Kritisch denken op Waldorf School

Weg achter het scherm

De missie van Waldorf School in Silicon Valley is het opleiden van zelfdenkende, creatieve probleemoplossers. Met een minimum gebruik van de juist in die contreien ontwikkelde technologie.

Het gezin Padnos-Altamirano voedt de vier kinderen op in een technologie-arme omgeving. In wat voorheen de garage was is nu ‘het laboratorium’, een vrijplaats voor de kinderen om te spelen en aan hun huiswerk te werken, Silicon Valley © Laila Frank

‘Een even getal is staan naast je stoel, een oneven getal is staan op je stoel’, zegt juf Laurent terwijl ze de gordijnen van het krijtbord met de getallenreeks erop dicht trekt. ‘Iedereen klaar? Zeven, veertien, eenentwintig…’ De houten stoeltjes houden het enthousiasme van de leerlingen van groep 4 maar net en de emaillen kopjes kletteren op het ritme van de stoelendans tegen elkaar aan. Het licht in het lokaal reflecteert zacht op de warme gekleurde muren en de natuurlijke materialen – riet, klei, hout – die in het lokaal zijn gebruikt. ‘Leren is zeker in deze levensfase ook een fysieke ervaring’, fluistert schooldirecteur Pierre Laurent (getrouwd met de juf) mij toe achter in de klas.

Het is een doodgewone dinsdagochtend op de exclusieve Waldorf School in het hart van Silicon Valley. Ondanks de locatie komen beeldschermen en programmeerlessen er hier niet in. Schrijven doe je met pen en papier, muziekinstrumenten zijn net zo gewoon als een schooletui en wie wil begrijpen hoe een radio werkt, leert niet over geluidsgolven maar knutselt een transistor in en uit elkaar.

Voor 25.000 euro per jaar volgen kinderen een curriculum dat is opgezet naar Rudolf Steiners antroposofische snit. De scholen zijn een hit bij de ouders van de tech-elite en passen naadloos in de technologie-arme opvoedtrend in Silicon Valley. Terwijl kinderen hier technologie zorgvuldig gedoseerd krijgen, brengen leeftijdgenoten in de rest van Amerika gemiddeld negen uur per dag achter een scherm door. Die trend zet niet alleen door in de thuissituatie maar ook in het onderwijs.

Wie niet beter weet zou de docenten Matt Miles (35) en Joe Clement (49) kunnen aanzien voor technologie-marketeers. Met een dikke knipoog lepelen ze soepel het marketingjargon op dat ze als docenten wekelijks krijgen gepresenteerd door vertegenwoordigers van technologiebedrijven. ‘Digitaal is moedertaal! Een revolutie in het onderwijs! Leren – mogelijk gemaakt door technologie!’ Het is pauze op de openbare middelbare school in Virginia waar ze beiden lesgeven en de docenten hebben zich voor dit gesprek knus achter het scherm van hun computer genesteld.

Meer dan 35 jaar onderwijservaring brengt het duo met zich mee waarvan ze er tien samenwerken. Los van elkaar bemerkten ze een jaar of zeven geleden een verandering in de klas. ‘De concentratie werd minder’, zegt Miles. ‘We haalden niet dezelfde resultaten met onze klassen. Zelfs met de goede leerlingen kwamen we minder ver dan in de jaren ervoor. We begrepen niet hoe dat kwam en verdiepten ons in de literatuur. Hoe meer we lazen, hoe meer we zagen dat het allemaal verband hield met de opkomst van technologie.’

Vroeger had lang niet iedereen een telefoon. ‘Maar binnen een paar jaar keken leerlingen tijdens de les niet meer naar ons of naar elkaar maar naar het scherm op schoot’, vertelt Clement. ‘Wat begon als een gebrek aan concentratie veranderde in een gebrek aan kritisch vermogen en aan fundamentele kennis van de materie.’ Hun zoektocht mondde uit in een boek waarmee ze door het land trekken: Screen Schooled: Two Veteran Teachers Expose How Technology Overuse Is Making Our Kids Dumber.

