Noreena Herz in New York

WEF

Noreena Hertz was niet op het World Social Forum in Porto Alegre, Brazilië, maar ging daarentegen naar het World Economic Forum in New York.

Vorig jaar stond ik met de demonstranten in de sneeuw buiten het World Economic Forum. Vorige week stond ik binnen op de geheiligde grond van het Waldorf Astoria. Ik had getwijfeld of ik nu wel of niet mijn benoeming moest accepteren als een van hun «Global Leaders of Tomorrow», en ik was van plan geweest om in plaats daarvan juist naar Porto Alegre te gaan, naar het alternatieve World Social Forum. Maar de kans om van binnenuit de confrontatie aan te gaan met de ondernemingskant van de globalisering was uiteindelijk veel te aanlokkelijk. Liever als Trojaans paard dan ingelijfd — zo keek ik er tegenaan.

En in dit geval als een heel boos paard. Gewapend met mijn lijst van «onaanvaardbare feiten» — de 34.000 kinderen jonger dan vijf jaar die elke dag sterven door oorzaken die te maken hebben met armoede; het feit dat vier vijfde van de rijkdom van de wereld nu in handen is van slechts één vijfde van de wereldbevolking; het feit dat terwijl de VN moeite doet zijn jaarlijkse budget van 1,25 miljard dollar bij elkaar te krijgen, Amerikanen 29 miljard dollar per jaar uitgeven aan snoep, et cetera — besloot ik het Forum te gebruiken als een mogelijkheid om discussies los te maken, ervoor te zorgen dat de stem van de stemlozen werd gehoord, en de belangrijkste kwestie over het voetlicht te krijgen: namelijk dat globalisering, in zijn huidige vorm, niet werkt voor de meerderheid van de wereldbevolking.

Ik was niet de enige met deze voornemens. Anderen maakten op vergelijkbare manieren gebruik van hun aanwezigheid. Van Bono (de zanger van U2) tot Kofi Annan, van hoogleraar David Held van de London School of Economics tot Craig Cohon van Global Legacy, zorgden diegenen onder ons met progressieve ideeën ervoor dat onze stemmen werden gehoord. En, om recht te doen aan een aantal topmensen uit het bedrijfsleven die ook aan het Forum deelnamen, ook onder hen waren er velen die spraken over sociale onrechtvaardigheid en ongelijkheid. John Chambers, de voorzitter van Cisco Systems, had het over de onaanvaardbaarheid van een wereld waarin 1,2 miljard mensen minder verdienen dan één dollar per dag; de vice-voorzitter van een van de grootste consultancy-bedrijven ter wereld dreef me tijdens het gala in avondkostuum in een hoek om uit te leggen waarom volgens hem een wereld met zulke enorme verschillen eenvoudig niet langer houdbaar was; en dankzij de bizarre stelling van een van de toehoorders dat de wereld helemaal niet ongelijker en onrechtvaardiger werd, vonden de president van ’s werelds grootste investeringsbank en ik elkaar in een gedeeld gevoel van woede dat iemand zo blind kon zijn voor de grote problemen in de wereld.

Tot zover het goede nieuws. Het slechte nieuws was dat hoewel zulke kwesties nu aan de orde kwamen en gehoord werden op het Forum — doorgewinterde World Economic Forum-gangers vertelden me dat er vier jaar geleden alleen maar werd gepraat over winst, en de positieve kanten van globalisering — ik ben vertrokken uit Davos in New York zonder ervan overtuigd te zijn dat de aanwezige topmensen uit het bedrijfsleven werkelijk van plan zijn en masse hun retoriek van bezorgdheid om te zetten in een uitvoerbare realiteit. Zoals Bono het formuleerde: «De Davos-groep moet eerst maar eens bewijzen dat het iets meer is dan een insidersdiscussie.»

