Weg met de haagse modellenbouwers

Deze week sneuvelde in de Tweede Kamer het wetsvoorstel dat van de regio Rotterdam een stadsprovincie had moeten maken. Zelfs een typisch Nederlands compromis zat er niet in.

Wat is er eigenlijk mis met het stelsel waarvoor Thorbecke bijna anderhalve eeuw geleden de grondslag legde? Toen is vastgelegd dat Nederland twee bestuurslagen kent met duidelijke bevoegdheden: het rijk en de gemeenten. Daartussen zetelen de provincies, maar dat is geen laag waar veel bestuurlijke daadkracht van uitgaat, omdat ze een ondergeschikte - toezichthoudende - functie vervult ten opzichte van de gemeenten. Alle pogingen om het openbaar bestuur te reorganiseren draaien om dat gat tussen de rijksoverheid en de gemeenten. Vooral voor grote steden ligt daar een probleem, omdat zij het kloppende hart vormen van een gebied dat ver over hun gemeentegrenzen reikt, terwijl ze over dat gebied in bestuurlijk opzicht niets te zeggen hebben.
De stadsprovincie moest de oplossing bieden: een soort gemeente op provincieniveau, maar tegelijkertijd ook een provincie omdat de deelnemende gemeenten hun bestuurlijke autonomie niet kwijt wilden. Eigenlijk was de stadsprovincie dus al een bestuurlijk compromis. Een model met van alles wat, of zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het in december verwoordde: vlees noch vis. We mogen de burgers van Amsterdam en Rotterdam dan ook dankbaar zijn dat ze een streep hebben getrokken door dit achter de bestuurlijke tekentafel ontworpen model.
Zijn we daarmee terug bij af, zoals menig bestuurlijke hotemetoot dreigend vaststelde? Natuurlijk niet. We zijn juist een stap verder, omdat we kunnen vaststellen dat de weg van de bestuurlijke blauwdrukken doodloopt. Dat is pure (maar dure) winst.
De WRR pleit ervoor om het volgende hoofdstuk van de bestuurlijke reorganisatie te schrijven aan de hand van twee termen: stabiliteit en flexibiliteit. De eerst term richt zich op de bestaande lagen van het binnenlands bestuur. De WRR meent dat de verantwoordelijkheden van de drie lagen beter op elkaar afgestemd moeten worden, waarbij met name de rol van de provincie helderder moet worden: meer als bemiddelaar, als bestuursmakelaar, als scheidsrechter boven de gemeenten. Tegelijkertijd zal de organisatie van het bestuur zich moeten kunnen aanpassen aan de dynamiek van de maatschappij. Niet in vaste vormen; het gaat eerder om nieuwe, vaak tijdelijke betrekkingen tussen de verschillende bestuurslagen, door functionele bestuursarrangementen die zich vormen naar de problemen.
Het ziet ernaar uit dat deze boodschap van de WRR in de regio Amsterdam inmiddels voldoende weerklank heeft gevonden. Daar bezinnen de deelnemers van het Regionaal Orgaan Amsterdam zich op een flexibeler aanpak, waarin men in de regio met elkaar zaken kan gaan doen, zonder daarvoor een nieuwe bestuurlijke kerk in te richten.
Nu maar hopen dat ze daarvoor ook echt de bestuurlijke ruimte krijgen van de laboratoriumdenkers uit Den Haag.