Opheffer

Weg met de melancholie!

Als overgevoeligheid voor melancholie een ziekte is, dan ben ik ongeneeslijk. En dan heb ik het niet over de soort waarvan je piano gaat spelen en gedichten schrijven, maar een eindeloze en verlammende reeks van te grote emoties die door de banaalste zaken kunnen worden opgeroepen. Ooit viel ik flauw in het Natuurhistorisch Museum in Brussel, voor het nagebootste graf van een Neanderthaler in een zaal met opgezette dinosaurusbotten en prehistorische vogels. Ze hadden een paar beenderen met bouten, moeren en ijzerdraad in elkaar gezet en het geheel uitgestald in een kuil in een bak zand. Het lag er met een fladderige pruik op, een aangevreten vacht gedrapeerd over de borstkas en een steen («een vuistbijl» volgens het bordje) in de rechterhand. Het bordje gaf de genadeslag. Ik kwam pas weer bij bewustzijn in het schoonmakershokje, tussen de emmers en bezems, met uitzicht op de aangevreten tanden die de suppoost me glimlachend presenteerde.

Zo is het altijd gegaan. En het wordt nog steeds erger. Een paar dagen geleden, in de metro, kon ik de verleiding bijna niet weerstaan in de armen te vallen van een oude vrouw met een plastic zakje over haar hoofd tegenover me, louter en alleen omdat ze rook naar de koollucht die ik ooit opsnoof tijdens een verblijf op Goeree-Overflakkee, het eiland der gelukzaligen, een paar eeuwen terug.

Pas zag ik op de televisie een Britse documentaire over het werk van oppermelancholicus Marcel Proust. Acteurs van de allerslechtste soort speelden wat bekende scènes na. Een dikke bleke Brit zat met een opgeplakte snor en een plastic geranium in zijn knoopsgat een koekje in een kop thee te roeren en staarde ondertussen met een matte bierglans in de ogen voor zich uit, terwijl een dronkelap uit Oxford op de geluidsband een reeks bloemrijke metaforen insprak, die in al hun verhevenheid zó scherp contrasteerden met de banaliteit van het voorgeschotelde tafereeltje dat het de perfecte satire werd.

Onsterfelijk ook was de actrice die was uitgezocht voor de rol van minnares Albertine, in het boek een ondoorgrondelijke nimf, hier een wellustig giechelende wijkverpleegster met zes onder kinnen.

Nee, veel prestige heb ik nooit ontleend aan mijn droevige toestand. Minimale prestaties, maximale sensaties — daar komt het op neer. Sommige mensen koesteren hun gevoelsleven als een oorlogswond, praten uitgelaten over hoe ze getroffen zijn door die muziek of door een of ander gek mannetje in de stad, maar negen van de tien keer heb je dan te maken met amateurs. Old whores don’t do much giggling.

Melancholie leidt tot niets. Melancholie betekent stilstand. Melancholie is de schaduw van de dood. Ik wil net als mijn vrienden door de Sahara trekken, roller skaten in Beiroet, basketballen met Tibetaanse monniken, malaria krijgen in het Andesgebergte, drummen in een nachtcluborkest in Sun City, op buffels jagen in Kenia. Ik wil hard worden, gewetenloos. Ik wil nu alleen nog maar actie, geen reactie.

Weg met het tweedehands leven van de melancholie.