. Als men mij vraagt waarom de klassieken zo veel aandacht verdienen, zal ik dus niet daarmee aankomen. Geef mij Charlie Parker en Jackson Pollock maar.



WAARDERING VOOR de klassieke beschaving mag een subjectief fenomeen zijn, dat betekent gelukkig niet dat er geen goede redenen voor de bestudering ervan te geven zijn. Een van de aardige kanten van mijn vak is bijvoorbeeld dat je kunt leunen op een ontzagwekkende traditie. Er zullen niet veel Nederlanders zijn die zich een oordeel durven aanmatigen over het heldendicht bij de Maori’s of de initiatierituelen van Pygmeeën. Wie zich daarentegen wil verdiepen in de jeugd van Cicero of de productie van dakpannen in Colonia Ulpia Traiana, ontdekt dat daarover reeds een hele bibliotheek is volgeschreven in talen die de meesten van ons vlot kunnen lezen. Hoewel we zeer weinig weten, weten we beduidend meer over de Spartanen dan over de Bataven. Het gevolg van die kennis is dat in ieder geval classici het zich niet kunnen veroorloven in vage algemeenheden te blijven hangen, omdat ze dan direct publiekelijk door hun vakgenoten worden vernederd. Als er één vak is dat oppervlakkigheid verafschuwt, is het wel de klassieke filologie.


Dat classici het leuk vinden met nietsontziende weetgierigheid te streven naar Erkenntnis des Erkannten, om een negentiende-eeuwse definitie van filologie te hanteren, wil echter nog niet zeggen dat ze daarmee ook de rest van de wereld moeten lastigvallen. Waarom scheiden door winstbejag gemotiveerde bedrijven als Ambo, Querido en de Historische Uitgeverij een gestage stroom vertalingen af? Wat heeft het voor zin dat Homeros’ Ilias en Ovidius’ Metamorphosen elke paar jaar opnieuw vertaald worden? Welke gek moet dat allemaal kopen, om over lezen maar helemaal te zwijgen? Kennelijk is er een markt voor, anders zouden uitgevers er niet over peinzen die boeken uit te brengen. Ondertussen ben ik nog nooit iemand tegengekomen die voor zijn plezier uit het Grieks of Latijn vertaalde werken las. Het overgrote deel van de kopers worstelt zich door de eerste vijf bladzijden heen en neemt zich vervolgens plechtig voor het boek in de vakantie uit te lezen, wat dan niet gebeurt.


Dat de beoogde lezers, hun goede bedoelingen ten spijt, vaak al afhaken voor ze goed en wel op weg zijn, ligt niet aan de kwaliteit van de vertalingen. Natuurlijk verschijnt er op dat gebied ook rommel en kun je zelfs bij goede vertalingen over ongeveer ieder woord van mening verschillen (wat een aangenaam tijdverdrijf is), maar over het algemeen mogen we niet klagen. Het probleem is veeleer dat de meeste klassieke auteurs zo vreselijk ver van ons af staan. Om een voorbeeld te geven: van Aristophanes kan ik, tenzij ik een uitvoerig filologisch commentaar binnen handbereik heb, nog geen tien regels achter elkaar lezen zonder het spoor bijster te raken; en de lectuur van het volledig werk van Livius lijkt me even erg als levenslange verbanning naar Almere-Haven — en dat terwijl Livius in zijn eigen tijd ongehoord populair geweest moet zijn.


Ondanks de betrekkelijke onleesbaarheid van een groot deel van die boeken juich ik het ruimhartige vertaalbeleid van de uitgeverijen van harte toe. Enerzijds blijkt er tussen al het kaf meestal ook nog onvermoed koren te schuilen, anderzijds verschaft het vele het weinige een context die het mogelijk maakt gefundeerde oordelen over de kwaliteit ervan te vellen. De grootheid van Tacitus ervaar je pas echt wanneer je Sallustius ernaast legt. Want daar gaat het natuurlijk in de eerste plaats om: enkele van de allermooiste boeken ter wereld stammen uit de Oudheid. Over de verbijsterende kracht van Homeros’ Ilias, over het reusachtige verhaal van Herodotos, over het verfijnde Symposion van Plato behoeven we geen woorden vuil te maken. En de meest indringende toneelvoorstellingen die ik de afgelopen tien jaar heb gezien, betroffen tragedies van Euripides onder regie van Johan Simons en Paul Koek. Natuurlijk behoef je geen classicus te zijn om die voorstellingen te kunnen volgen en die boeken te lezen, maar wie Grieks kent is in de gelegenheid deze dierbare en belangrijke teksten echt te doorgronden. En laten er nu scholen zijn waar je nog echt Grieks kunt leren!



