Weg (3)

Er leven op de flanken van Mount Snowdon een stuk of vijf, zes raven. Toen ik moederziel alleen in een compleet witte wereld omhoog liep, en niet wist of ik wel het goeie pad had - ik had de verzekering van wel, maar de vrouw die me dat een heel stuk lager meldde, was een beetje weird - hoorde ik ze. Het was koud, door de mist zag ik alleen het pad onder mijn voeten, en ik dacht: ze wachtten op me. Het diepe krrôô van de grote vogels is ongelooflijk onheilspellend. Het pad steeg, zelfs dat stelde me niet helemaal gerust. Ik liep zó hard, dat ik binnen anderhalf uur boven was, want het was inderdaad het juiste pad. In het topstation wemelde het van de mensen, die hadden de bergtrein vanuit Llanberis genomen. Ik wachtte een half uur, de wolk bleef hangen, de top kon net zo goed op duizend als op vijftig meter hoogte liggen. Omlaag dan maar weer. Na een kwartiertje verwaaide de wolk, kwam de diepte in zicht, stond een jongen uit nota bene Glasgow als aan de grond genageld want ineens kon hij de graat zien waarlangs hij zou moeten afdalen.
Ik dacht niet lang na en ging opnieuw omhoog, steeds bleef ik het topstation zien. Snowdon is een van de mooiste bergen die ik ken, het zicht vanaf de top is adembenemend, alle paden die erheen leiden zijn zichtbaar, de meertjes met de verschillende kleuren (groen en blauw en rood) haarscherp omlijnd, de Llanberiszijde ligt er zo glooiend bij dat het is of de berg wist dat er ooit een stoomtreinlijn aangelegd zou worden. Voor de tweede keer omlaag, de raven zeilden op stijgwinden, hun roep niet langer vreesaanjagend. Ik bleef vaak staan, om steeds maar weer te kijken en om beneden niet te lang te hoeven wachten op de stoomtrein terug naar Caernarfon. En ik besefte dat ik Noord-Wales mooier vind dan de Schotse hooglanden, waarom dat is, heb ik nog niet verzonnen. Een dag op een berg lijkt een week te duren, beneden had ik tijd voor anderhalve pint Welsh black.