K inderpsycholoog Richard Freed slaakt een zucht van herkenning bij het verhaal van de onderwijzers. Net als het duo begon Freed zichzelf te onderwijzen toen hij de verandering in het gedrag van zijn clientèle opmerkte. Net als zij kwam hij uit op technologie als gemene deler. Zijn observaties en zijn zorgen mondden uit in het boek WiredChild: Reclaiming Childhood in a Digital Age. Ook Freed staat waar hij maar kan op de zeepkist.

‘Kindertijd is schermtijd geworden’, vertelt hij op het terras van een lokale koffiebar in zijn woonplaats Walnut Creek, een slaperige dorpsenclave ruim een uur ten oosten van San Francisco. ‘De algoritmen van Silicon Valley hervormen onze jeugd. Het verslavende ontwerp van de techreuzen maakt dat kinderen zich meer binden aan hun scherm dan aan hun familie, hun omgeving en aan school. Dat belemmert de ontwikkeling en het geluk van kinderen.’

Freed maakt onderscheid tussen entertainmenttechnologie zoals computerspelletjes of sociale media en gebruikstechnologie: dienstenapplicaties zoals Uber, digitaal bankieren of OV-informatie. Het euvel is de entertainmentvariant, gestoeld op de school van psycholoog en Silicon Valley-legende B.J. Fogg. Zijn persuasive technology lab op Stanford University is de leerschool van veel programmeurs. Alles in het beruchte lab draait om beïnvloeding van de diepste verlangens van gebruikers.

‘Die verlangens liggen verankerd in ons dna’, zegt Freed. ‘We zijn gebouwd als verzamelaars en jagers. Spelletjes als Fortnite raken jongens precies in dat deel van hun hersenen. Het spel beantwoordt meer aan de driften en impulsen van kinderen dan de wereld om hen heen. Ze zijn ontworpen om kinderen het gevoel van succes en instant bevrediging te geven. Dat veroorzaakt tragische teleurstelling in het echte leven.’

De gevolgen ervan ziet hij dagelijks in zijn praktijk in Antioch, een arme stad een uur ten oosten van Walnut Creek. Zijn klantenbestand – voornamelijk zwart of Latino – bungelt onder aan alle maatschappelijke statistieken. ‘De afgelopen vijftien jaar zie ik een enorme toename in het aantal jongeren dat zelfmoord pleegt. Ik behandel significant meer jongeren met depressies en zelfmutilatie is bij meisjes sinds 2010 met negentien procent per jaar toegenomen. Ouders hebben geen idee hoe het komt. Zij weten niet wat de ouders in Silicon Valley wél weten: dat entertainmenttechnologie een hele generatie aan het verpesten is.’ Dat verschil in kennis is onderdeel van de moderne digitale kloof. ‘In de beginjaren van tech zag die kloof er anders uit’, zegt Freed.

‘Toen bestond de angst dat lagere inkomens geen toegang zouden hebben tot apparatuur en snel internet. Ze zouden achterblijven op de rest van het land. Technologiebedrijven hebben toen succesvol en met goede intenties ingezet op de beschikbaarheid van hun producten voor lagere klassen. Het waren de vroege dagen van technologie; alles was omringd door de magische belofte dat technologie de wereld beter zou maken.’

‘De wereld is wel veranderd, maar de manier waarop kinderen leren niet’

De realiteit heeft die magische belofte ingehaald: 95 procent van de kinderen in de VS heeft een smartphone. Kinderen in de lagere inkomenscategorie brengen aanzienlijk meer tijd door achter een scherm dan hun leeftijdgenoten met een hoger inkomen. Freeds tieners brengen 8,07 uur per dag achter een scherm door, tieners met een hoger inkomen gemiddeld 5,42 uur. Afro-Americans en Latinos zijn in de lagere inkomensklasse oververtegenwoordigd.

