Literatuur

Weg met de grote woorden

De kunsten: John Careys strafoefening tegen pretenties

Je zou de literatuurhistoricus en -criticus John Carey (1934) de Britse Karel van het Reve kunnen noemen. Hij heeft een hekel aan arrogantie en gewichtigdoenerij en mag met graagte wijzen op de naaktheid van de keizer, tot woede van vrome omstanders. Zijn diepste afkeer geldt elitisme: het willens en wetens uitsluiten van anderen om in eigen kring een zelf-gecreëerde superioriteit te vieren. In een geruchtmakend boek, The Intellectuals and the Masses (1992), wreef hij precies die houding de groten van het literair modernisme aan: Eliot, Pound, Virginia Woolf waren elitair om het elitaire. Ze wilden een zelfbenoemde voorhoede vormen, die zich afzette tegen het reguliere lezerspubliek. Niet alleen dat, ze hielden er ook bedenkelijke politieke opvattingen op na, reactionair en bij wijle antisemitisch.

Een storm van verontwaardiging stak op. Maar ook de felste tegenstanders konden er niet omheen: Carey had iets bloot gelegd van het wezen van de Engelse samenleving, haar preoccupatie met klasse en clubs en de eeuwige vraag «who’s in, who’s out?» – wie hoort erbij en wie niet? Bij alle overdrijving was het een prikkelend boek. En een genoegen om te lezen; Carey ziet eruit als een wandelend scheermes, en zo schrijft hij ook.

Zijn meest recente boek heet What Good Are the Arts?, wat te vertalen valt met: waar zijn de kunsten goed voor? of, pregnanter, met: wat stellen de kunsten nu eigenlijk voor? Opnieuw is het een provocerend geschrift, waarvan je zou wensen dat de marges driemaal zo breed waren om er alle opmerkingen van instemming en afkeuring in kwijt te kunnen. In vijf hoofdstukken be spreekt Carey achtereenvolgens wat een kunstwerk is, of «high art» superieur is aan «low art», of we iets aan de wetenschap hebben als we het fenomeen «kunst» willen begrijpen, of de kunsten betere mensen van ons maken, en, ten slotte, of kunst een religie kan zijn. Het zijn grote vragen, en de antwoorden bescheiden. «Nou, nee», en «niet veel» – dat vat ze redelijk samen.

Belangrijker dan de conclusies die, afhankelijk van de instelling van de lezer bevrijdend dan wel teleurstellend mager zijn, is de loop van het betoog. Tal van auteurs en theorieën passeren de revue, ze worden gewogen en te licht bevonden. In die zin is What Good Are the Arts? een reusachtige opruimoperatie. Vooroordelen worden afgebroken, zelfgenoegzaamheid en snobisme, Careys pet hates, ontmaskerd.

Daarbij draaft de schrijver wel eens door in zijn ijver om alle autoriteit en hiërarchie omver te halen. Zoals aan het slot van zijn eerste hoofdstuk, waar hij als definitie van een kunstwerk voorstelt: «alles wat ooit door iemand als een kunstwerk is beschouwd, al is het misschien een kunstwerk alleen voor die ene persoon». Dit nu is, om het met Carey zelf te zeggen, «plainly nonsense». Vervang kunst of kunstwerk door een ander abstractum, bijvoorbeeld «rechtvaardigheid», en de malheid springt in het oog. Rechtvaardigheid is niet wat één persoon daaronder verstaat, maar wat een ge meenschap als zodanig aanvoelt. Je kunt zeggen dat een cultuur zichzelf definieert aan de hand van dat doorlopende de bat over begrippen als rechtvaar digheid – en kunst. Wat op een be paald mo ment als kunst wordt gezien, is geen zaak van één persoon, maar is een conventie. Een conventie die, inderdaad, ge for muleerd wordt door een «autori teit», de schrijver van een handboek. Daar kan later dan weer een ander handboek tegenin geschreven wor den, en dat noemen wij dan het veranderen van de canon. Maar zo’n canon is er wel degelijk. Carey weet dat ook, maar wil er niet aan, om overigens sympathieke redenen.

Het tweede deel van zijn boek komt na de kaalslag van het eerste als een verrassing. Het is een pleidooi voor de superioriteit van de literatuur (tóch een hiërarchie dus!) ten opzichte van de andere kunsten. Literatuur, stelt Carey, is de enige kunstvorm die op een gearticuleerde manier kritisch kan zijn, en daarmee de gedachten prikkelt. Bovendien stimuleert ze door haar bijzondere karakter, haar abstractie, de verbeelding. Aan dit verschijnsel, door Carey «indistinctness» (onbepaaldheid) genoemd, wijdt hij mooie pagi na’s: de hoogleraar literatuur die hij tot zijn pensionering was, op z’n best. Overtuigen doet het niet hele maal. Als je literatuur zo leest, als een verzameling van elkaar becommentariërende uitspraken («ideeën») over «het leven», doe je haar te kort. Ze verwordt dan tot een reservoir van moralisme en didactiek. En wat die «onbepaaldheid» betreft: biedt niet élk kunstwerk, boek dan wel schilderij, film of toneelstuk, ruimte voor een eigen interpretatie? Sterker, als die ruimte er niet is, spreken we dan niet van kitsch?

Anders dan sommige recensenten beweren, is What Good Are the Arts? niet louter een negatief boek. Het is weliswaar een strafoefening tegen pretenties en grote woorden, tegen hen die met Kunst dwepen om zich van de goegemeente te onderscheiden, en in die zin een voortzetting van The Intellectuals and the Masses. Maar Carey bagatelliseert de kunsten niet; ze zijn hem juist te dierbaar om ze als speeltje in handen te laten van snobs. Geestdriftig haalt hij de resultaten aan die in Britse gevangenissen zijn behaald met cursussen literatuur en toneel. Geharde, half-analfabete criminelen bleken opeens onvermoede lagen in zichzelf aan te boren en een nieuw zelfbewustzijn te ontwikkelen. Kunst, met andere woor den, mag dan zinloos zijn, ze kan wel degelijk betekenis hebben.

John Carey

What Good Are the Arts?

Faber & Faber, 286 blz.