Integratie Culturele intimiteit tussen oude en nieuwe Nederlanders

‘Wees zoals wij en u zult gelukkig worden’

De naturalisatieceremonie moest van toenmalig minister Verdonk een ‘feestje’ met ‘cachet’ worden. In de praktijk zijn het de lokale ambtenaren die de inhoud bepalen. ‘Mijn tip is: kleed je niet heel anders dan andere mensen.’

‘OP DE NATIONALE NATURALISATIEDAG hadden we 109 nieuwe Nederlanders uitgenodigd. Er kwamen er elf. Gelukkig waren de reacties positief. We maakten een stadswandeling en lieten het gemeentearchief zien. Daar zit een gevangenenkelder onder waar het zwaard hangt waarmee vroeger de gevangenen het hoofd werd afgehakt. Dus mensen, wees gewaarschuwd. Daarna liet de stadsdichter een zelfgemaakt gedicht horen. Dat was zo mooi, velen waren diep geëmotioneerd. Sommigen vonden het zo prachtig dat ze zelfs de zaal uit liepen, wat natuurlijk niet de bedoeling was.’
Aldus beschrijft een ambtenaar van de burgerlijke stand uit Roermond ietwat ironisch de naturalisatieceremonie in zijn stad. Maar het kan ook anders. In Den Haag opent de wethouder, zelf van Surinaamse afkomst, met: 'Welkom, namaste, salaam aleikum.’ De zaal groet mompelend terug: 'Waleikum salaam.’ Rondlopend, improviserend, charismatisch houdt de wethouder zijn speech. Hij spreekt de aanwezigen aan als mede-Hagenaars ('u bent deze stad’), benadrukt de diversiteit ('moslim, christen, hindoe, dat is uw kracht, in Den Haag willen we sterke, zelfbewuste mensen’), staat stil bij de Tweede Wereldoorlog ('die is heel belangrijk in de Nederlandse psyche’), legt het Wilhelmus uit als een vrijheidslied ('wij Nederlanders hebben gewonnen dankzij onze kracht en solidariteit’), om te eindigen met: 'Beste vrienden, welkom.’
In Alkmaar is een professionele acteur ingehuurd die uitgedost als een middeleeuwse soldaat de zaal betreedt. 'Ik ben Guillermo Agito’, zegt hij. 'Ik kom uit Spanje. Ik ben de oerallochtoon want ik zit hier al sinds 1614. Ik mag u op deze morgen een paar tips meegeven, nu u hier echt als Nederlander komt wonen.’ Hij wijst op zijn harnas. 'Als ik in deze kleren over straat zou gaan, dan praten de mensen op een heel andere manier tegen me dan wanneer ik gewoon in een spijkerbroek en een jasje loop. Dus mijn tip is: kleed je niet heel anders dan andere mensen. Normale kleding betekent dat je niet anders bent.’
In Purmerend spreekt de burgemeester, de ambtsketting op de borst: 'Op dit moment komen alle levenslijnen die ons hier gebracht hebben samen. U heeft er veel voor moeten doen om hier nu te zijn. Er zijn in Nederland tegenwoordig veel discussies over vreemdelingen. Dat is vreemd, want migranten zijn goed voor ons land en onze economie. Dus ik heet u van harte welkom. Niet alleen om wat u bent, ik heet u ook uit eigen belang welkom. U bent goed voor ons. Maar ik wil u ook voorhouden: verloochen uw afkomst niet, wees trots op uw wortels. Wij zijn een vrij land, dus leef uw cultuur of religie, schaamt u zich daar nooit voor. Wij ontwikkelen ons ook en u draagt bij aan onze ontwikkeling. Ik vraag u nu naar voren te komen om het koninklijk besluit in ontvangst te nemen.’ Hij begint één voor één de namen en het land van herkomst op te noemen.