Groep 4 van Waldorf school in Silicon Valley © Pierre Laurent

Van de veranderende wereld die de psycholoog en de docenten beschrijven is op Waldorf School niet veel te merken. ‘De wereld is wel veranderd, maar de ontwikkeling van het brein en de manier waarop kinderen leren niet’, zegt schooldirecteur Laurent. ‘Goed onderwijs begint bij dat begrip.’ Verbeelding, creativiteit en experimenteren zijn essentieel in het holistische onderwijsmodel van Waldorf. Laurent: ‘Het brein ontwikkelt zich van geboorte tot ongeveer 24 jaar in fases. Ons lesprogramma sluit aan bij die fases. Jonge kinderen bijvoorbeeld leren met hun zintuigen: ze voelen en proeven wat ze in hun handen hebben, zo begrijpen ze de wereld om hen heen. Abstracties kunnen ze op die leeftijd nog niet bevatten. In die fase leren ze losse elementen begrijpen. Pas later kunnen ze die koppelen aan een groter geheel. Technologie verandert daar niets aan. Recent onderzoek van het National Health Institute laat zien dat baby’s die op iPads succesvol blokken in elkaar kunnen zetten er niets van bakken als ze identieke echte blokken voor hun neus krijgen. Ze kunnen die kennis niet van het scherm naar de echte wereld verplaatsen.’

Naast de cognitieve ontwikkelfases van de leerlingen zijn de psychologische fases leidend op Waldorf. ‘Zelfbeschikking is het thema in groep 4, de klas waar we vanochtend te gast waren. Op deze leeftijd vindt de eerste onthechting van de ouders plaats. Wij laten ze ervaren dat ze voor zichzelf kunnen zorgen. Ze bouwen hutten, koken hun eerste maaltijden en bezoeken een boerderij zodat ze begrijpen waar voedsel vandaan komt. Het eindexamenjaar draait om de Grieken – om schoonheid en gratie. De vroege puberteit is het jaar van de Middeleeuwen, de grote zoektocht.’

Technologie komt pas in beeld bij het thema van de industriële revolutie rond de eerste klas van de middelbare school. ‘We leren ze dat technologie machtig gereedschap is voor productiviteit. Technologie is in zichzelf niet goed of kwaad; het kan nuttig zijn om je doel te bereiken. Als je bijvoorbeeld een werkstuk moet schrijven helpt een computer. Als je onderzoek moet doen voor een project kan internet bruikbare bronnen leveren. De vraag is altijd: wanneer helpt technologie ons daadwerkelijk en wanneer leidt het alleen maar af.’

Die boodschap lijkt in niets op de marketingformules waar veel scholen dagelijks mee worden geconfronteerd. ‘Het probleem in Amerika is de kwaliteit van het onderwijs’, zegt docent Clement. ‘In de internationale lijstjes bungelen we altijd onderaan. De druk op schoolbesturen is groot en het budget is krap. Altijd is er de roep om beter onderwijs: fix the schools is een veelgehoorde kreet in het maatschappelijk debat. Schoolbestuurders zoeken continu naar verbetering. Als er dan een bedrijf aanklopt dat belooft het onderwijs voor weinig geld “fundamenteel te kunnen transformeren”, maak je als bestuurder toch even tijd vrij. Dus vind je in de klaslokalen telkens the next best thing, het volgende speeltje.’

Die beloften zijn gebouwd rondom hardnekkige mythes. ‘Kinderen doen fantastische dingen als ze voor een scherm zitten, is zo’n mythe’, zegt Clement. In een van de presentaties die hij en Miles voorgeschoteld kregen, vertelt een meisje dat haar docent zenuwachtig wordt als ze haar telefoon gebruikt in de klas. ‘Nergens voor nodig: ik post geen selfies op Instagram maar chat in Google Hangouts met onderzoekers over waterwinning in Botswana’, vertelt het meisje in de camera. Clement: ‘De eerste puber die ik betrap op een telefoon met vragen over waterwinning in Botswana moet ik nog vinden.’