HELAAS ZIJN dergelijke opleidingsinstituten erg populair bij ouders die hun goedbedoelde snobisme maar nauwelijks weten te maskeren. Het is de wondere wereld van het Nederlands Klassiek Verbond, de Vrienden van het Gymnasium, het Landelijk Overleg Klassiek Onderwijs en de Landelijke Ouderraad Zelfstandige Gymnasia. Voor een dergelijk publiek heeft Querido de eminente latinist Harm-Jan van Dam opdracht gegeven Jip en Janneke in het Latijn te vertalen. Hoewel het een grappig boekje is geworden, met als hoogtepunt Jips ciceroniaanse verwensing ‘quo usque tandem’, vraag ik me af welk doel ermee gediend is. Voor de gemiddelde gymnasiast is het Latijn te moeilijk, en behalve Harry Mulisch zal geen opa het aan zijn vierjarige kleinzoon willen voorlezen. Ongewild bevestigt deze uitgave een diepgewortelde misvatting over klassieke scholing, namelijk dat deze een overigens betekenisloos spelletje voor bemiddelde ingewijden is. De Vrienden van het Gymnasium zullen er zeer mee ingenomen zijn, ik betwijfel of het onze beschaving verrijkt.


Een andere uitgave die duidelijk is gericht op mensen die niet in staat zijn een echt boek uit te lezen, is De oudheid van alfa tot omega, dat een selectie saillante passages uit tal van klassieke auteurs behelst. De enigszins voorspelbare lemma’s zijn alfabetisch gerangschikt en dragen titels als ‘Adonis’, ‘Gifbeker’, ‘Panisch’ en ‘Veni vidi vici’. De gekozen fragmenten zijn vaak redelijk substantieel. Dit is een relatief korte passage uit Pausanias, over de ‘sardonische lach’: ‘Met uitzondering van één plant is het eiland Sardinië vrij van vergif dat de dood veroorzaakt. Het dodelijke kruid lijkt op peterselie. Naar verluidt komen degenen die ervan gegeten hebben lachend aan hun eind. Vandaar dat Homerus en de mensen na hem een redeloze lach “sardonisch” noemen. Het kruid groeit vooral bij bronnen, maar verspreidt zijn gif niet in het water.’ Hoewel het boek met enige kwade wil beschouwd zou kunnen worden als een Nederlandse Bluff Your Way in the Classics, zal deze compilatie lezers misschien verleiden tot de aanschaf van een compleet werk.


Belangrijker is Ilja Pfeijffers ultrakorte, in een melig staccato gestelde literatuurgeschiedenis De Antieken. Hoewel de in 1968 geboren auteur een vooraanstaand geleerde is, kan hij de honderden besproken werken onmogelijk allemaal zelf gelezen hebben, te meer daar hij het boek in vier maanden geschreven heeft. Over de boeken die hij zelf goed kent weet hij veel aardigs te vermelden, maar waar hij een werk samenvat dat hij uitsluitend van horen zeggen kent, gaat het wel eens mis: zijn weergave van Quintilianus’ Opleiding tot redenaar waarin ik toevallig enigszins thuis ben, is bijvoorbeeld onjuist. Dergelijke uitglijdertjes zijn waarschijnlijk niet vermijdbaar bij een onderneming als die van Pfeijffer. Jammer, en al even onvermijdelijk is het feit dat het boek nauwelijks citaten uit de besproken auteurs bevat. Daardoor kom je wel van alles over de schrijvers te weten, maar krijg je vaak niet echt een indruk van hun werk. Vruchtbaar is Pfeijffers aanpak waar hij de Griekse en Latijnse cultuur als een geheel beschouwt en beide literaturen niet, zoals meestal gebeurt, gescheiden van elkaar behandelt, maar geïntegreerd. Het leukste van De Antieken is misschien dat Pfeijffer hier en daar in een paar zinnen een lans breekt voor vrijwel vergeten auteurs. Zijn pleidooi voor Oppianos’ leerdicht over de hengelsport vond ik zo overtuigend dat ik het meesterwerk ogenblikkelijk heb besteld.



TE MIDDEN VAN deze rijkdom moeten we ons goed realiseren dat dit de laatste boekenweek is die aan de klassieken gewijd zal zijn, want over honderd jaar is er niemand meer die ooit van de klassieke Oudheid gehoord heeft. Ons onderwijs gaat gebukt onder de merkwaardige opvatting dat leerlingen alleen nog maar vaardigheden behoeven te leren, omdat kennis zo snel zou verouderen. Deze nonsens kan alleen bedacht zijn door mensen die zelf inderdaad niets weten. Zeker, kennis over de laatste versie van Word heeft de neiging binnen het jaar overbodig te worden, maar geldt dat ook voor kennis van de Engelse taal? Ja, iedereen kan op zijn grafische rekenmachine aflezen hoeveel zes maal acht is, maar zou het niet handiger zijn als de bloem der natie dit ook uit het blote hoofd kon uitrekenen? Het onderwijs gaat te gronde aan totale oppervlakkigheid. Het duurt niet lang meer of kennisverwerving wordt gedefinieerd als het uitprinten van internetpagina’s. En omdat er geen degelijke onderwijzer of academicus is die in zo’n klimaat wil lesgeven, vallen de scholen ten prooi aan vlotte jongens en meisjes die — godbetert — carrière willen maken en niet beseffen dat een leraar, net als een vioolbouwer, een ambachtsman is.