WIE VROEGER Nederland binnenkwam, stuitte bij de grens op een slagboom met een douanier ernaast aan wie je je paspoort moest laten zien. Dat is verleden tijd. In plaats van die staatkundige begrenzing hebben we tegenwoordig culturele grenzen in de vorm van inburgeringscursussen en inburgeringsexamens. Het Nederland waar de afgelopen jaren zoveel over wordt gedebatteerd, dat zijn identiteit kwijt zou zijn of dat door nieuwkomers onherroepelijk verandert, wordt vooral voorgesteld als een culturele eenheid. Het symbolische moment van toelating is tegenwoordig de zogeheten naturalisatieceremonie. Dat is het moment dat de culturele slagboom die Nederland moet bewaken opengaat en migranten als nieuwe staatburgers de gemeenschap der Nederlanders binnentreden.
Sinds 2006 is de naturalisatieceremonie een verplicht onderdeel van het inburgeringsproces. Roger van Boxtel, die in 2000 als eerste zo'n toetredingsritueel voorstelde, noemde het 'het kersje op het gebakje’ van het nieuwe staatsburgerschap. Rita Verdonk, die de ceremonie daadwerkelijk invoerde, sprak over 'de bekroning van een succesvol integratieproces’. Zij wilde van de ceremonie een 'feestje’ met 'cachet’ maken. Sindsdien houden grote steden als Amsterdam en Rotterdam wekelijks een naturalisatieceremonie. Kleine gemeenten organiseren een bijeenkomst uiterlijk zes weken nadat de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) een positief besluit over de naturalisatieaanvraag heeft genomen. Er is ook een jaarlijkse nationale naturalisatiedag op 15 december - voorheen 24 augustus - waarop alle gemeenten geacht worden een ceremonie te organiseren. Sinds 2008 zijn naturalisandi verplicht een belofte van verbondenheid uit te spreken.
Vanaf de invoering is de ceremonie bekritiseerd als exemplarisch voor een nieuw soort, nationalistisch, integratiebeleid. De ceremonie, zo stellen critici, is symbool voor cultureel burgerschap dat steeds meer in de plaats is gekomen van politiek of economisch burgerschap. Politiek burgerschap gaat ervan uit dat iedere burger via het democratisch bestel deelt in de macht van de staat. Economisch burgerschap berust op het idee dat toegang tot de arbeidsmarkt voorwaarde is voor integratie. Cultureel burgerschap is veel meer een kwestie van loyaliteit, je thuis voelen, en het onderschrijven van meestal niet zo duidelijk gedefinieerde omgangsvormen. Door de nadruk op aanpassing en integratie creëert cultureel burgerschap de tweedeling die ze juist wil bestrijden: de Nederlander die is aangepast versus de migrant die dat nog niet is. Als symbool van dat beleid beklemtoont de naturalisatieceremonie de culturele verschillen die ze dikwijls zelf in het leven roept, zo luidt de kritiek.
Die bezwaren zijn niet onterecht, maar gaan er wel aan voorbij dat bestuurlijk Nederland, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, in hoge mate gedecentraliseerd is. Tot chagrijn van de verklaarde voorstanders van de ceremonie - behalve Van Boxtel bijvoorbeeld ook Paul Scheffer en Afshin Ellian - was het parlement het er niet alleen unaniem over eens dat er een naturalisatieritueel moest komen, maar ook dat de vormgeving daarvan moest worden overgelaten aan de gemeenten. Dat wordt helemaal geen 'cachet’, zo vreesden de voorstanders. Dat wordt lokale kneuterigheid. Lauwe koffie op een stadsdeelkantoor. 'Een crematoriumplechtigheid’, voorspelde Van Boxtel.

