Weg met de musea

Het rommelt in de kunst. Tegenwoordig gebeurt het op Internet en in de Techno-clubs. Of in een nonnenklooster. Weg met de musea dus? Een ronde-tafelgesprek met kunstproducenten over ‘hoe te ontsnappen aan het kunstobject’. En hoe je dat dan weer communiceert
ER ZIJN van die dagen dat de tijdgeest aan de deur klopt. Plots verschijnen er persberichten, interviews en essays waarin publicisten, programma- en tentoonstellingsmakers ons laten weten dat ‘het museum in een crisis verkeert’ en dat ‘de belangrijkste culturele ontwikkelingen en vernieuwingen buiten het museum plaatsvinden’.

Cathérine David, leider van de dit jaar voor de tiende keer in het gemütliche Duitse provinciestadje Kassel te houden Documenta, poneerde onlangs in een vraaggesprek met Art Magazin de stelling dat we ‘het einde van de moderne kunsttentoonstelling en het einde van de witte heldere tentoonstellingsgruimte beleven’: 'Het gaat erom de kunst terug te voeren in het gebied van de cultuur, in de meest ruime zin van het woord.’
Soortgelijke geluiden klonken uit de mond van Arno van Roosmalen, medeorganisator voor de Nederlandse selectie van de komende Biennale in Venetië. 'Het museum lijkt, in navolging van de kerk, steeds meer uitgehold te worden tot een lege huls waaruit het leven is verdwenen’, zo liet de conservator Stadscollectie van het Rotterdamse Museum Boijmans-Van Beuningen onlangs weten in het kunsttijdschrift Metropolis M.
Ook een kunstdiva als Marina Abramovic ziet 'het’ niet gebeuren in het museum voor moderne en hedendaagse kunst: 'Als je wilt weten waar de echte ontwikkelingen plaatsvinden, moet je niet in het museum zijn en ook niet in de galeries. Tegenwoordig vind je het op Internet en in de Techno-clubs. En dat is heel andere koek’, sprak de oermoeder van de performance laconiek in een catalogusinterview voor de recent in het Van Abbemuseum geopende tentoonstelling Ulay/Abramovic, Videoinstallaties 1976-1988.
Dieper graaft publiciste Jorinde Seydel, kunstcritica van Het Financieele Dagblad en redactrice van het nieuwe-mediablad Mediamatic. In een doorwrocht artikel voor het aprilnummer van de kunstenaarsinitiatievenkrant HTV-De IJsberg ('Over het inburgeren van de alledaagsheid: De crisis van de tentoonstelling’), werpt Seydel de stelling op dat 'de traditionele tentoonstelling als presentatiemodel haar langste tijd heeft gehad’, en constateert ze bij menig hedendaags kunstenaar de wens 'de kloof tussen kunst en leven te slechten’ en 'te ontsnappen aan de tentoonstelling als instituut’.
Tentoonstellingen als This is the Show and the Show is Many Things (Gent, 1994), Manifesta (Rotterdam 1996) en Crap Shoot (Amsterdam, 1996) waren bedoeld als poging om 'het echte leven’ het museum in te halen en af te rekenen met het museale tentoonstellingsmodel, maar volgens Seydel functioneren deze op 'echte ervaringen’ gerichte tentoonstellingen (zo werd in het Stedelijk Museum vorig jaar voor Peiling 5 een keuken, voorzien van stromend water en gas, op zaal geplaatst) altijd nog binnen de bestaande kunstcontext: 'Intussen loopt de werkelijkheid vast in de tentoonstelling, die hoe gecamoufleerd ook, als bufferzone tussen kunst en leven staat. Wil de kunst werkelijk in het leven opgaan, dan zou dat altijd ten koste van de tentoonstelling zijn.’
Het rommelt dus in de kunst. Het jasje van het 'negentiende-eeuwse’ tentoonstellingsmodel is te krap geworden. Het knelt en het schuurt. Voorbij de tijd dat we, bevangen door kunsthistorische ademnood, van de ene monstertentoonstelling naar de andere renden. Voorgoed voorbij, lijkt het.