Het beste middel tegen oppervlakkigheid is een degelijke filologische scholing. Bestudering van ingewikkelde teksten in een zeer vreemde taal is daarom nog waardevoller dan eerbiedwaardige disciplines als wis- en natuurkunde, omdat de aspirant-letterkundige niet alleen logisch leert denken, maar deze vaardigheid bovendien moet toepassen op materiaal dat hem ook als mens iets te vertellen heeft. Wie zich moeizaam een weg baant door de brieven van Seneca scherpt niet alleen zijn verstand, maar wordt daarnaast geconfronteerd met uiterst complexe ethische kwesties. Filologie doet beroep op taalgevoel, logisch inzicht, cultuurhistorische kennis en psychologische intuïtie tegelijk. Bovendien is er geen vak dat zo haaks staat op het amechtige gejakker door de supermarkt die Basisvorming heet. Wilt u onthaasten? Leer Latijn. De klassieken vertegenwoordigen geen lang vervlogen cultuur, maar een levenshouding.



MEN ZAL MIJ onmiddellijk tegenwerpen dat hetzelfde doel even goed bereikt zou kunnen worden door in het voortgezet onderwijs vakken als Russisch, Arabisch of Hebreeuws op het rooster te zetten. Ik ben het daar volkomen mee eens: konden we het maar allemaal doen! Nu we echter moeten woekeren met de beschikbare lestijd ligt het, althans op het merendeel van de scholen, meer voor de hand ons te beperken tot de goede oude klassieke talen. Bestudering daarvan heeft immers, naast het nut van de filologische methode, nog een paar andere voordelen. Omdat we, zoals zojuist is opgemerkt, hier in Nederland al tweeduizend jaar Latijn leren, kun je met enig recht van een traditie spreken. Dat iets al eeuwen wordt gedaan mag uiteraard nooit een doorslaggevende reden zijn ermee door te gaan, maar in dit geval zou het onverstandig zijn de traditie overboord te gooien, alleen al omdat de gehele Europese cultuurgeschiedenis onbegrijpelijk wordt als je niets van de klassieken weet. Zelfs al waren alle klassieke auteurs schurken of prutsers, dan nog konden we niet om hen heen.


Het is dus niet de dreigende teloorgang van mijn broodwinning die mij zorgen baart, maar de stuurloosheid van onze beschaving die onherroepelijk het gevolg zal zijn van een breuk met de humanistische traditie. Als verdwaasde kinderen die hun ouders kwijt zijn zullen we buiten adem door het digitale labyrint dwalen, maar geen draad van Ariadne die ons nog een uitweg wijst. Valt deze ontwikkeling nog te keren? Ik ben niet optimistisch.


Moe van het roepen in de woestijn van beton, bloeddrukverhogende house en rsi genererende machines betreed ik mijn studeerkamer om mij te richten tot mijn dierbare vriend Quintilianus, die nooit haast heeft en altijd geduldig antwoord geeft. Dit is wat hij zegt: ‘Wij zijn het zelf, die de tijd zo kort maken: hoe beperkt is immers de tijd die we aan onze intellectuele ontwikkeling besteden! Uren worden vergooid aan kletsverhalen, uren aan spelen in het amfitheater, uren aan diners. Daaraan kunnen we nog allerlei vormen van amusement toevoegen, een ongezonde lichaamscultuur, reizen, uitstapjes naar het platteland, een ziekelijke bezorgdheid om onze financiële situatie, alles wat de seksuele driften prikkelt, en de wijn: wie door al die genietingen is opgebrand, zal ook de tijd die nog overblijft, niet zinvol kunnen besteden.’


Spoed u naar uw boekhandelaar, lieve lezer, koop ten minste de helft van de boeken die in dit nummer worden besproken, zet de televisie uit en ga lezen. Heus, u hebt zeeën van tijd.



Patrick de Rynck en Mark Pieters (red.), Van alfa tot omega. Een klassiek ABC: De bekendste passages uit de Griekse en Romeinse


literatuur. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 240 blz., ƒ35,-. Ilja Leonard Pfeijffer, De Antieken: Een korte literatuurgeschiedenis. Uitg. De Arbeiderspers, 280 blz., ƒ29,95