EN INDERDAAD, uit onderzoek dat ik met een aantal studenten antropologie heb verricht, blijkt dat de nationale retoriek over integratie en cultuurverschillen nog niet zo heel veel zegt over de lokale vormgeving van het inburgeringsritueel. Een complicerende factor was dat een fors deel van de gemeenteambtenaren die de taak kregen toebedeeld er helemaal geen zin in had. Veel ambtenaren hadden een bloedhekel aan Verdonk en haar integratiebeleid. Ze hadden er plezier in om met migranten te werken. Hun loyaliteit en beroepstrots stamden nog van voor de tijd van Fortuyn. 'Wat is het nut?’ vroeg een van hen zich af: 'De mensen hebben al lang een sociaal netwerk opgebouwd. Ze ruziën net als u en ik met de buren over wie de nieuwe schutting moet betalen. We doen alsof die mensen hier volstrekt geïsoleerd zijn, maar ze gedragen zich net als ieder ander.’ En juist deze sceptici moesten de feestelijke toegangspoort tot het culturele burgerschap gaan vormgeven?
Zo werd de invoering van de naturalisatieceremonie aanvankelijk een uiterst merkwaardig staaltje van cultureel management, uitgevoerd door lokale ambtenaren en bestuurders die hun weerzin tegen het nieuwe nationalisme maar moeilijk konden onderdrukken. Er zat van alles in, van sabotage van directieven (sommige gemeenten weigerden simpelweg een ceremonie te houden) tot ridiculisering van gezagsdragers (vaak werd de minister zelf op de hak genomen). Tegelijkertijd ontkwamen ambtenaren er niet aan uit het niets een 'Nederlandse cultuur’ vorm te geven die de migrant moest worden voorgehouden als zijn nieuwe thuis.
Het meest opvallende uit de begintijd van de naturalisatieceremonie was niet alleen de geringe rituele competentie in het overwegend seculiere, post-protestantse Nederland, maar ook het plezier dat lokale ambtenaren er geleidelijk in kregen. Als ze eenmaal over hun eerste weerzin heen waren en het virulente nationalisme waar Verdonk om vroeg naast zich neerlegden, bleek de ceremonie best een leuk feestje te kunnen zijn, een doorbreking van de ambtelijke sleur zoals een personeelsuitje dat is. Het meest gehoorde commentaar van organiserende ambtenaren was wel: 'Voor ons Nederlanders hoeft zo'n ceremonie niet, wij zijn opgegroeid met doe maar gewoon, da’s al gek genoeg, maar voor de mensen zelf is het toch een bijzondere gebeurtenis.’ En dus ging men op bezoek bij de kaasmarkt, op een koeienboerderij, werd de plaatselijke klokkentoren beklommen of maakte de groep een boottochtje op een vaart. Er werd getrakteerd op drop, pepermunt, boerenkool, kaas, Bossche Bollen en Fries suikerbrood. Er waren multiculturele diners met wereldmuziek. Eén gemeente riep zichzelf uit tot kruidentuin van Nederland en deelde zakjes met kruiden uit. Plaatselijke dichters maakten gedichten met regels als: 'Vandaag is de dag waarop ik/ Als een boom word geplant,/ Mijn wortels verankerd in de bodem/ Van dit ooit verre land.’ Er werden VVV-folders van toeristische fietsroutes uitgereikt, gemeentevlaggen cadeau gedaan, of een sleutelhanger met 'Het kan in Almere’. Elders konden de migranten op de foto naast een levensgrote poster van Johan Cruijff. In veel gemeenten werd het jubileumboek Wij Beatrix uitgedeeld, dat in 2005 in grote hoeveelheden naar alle gemeenten was gestuurd en op de schappen was blijven liggen. In een enkele gemeente werd zelfs het volkslied gezongen, soms met het zesde couplet over 'God, mijn Heer’ erbij. Er waren recepties, zonder alcohol als men gastvrij en toekomend wilde zijn, mét alcohol als men wilde benadrukken dat dit Nederland was.
En natuurlijk werd er gespeecht. In volgorde van populariteit kwamen de volgende onderwerpen aan bod: de gelijkberechtiging van homo’s en hetero’s (veruit het vaakst genoemd); de grondwet, het verbod op discriminatie, het recht op vrije meningsuiting, en het recht op vereniging (dat laatste vooral door CDA-burgemeesters); de zee, de dijken en de polders; het belang van vrijwilligerswerk (het belang van betaald werk werd maar sporadisch genoemd); allerlei lokale tradities, zoals spelletjes, recepten, dialecten, of gebeurtenissen uit de plaatselijke geschiedenis; de gelijkberechtiging van vrouwen en mannen; sport, met name het Nederlands elftal en schaatsen; stem- en kiesrecht; de VOC en de slavernij; tolerantie en zuinigheid; het land van herkomst en de culturele roots van de genodigden; de universele rechten van de mens. Op één plek werd de speech vervangen door een quiz over Nederlandse eigenaardigheden. Maar dat gebruik werd snel weer afgeschaft omdat sommige genodigden dachten dat hen nog een inburgeringstest werd afgenomen en van de zenuwen geen woord meer konden uitbrengen.
Het meest opvallende was wel het sterk lokale karakter van de ceremonie. In de hofstad spraken ze van 'Den Haag, mijn vaderland’. In Amsterdam werd Nederland gereduceerd tot de hoofdsteedse grachtengordel. In kleine gemeenten was lokale fakelore (een term van de antropoloog Richard Dorson) al even populair. Desgevraagd verklaarden organiserende ambtenaren dat ze geen flauw benul hadden wat de minister precies met 'cachet’ had bedoeld. Ja, nationale symbolen wilde ze, dat snapten zij ook wel, maar alles wat je aan nationaal symbool kon bedenken klonk cliché. Koningshuis, volkslied, driekleur vonden de meesten te nationalistisch. De tulp was te commercieel. Bleef over het water. En de polder. Dat laatste gaf tenminste een zeker subversief plezier. Zoals een ambtenaar uit de Betuwe zei: 'Zit heel Den Haag te kankeren op het poldermodel, verklaren wij de polder tot ons vaderland.’ Bij gebrek aan nationale symbolen, en uit aversie tegen nationalistische, wendde men zich maar tot lokale gebruiken, lokale geschiedenis en lokale lekkernijen.