Inmiddels zijn er voldoende onderzoeken die de bevindingen van de docenten onderschrijven. Van alle tijd die tieners achter een scherm zitten, gebruiken ze drie procent voor productie of onderzoek, becijferde mediawaakhond Common Sense Media bijvoorbeeld. De rest gaat op aan entertainmenttechnologie en sociale media. De rode lijn in onderzoeken over de effecten van technologiegebruik bij jongeren: (overmatig) gebruik leidt tot psychologische klachten variërend van slaapverstoring tot ernstige psychoses. De gemene deler in onderzoek over technologie in de klas: goed onderwijs is mensenwerk en een maatschappelijke in plaats van een technische opgave. Als technologie het doel is, zijn verminderde prestaties het resultaat. Landen die behoudend zijn in het toepassen van technologie presteren doorgaans beter dan landen die vol inzetten op technologie. ‘Onderzoeken met positieve resultaten zijn er ook’, zegt Miles, ‘maar die zijn vrijwel altijd betaald door de producenten.’

‘Het World Economic Forum publiceerde in 2016 tien essentiële vaardigheden die we nodig hebben in de werkomgeving van de toekomst’, aldus Miles. ‘Ik noem er een paar: probleemoplossend vermogen, kritisch denken, emotionele intelligentie, samenwerking en cognitieve flexibiliteit; zoek de verschillen met vaardigheden van de twintigste eeuw. Die zijn er niet. Niet een van deze vaardigheden vraagt om technologie. Toch vertellen techvertegenwoordigers ons telkens weer dat hun speeltjes nodig zijn om onze kinderen klaar te stomen voor de toekomst.’ Laat dat rijtje van het World Economic Forum nou precies de essentie van het Waldorf-curriculum zijn. Niet geheel toevallig gebruikt de school dezelfde woorden als de marketeers van de techreuzen: 21ste-eeuws onderwijs.

Waldorf School is gebaseerd op de antroposofische leer van Rudolf Steiner waar geen gebruik wordt gemaakt van technologie en leraren zelf tekeningen op het bord maken, Silicon Valley © Pierre Laurent

Lang niet iedereen kan zich echter een kind op Waldorf veroorloven, zelfs niet in Silicon Valley. De digitale kloof is ook een financiële kloof. Het alternatief is een technologie-arme opvoeding. Het gezin Padnos-Altamirano maakte de omschakeling al in de lente van 2015. Het doel van hun opvoeding sluit naadloos aan op de missie van Waldorf: het opleiden van autonome, zelfdenkende, creatieve probleemoplossers. ‘Creativiteit en vindingrijkheid waren ooit de kracht van Silicon Valley. Maar de manier waarop technologie nu wordt ontworpen en gebruikt, doodt de ziel van de Valley’, zegt moeder Rebecca.

Het is een misvatting dat creativiteit ontstaat door gebruik van technologie, vindt echtgenoot Antonio. ‘Pas als je begrijpt hoe technologie werkt, kun je creëren, dan kun je ermee spelen. Nu wordt alles voorgekauwd, applicaties waarmee je websites kunt bouwen bijvoorbeeld. Je lijkt al snel creatief. Maar gebruikers begrijpen niet hoe de bouwstenen in elkaar zitten en zijn onthand als iets niet gaat zoals het was voorgekauwd.’ De vier kinderen, tweeling Isaac en Ethan (10), Eli (8) en Ayla (2), geven een rondleiding in hun huis. ‘We hebben geen scherm in de woonkamer of op onze slaapkamer’, zegt Isaac. ‘Kom, ik laat je de tuin zien, die hebben we zelf ontworpen.’ Het hoogteverschil tussen het terras en de tuin wordt overbrugd door een slingerende afrit. Ook een ontwerp van de jongens. ‘Daar kunnen we vanaf met onze karts’, licht Ethan toe.