Want willen we meer rechtvaardigheid bereiken, armoede verminderen en het milieu en de mensenrechten beschermen, dan zijn compromissen noodzakelijk. Compromissen die vereisen dat bedrijven een deel van hun rechten en een deel van hun vrijheden opgeven: een bereidheid een hogere belastinglast te accepteren, een bereidheid steun te geven aan het versterken van internationale instellingen anders dan alleen die instituten die de handel stimuleren, een bereidheid om na te denken over meer wereldwijde regelgeving met betrekking tot het milieu of mensenrechten, of zelfs op z’n allerminst aanvaarden dat de overheid een duidelijke rol heeft te spelen in het indammen van de uitwassen van de markt anders dan het beschermen van eigendomsrechten alleen. Deze voorstellen werden over het geheel genomen maar al te vaak van de hand gewezen.

In plaats daarvan werd gepraat over wat in wezen een op de markt gebaseerde reactie op de wereldproblemen is: filantropie, zelfregulering, corporatieve sociale verantwoordelijkheid en vrijwillige gedragscodes. Een bestendiging van de overtuiging dat gedereguleerde markten zullen brengen wat ze de afgelopen twintig jaar zo overduidelijk niet hebben gebracht. En het meest zorgwekkende: een bijna unanieme afwijzing van de overheid als meest geschikte instrument voor het brengen van rechtvaardigheid: sociaal of economisch. Zoals Richard Parsons, het hoofd van Time AOL, in een plenaire sessie zei: «Eens bepaalde de kerk ons leven, vervolgens de staat, en nu spelen bedrijven die rol.» Hij ging niet in op de vraag of hij dit acceptabel vond, en ik kreeg het gevoel dat veel mensen in de zaal vonden dat het precies zo hoorde te zijn.

Maar er zijn belangrijke splitsingen in de Davos-groep zelf die opgemerkt moeten worden. Verdeeldheid tussen corporatief Amerika dat neigt naar standpunten die dicht bij Bush’ wereldvisie liggen, en de vele afgezanten van landen binnen Europa wier ideeën meer overeenkomen met die van hun collega’s uit de Derde Wereld. De directeur van Renault, die, toen ik hem vroeg of hij voorstander was van globale regelgeving met betrekking tot het milieu of ethiek, antwoordde met een galmend ja. De Latijns- Amerikaanse minister die tijdens een ontmoeting die ik met hem had off the record de onmogelijkheid betreurde van Amerikaans unilateralisme als het ging om problemen van mondiale omvang.

Maar of deze progressieve groep binnen het Forum kan slagen in zijn poging een nieuwe agenda op te stellen die globalisering kan laten werken voor de massa — daarvan ben ik niet overtuigd. En dat is de reden dat ik uit volle overtuiging steun geef en zal blijven geven aan de inspanningen van de protestbeweging, die op het moment dat sommigen van ons probeerden van binnenuit veranderingen te bewerkstelligen, in Brazilië op het World Social Forum hun uiterste best deden om de druk van buitenaf zo hoog mogelijk te houden.

Voor degenen die het Economic Forum alleen maar van buitenaf kunnen bekijken (dat wil zeggen de overgrote meerderheid) is het natuurlijk moeilijk om te zien dat zo’n bijeenkomst ook maar iets positiefs kan opleveren, gezien de schaamteloze extravagantie van de hele toestand: het feestcircuit, de supermodellen op zoek naar de uitnodigingen voor de goede places to be en personal computers van zevenhonderd dollar die worden uitgedeeld in bonbonverpakking.

Zelfs ik moest even goed nadenken over hoe ik me moest presenteren op een manier die serieus genomen zou worden in die sociale maalstroom. En ik zag er zonder enige twijfel uit alsof ik daar hoorde te zijn, in mijn witte, Bianca Jagger-achtige broekpak van het Britse ontwerpduo Boudicca. Van alle mensen die me complimenteerden met mijn kleding, waren er natuurlijk maar weinig die de ironie begrepen. Boudicca gaat er prat op het eerste antikapitalistische merk in de geschiedenis te zijn.

De vertaling van Noreena Hertz’ boek is net uitgekomen bij uitgeverij Contact: De stille overname (€ 24,95)

Vertaling: Rob van Erkelens