Jan Cremer, Brieven

Weg met de Kunst

Jan Cremer

Brieven 1956-1996

De Bezige Bij, 974 blz., e 49,90

Jan Cremer toont in zijn werk, zowel in het literaire als het beeldende, zijn eigen gedroomde leven. Soms schuw en ironisch en in zichzelf gekeerd zoals in zijn huidige schilderkunst, dan weer brutaal schreeuwend en aandacht eisend, zoals in het vroegere literaire werk. Hij was vanaf het begin tegen Kunst die niet méér wil zijn dan een Stroming tussen de andere Stromingen in de stoffige musea van de literatuur en de kunstboeken. Hij wil kunst die in de wereld staat, die een voorbeeld stelt, kunst die een pad baant. Cremers werk is altijd didactisch. Hij had en heeft, hoop ik, een missie en aan die missie zitten mystieke kanten die wortelen in een romantische visie op kunstenaarschap. Het gaat hem niet om onsterfelijke roem, het gaat om Navolging en het creëren van een Exempel. Daarbij is zijn eigen bestaan uitgangspunt: zie bijvoorbeeld zijn smartelijke pose als motorrijder op zijn eerste boeken die overduidelijk, zij het ironisch, verwijst naar een messiaanse symboliek.

Het verbaasde me niet dat Cremer een paar bewonderende – en vrolijke – brieven aan Gerard Reve schreef. Reves gedroomde en dus onhoudbare positie van Volksschrijver van Nederland komt sterk overeen met Cremers evenzeer mystiek te noemen verlangen voor het Volk te mogen en te moeten schrijven en kunst te maken. Ook bij Cremer ontstijgt dit verlangen de ironie. Prachtig zijn in zijn brieven de steeds herhaalde smeekbeden aan uitgeverijen om zijn werk toch vooral zo goedkoop mogelijk uit te geven en niet alleen te adverteren in de deftige media maar ook in kappersbladen als De Lach en Panorama. En dit is niet alleen een geldkwestie. Kunst moet uit het Volk komen, net als Cremer zelf, en kunst moet van het Volk zijn, net als hij dat is. En dit romantische idee, geloof is hier een beter woord, bracht de formidabele Ik Jan Cremer-boeken voort die me gek maakten van jaloezie. En nog steeds. Zoveel ongeremde vrolijkheid en dweepzucht, zoveel onverhulde banaliteit in dienst van het eigen gecelebreerde hogere, zoveel gedroomde jongensachtigheid. Toen ik ze vroeger las wilde ik me direct aanmelden bij het Vreemdelingenlegioen. Waarom wist ik niet precies en lastig was het ook. Pas later besefte ik dat het Vreemdelingenlegioen voor Cremer een veel diepere metaforische betekenis gehad moet hebben, het was een metafoor voor geluk dat je alleen buiten de kunstwereld kon vinden. Hogere Kunst draait mensen een rad voor ogen, ze maakt oneerlijk, ze is oneerlijk, dus moet je haar vernietigen, dit is de boodschap die Cremer uitdraagt, nog steeds denk ik. En dit is tegelijk de paradox die door het hele werk van Cremer loopt en het zo aantrekkelijk maakt. Hij wil een einde maken aan Kunst, dat is zijn zelf gegeven opdracht, maar daarbij staan hem alleen de middelen ten dienste van de kunst zelf. Alleen kunst kan Kunst vernietigen. «What can a poor boy do, except to sing in a rock-’n-roll band.» Dit is Jan Cremers credo.

Uit Cremers brieven blijkt overduidelijk dat kunst voor hem altijd ook business is. Dit is volstrekt in overeenstemming met zijn diepste opvattingen erover. Dat de «buitenwereld», de kunstwereld, de uitgevers, de kopers, bereid zijn veel geld te betalen voor zijn kunst heeft hem ongetwijfeld altijd gesterkt in zijn idee dat kunst verdacht is. Kunst hoort bij hem tot het onzuivere, het verachtelijke, het is altijd minder dan het eerlijke leven tussen eskimo’s, honden en zeelieden, of dan reizen met geliefde medenomaden. Maar kunst is natuurlijk wel zijn middel van bestaan en dus eist hij het volle pond en zeurt hij tot diep in de jaren tachtig uitgevers, galeriehouders, kopers en literaire agenten de kop gek over achterstallige gelden. Geld komt bij hem af en toe wel binnen, maar van vasthouden is geen sprake, het verdwijnt weer net zo hard.

Prachtig is de jarenlange briefwisseling tussen Cremer en zijn uitgever Geert Lubberhuizen, die zich ontpopt als een geslepen en vaak zelfs verachtelijke geldwolf, waar Cremer nog beleefd tegen blijft ook. Prachtig is ook de discussie met vroegere kameraden als Ar mando, Dibbets en Fuchs, die hem eerst bewonderen maar zelf langzamerhand in de wat sjiekere afdelingen van de kunstwereld belanden en zich «dus» tegen hun meer ordinaire kunstbroeder gaan afzetten. Ze houden hem buiten de subsidiestromen en tentoonstellingen, proberen hem tot Ongewenst Kunstenaar te verklaren. Allemaal koren op Cremers molen uiteraard, hij vindt het een eer Ongewenst te zijn. Hij leeft zich uit in snijdende en vaak geestige commentaren op hun werk. Hij haalt Armando’s latere concept van «het schuldige landschap» bijvoorbeeld met volle kracht door de gehaktmolen. Wie nog eens het kunstleven en het kunst debat uit de jaren zestig en zeventig de revue wil zien passeren krijgt via deze brieven een mooie inleiding.

En dan de niet-aflatende plannenmakerij van deze allesdoener. Vooral in het begin. Plannen, plannen, plannen. Wie heeft het geld? Wie heeft de faciliteiten? Wie wil meedoen? Maar dan gaat het al weer mis. De toneelgroep gaat failliet, de fotostudio bestaat niet meer, het geld is op en zelf gaat hij ineens weer op reis. Weg van Nederland. Weg van de wereld van de Kunst.