Weet je wie ik ben?

‘O God, waar ben ik toch?’ jammert de vrouw in het bed naast dat van m'n moeder. Jammert - niet denigrerend bedoeld maar om zowel wanhoop als volume uit te drukken. Ze ligt opgerold op haar zij onder een dunne witte katoenen deken. Alleen pikzwarte ogen achter brilleglazen zijn te zien. Ze kijkt naar me, als de dieren die we deze winter op de televisie gered zien worden door brandweerlieden en vogelbeschermers - doodsangst.

Ze kent me niet en juist daardoor komt de vraag op die ze later talloze malen zal herhalen. Ze richt hem niet tot mij maar tot het heelal of wellicht letterlijk tot haar Hogere Macht. Dus ook niet tot de oude vrouw die, op bezoek, en in gesprek met bezoekers van een andere patiente, langzaam van tafel opstaat en naar het bed loopt. Zoals veel vrouwen van haar generatie heeft ze haar jas uit en haar hoed op. ‘Je - bent - in - het - ziekenhuis’, roept ze. 'O.’ De vrouw loopt terug naar de tafel en hervat haar gesprek. 'Ik heb het zo koud’, huil-roept de zieke. Zuchtend staat 'de hoed’ op en schreeuwt dat ze om een deken zal vragen. Dan draait ze zich naar ons en zegt, wijzend op het bed: 'Stokdoof maar je moet niet denken dat ze d'r ooit wat aan liet doen. Eigenwijs! Doodmoe word je d'r van.’
'Waar ben ik toch?’ Met verdubbelde kracht wordt de mededeling 'ziekenhuis’ gedaan. Wat in zoverre vreemd is dat de vraagherhaling duidelijk niet voortkomt uit slecht gehoor maar uit geschonden geheugen. Weer buigt ze zich over het bed en scandeert: 'Ze - gaan - je - beter - maken.’
Ik voel treurnis, want hoop is mooi maar 'beter’ is in dit geval een zonderling begrip. Dan zet het vogeltje ons op het verkeerde been: 'Ja natuurlijk, daar zijn ziekenhuizen voor.’ Die zit. De hoed lacht. 'Weet je wie ik ben?’ schreeuwt ze. 'Je zuster!’ De zieke barst in lachen uit. 'Ja, je bent Ali. Natuurlijk weet ik dat. Dat weet toch heel Amsterdam?’ Nu lachen we allemaal. De zieke kruipt diep onder haar deken, haar zuster gaat terug naar de tafel, conversaties worden hervat. Soms roept ze dat ze het heet heeft. Soms koud. Soms vraagt ze huilend waar ze is. We zijn het al gewend.
Die mooie zondag gaan we schaatsen, broer, nichtje en ik. Op de Gouwzee is het druk als in de Kalverstraat op zaterdag, maar wij, die menigten haten, genieten. Het beetje sneeuw, die nacht gevallen, maakt de ruimte nog immenser. Er loopt een dun, zwart, cirkelvormig lint van schaatsers: Monnickendam-Marken- Volendam-Monnickendam. Zijn files lelijk, deze is prachtig. Rozig weer bij oma op bezoek. Onze tevredenheid smelt niet weg door het verzameld leed op de afdeling geriatrie: ze heeft zowaar zelf de prettigste ruimte gevonden vanwaar je de konijntjes buiten ziet. We scrabbelen.
In de verte vaag kreten van een vrouw wier geest de wereld niet meer vat, en andersom. Dan zie ik me plots liggen, op zaal en m'n broer die vraagt: 'Weet je wie ik ben?’ 'Natuurlijk, Kees, dat weet heel Amsterdam.’
Veel zal het niet eens schelen want hij bemint de kroeg en de kroeg hem. Ja, er staat ons nog heel wat lachen te wachten.