HELEMAAL VAN HARTE ging het niet. Als ambtenaren de eigen creatie tegen het licht hielden, bijvoorbeeld omdat er een antropoloog langskwam of tijdens workshops met lotgenoten uit andere gemeenten, kregen ze last van schaamte. Dan was ironie een gemakkelijke verdediging. Dan werden dingen gezegd als: 'Een Nederlander eet kaas, heeft een bosje tulpen in een vaas, loopt op klompen en staat de hele dag vol bewondering te kijken naar de molens.’ Onderling ontwikkelden veel gemeenteambtenaren kortom wat de antropoloog Michael Herzfeld culturele intimiteit (cultural intimacy) heeft genoemd. Dat is een gevoel van verbondenheid dat is gebaseerd op de gemeenschappelijke en geheime wetenschap dat de cultuur die men geacht wordt te delen een fictie is. Al doende ervoeren de ambtenaren dat de culturele eenheid die Nederland wordt genoemd steeds vluchtiger wordt naarmate je die probeert te definiëren en vorm te geven. Hoe hoger zij het vreugdevuur van folklore en hoogdravende toespraken over vrijheid en gierigheid opstookten, des te ongrijpbaarder werd 'Nederland’. In plaats daarvan ontstond er een kleiner en intiemer Nederland, een nederland, dat de vorm aannam van een gedeelde gêne over het eigen gebrek aan culturele verbondenheid.
Maar het ritueel ontleent zijn kracht mede aan het verstrijken van de tijd. Naarmate de ceremonie onderdeel werd van de ambtelijke routine verloor ze haar feestelijke bijzonderheid, en namen gêne en ironie af. Ambtenaren hebben zich geleidelijk aan de logica van het ritueel aangepast. In plaats van braderieachtige activiteiten houden ze het nu soberder en abstracter. Dat wil zeggen: ze kiezen er nu voor zogeheten Nederlandse waarden te benadrukken: vrijheid (met name van seksualiteit), gelijkheid (met name van homo’s en hetero’s), zelfbeschikking, individualisme, en soms, zoals in het Haagse voorbeeld, diversiteit en tolerantie. Uit de aanvankelijke orgie van folklore is een doorsnee ceremonie ontstaan die bovenal het secularisme looft en van de naoorlogse ontkerstening een blauwdruk van emancipatie maakt. In de ambtelijke praktijk van alledag is seculiere vrijheid een cultureel, bijna etnisch concept geworden - iets typisch Nederlands. De boodschap is, zoals een van mijn studenten het uitdrukte: 'Wees zoals wij en u zult gelukkig worden.’
En de migranten? Vermaken zij zich een beetje tijdens dit nieuwe ritueel? Voor wie gevlucht is en vaak tien jaar in een weinig comfortabele situatie heeft moeten wachten op een lotsbeschikking van de IND is naturalisatie een moment van erkenning, heimwee, misschien zelfs bevrijding. Zo iemand heeft er wellicht behoefte aan deze gebeurtenis op te luisteren. Wie hier geboren en getogen is als zoon of dochter van migranten kijkt dwars door alle praatjes over lokale folklore en seculiere vrijheden heen. Jonge jongens uit deze categorie willen de boel wel eens verzieken als ze met een groepje zijn. Maar het grootste deel zit er wat bevreemd bij, zich afvragend wat de natives van dit land nu weer bedacht hebben. Maar goed, zij zijn dan ook slechts in naam de hoofdpersonen van dit ritueel, dat toch in hoofdzaak een toneelstuk is voor en door etnisch-seculiere Nederlanders.

Oskar Verkaaik is als antropoloog werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn boek Ritueel burgerschap: Een essay over nationalisme en secularisme in Nederland is eind vorig jaar verschenen bij Aksant Uitgeverij