‘Soms vervelen ze zich gewoon. Ook dat is een levensles, het is niet erg om je te vervelen’

Dan is het tijd voor het ‘laboratorium’, voorheen garage, nu de vrijplaats van de kinderen, speeltuin voor hun verbeelding. Hier spelen en ontdekken ze of werken ze aan school. Midden in de kamer staan een elektronisch drumstel en een toetsenbord op een kleurrijk tapijt. Een speeltouw bungelt van het plafond naar beneden. De muur hangt vol met tekeningen, tegen de wand hebben alle jongens een eigen bureau. Het is de enige plek in huis waar wél twee schermen staan. Ze worden alleen gebruikt als het nodig is voor school.

Aan de grote ronde tafel vol met gezonde en lokale snacks vertelt het echtpaar, dat samen ook een technologiebedrijf runt, over hun keuze. ‘In de beginjaren van technologie deden wij volop mee. De tweeling testte op hun derde al applicaties voor kinderen. Dat vonden wij toen heel cool. Op Facebook postten we daar berichten over. Omdat de jongens te vroeg geboren waren hadden ze veel medische zorg nodig. In die fase – ziekenhuis in, ziekenhuis uit, en maar wachten – was dat scherm een heel welkome afleiding. We hebben daar toen sterk op vertrouwd.’

Dat veranderde toen de jongens geen zorg meer nodig hadden. ‘Elke keer als de televisie uit moest, ontaardde dat in een conflict. Ik merkte ook dat ze knorrig en chagrijnig waren telkens als ze technologie hadden gebruikt. Ik was het zat. Toen Antonio op reis ging voor zijn werk zag ik mijn kans schoon. Binnen twee weken was het gebeurd’, zegt Rebecca.

Het is hard werken om de kinderen telkens weer nieuwe ervaringen aan te reiken, vindt Antonio, ‘maar het maakt ons leven ook makkelijker. Ze hebben allemaal hun specialiteit in de keuken – dat heb ik ze geleerd. En dus maken zij ontbijt in het weekend. We wandelen veel met ze. Dat is goedkoop en gezond. En soms vervelen ze zich gewoon. Ook dat is een levensles, het is niet erg om je af en toe te vervelen.’

‘Het is tegenwoordig dus een experiment om je kinderen technologie-arm op te voeden’, zegt kinderpsycholoog Freed als ik hem vertel over het gezin. ‘Je moet niet alleen hetzelfde technologische kennisniveau hebben als ouders in Silicon Valley, je moet ook de tijd en ruimte hebben om dat experiment toe te passen. De ouders van kinderen die ik behandel hebben doorgaans geen baan met flexibele werktijden. En als zij hun kinderen naar buiten sturen, is de kans groot dat ze een kogel opvangen. Ook dat is de digitale kloof.’

‘Keuze is een luxe’, verwoorden Clement en Miles de kloof. ‘De kleine klassen van Waldorf zijn fantastisch, maar leerkrachten kosten geld. Laatst waren we op een conferentie van Rocketship Schools, een groep publieke scholen die sterk op technologie leunt. Hun ideaalbeeld zijn klassen als fabrieken waar kinderen achter een scherm zitten en waar ongekwalificeerde, laagbetaalde inhuurkrachten surveilleren.’

‘Gepersonaliseerd onderwijs’ noemen ze dat. ‘Gepersonaliseerd onderwijs is aanvoelen en begrijpen wat een kind nodig heeft en steeds op een andere manier iets uitleggen tot een kind het begrijpt. Niet tien keer dezelfde instructie afspelen op een scherm.’

De digitale kloof sterkt Rebecca en Antonio in hun opvoeding: de volgende technologische golf vraagt het vermogen om met andere landen, culturen en klassen te kunnen communiceren, vindt Antonio. ‘Je moet begrijpen hoe technologie niet alleen de rijke elite maar alle lagen van de maatschappij beïnvloedt. Ik hoop dat we onze kinderen daarop voorbereiden.’ Hun achtergrond als (kinderen van) immigranten speelt daarbij ook een rol. Rebecca: ‘Onze kinderen zullen zich als minderheden dubbel zo hard moeten bewijzen. Antonio wordt hier in de buurt nog regelmatig aangezien voor de tuinman. Ik wil dat ze straks een plek aan tafel hebben. Juist om de problemen die op ons af komen aan te pakken.’

Dat de kinderen technologie gaan gebruiken staat buiten kijf. Ethan wil een baan in de techsector. Maar technologie moet nuttig zijn: ‘Een gereedschap, geen speelgoed’, zegt Isaac. Dat betekent dat de kinderen soms drie maanden geen scherm zien. Maar als ze vliegen, mogen ze de hele reis achter het scherm. En de huiswerkopdrachten mogen natuurlijk online gemaakt worden. Ook van Alexa, de virtuele assistent van Amazon, maakt het gezin veel gebruik. Rebecca: ‘Dat voegt iets toe aan het gezin, dat haalt niets weg.’ Ze is even stil. Dan: ‘Wij kunnen ons deze keuze veroorloven. Maar dat kan lang niet iedereen. Ik wil daar ook niet over oordelen. Dat vind ik belangrijk om te zeggen.’

Een vergelijkbare houding hebben de docenten Miles en Clement: ‘We zijn geen verzuurde docenten die per definitie tegen technologie zijn. Een goede docent vraagt zich altijd af wat de beste manier is om kennis over te brengen’, zegt Clement. ‘Als daar technologie bij komt kijken, fantastisch, dan doen we dat. Maar nu is er geen norm of maatstaf voor effectief gebruik in de klas. We voeren een ongecontroleerd massa-experiment uit op onze kinderen.’

Het is nog een lange weg voor creatie boven consumptie, de technologienorm in Amerika. ‘Dat is de vraag waar ik echt enthousiast van word’, zegt Laurent met glimmende ogen: ‘Hoe is ons model schaalbaar? Daar hebben we in de eerste plaats de ouders voor nodig, zij kunnen de druk op schoolbesturen en politiek opvoeren. De omvang van publieke scholen is een probleem. Maar je zou docenten bijvoorbeeld kunnen laten rouleren, een samenwerking tussen scholen als eerste stap. Schaal is de grote uitdaging.’

‘Het zou mooi zijn als dat lukt’, zegt Clement. ‘Grassroots-organisaties zijn nu essentieel. De volgende stap is het samenvoegen van alle kleine initiatieven. Nu is het een ratjetoe van goede bedoelingen en onderwerpen, van de bestrijding van straling tot een minimum leeftijdsgrens voor telefoons, het weren van technologie op scholen of docenten zoals wij die vooral informeren en signaleren. Samen staan we sterker.’

Freed is verbonden aan verschillende van die initiatieven. Samen met vakgenoten lobbyt hij bij overheden en bedrijven voor het weren van psychologen in technologisch ontwerp. ‘Ik verlies te veel kinderen. Ik kan niet zwijgzaam toekijken, dus blijf ik schrijven, ook al vind ik schrijven vreselijk. De echte sleutel ligt bij de technologiegiganten. Voor hen is het een financieel dilemma: wat wij willen vreet aan hun businessmodel. Ik heb er weinig vertrouwen in. Facebook zet nu weer alles in om hun chat-app aan kinderen te slijten.’ Weer een diepe zucht. Dan: ‘Dus klim ik nog maar eens in de pen. Tot het ooit beter wordt. Misschien.’

De optimistische noot komt van het olijke onderwijzersduo. Vol goede moed klimmen ze telkens weer op de barricade. ‘Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde’, concludeert Miles: ‘Een goede opleiding voor onze kinderen. Als dat het uitgangspunt is, moeten we elkaar ergens kunnen vinden, daar ben ik van overtuigd.’