Met Jorinde Seydel aan tafel zitten kunstenaar Hans van Houwelingen, VPRO-Laat-programmamaker Alexander Oey, tentoonstellingmaker Nina Folkersma en Jaap Guldemond, conservator van het Van Abbemuseum, Eindhoven.
Van Houwelingen, eind jaren tachtig actief in de kunstenaarsgroep Capital Gains (met onder anderen Aernout Mik en Berend Strik) is een man die gedreven hamert op het aambeeld van zijn overtuiging. Hij opereert zo veel mogelijk buiten de musea, eist onomwonden maatschappelijk engagement, en doet er alles aan om de kunst om te vormen naar een spirituele 'kracht’ die betekenis kan hebben in de samenleving. Zo restaureerde Van Houwelingen een huis voor een kunstworkshop van de Gate Foundation in Mozambique, plaatste hij bronzen hagedissen in het Amsterdamse Kleine-Gartmannplantsoen en werkt hij met Berend Strik voor de hoofdstedelijke poptempel Paradiso aan 22 glas-in-loodramen, die de 'moderne moraal’ in beeld moeten brengen. Voor de nonnen van een klooster in Oosterhout ontwikkelde hij in 1992 het idee om een door hem gebeeldhouwd lam voor het priesterkoor in de kerk te plaatsen. 'Mijn vraag aan het klooster is het lam te wijden: het aan God aan te bieden, opdat Hij het van zijn beeldende-kunst-zijn zal ontdoen.’ Het lam werd uiteindelijk niet geplaatst, maar de spirituele briefwisseling tussen Van Houwelingen en zuster Benedicta Meulenberg bleek een waardevolle gedachtenwisseling te hebben opgeleverd: 'Er staat nu geen lam in onze Kerk, maar door Hans zijn we ons meer bewust geworden dat Kunst en Religie samen kunnen/mogen en misschien wel moeten gaan!’
Ook Nina Folkersma, kunsthistorica en medeorganisator van Crap Shoot in De Appel (1996), verkent de grenzen van de kunst. Zij organiseerde drukbezochte videodiscussieavonden in De Appel en realiseerde deze maand met 'mediaperformers’ KKEP de opening van de nieuwe Amsterdamse evenementenruimte de Bagagehal ('KKEP ULTRA GED; een experimentele zonnetempel, in afwachting van de software die uw computermonitor programmeert tot gezichtsbruiner’). Folkersma: 'KKEP presenteert zich via tijdschriften, etalages, billboards, televisie en Internet en gebruikt een beeldtaal die inspeelt op op onze diepste en meest geheime verlangens.’
Alexander Oey constateert eveneens in het op 30 april uit te zenden programma Snack-Art: 'Hongerig naar meer contact met het publiek en moe van het hermetische karakter van de kunsten storten hoe langer hoe meer jonge kunstenaars zich op de populaire cultuur van reclame, film, techno en video. Artistieke technieken worden losgeweekt van hun gespecialiseerde context en ingezet in een proces dat veel overtuigender met een groot publiek communiceert.’
'De inzet om de grenzen van de kunst te verkennen is interessant, maar de kunst die daarvan het gevolg is, is dat soms veel minder’, vindt Jaap Guldemond, medesamensteller van de vorig jaar in het Van Abbe gehouden tentoonstelling ID: An International Survey on the Notion of Identity in Contemporary Art.
De deskundigen, voorzien van vinho verde, verse wokkels en olijven, wisselen van gedachten. Over hoe te ontsnappen aan het kunstobject. Is 'schilderij’ een vies woord?
IS DE TOESTAND zo onhoudbaar geworden dat ons geen andere oplossing rest dan de sprong uit het museum?
Van Houwelingen: 'Ik zou willen dat het besef van kunst en kunstenaars loskomt van de modernistische traditie. Daarmee bedoel ik dat gros van de museumdirecteuren nog altijd bezig is met het verzamelen van kunstobjecten om de geschiedenis van de moderne tijd vast te leggen. Op zich niks mis mee, maar het heeft weinig te maken met waar hedendaagse kunst over gaat en de problemen die zich daarbij voordoen.’
Guldemond: 'Er zijn genoeg vormen van hedendaagse kunst die aansluiting zoeken bij het leven van alledag, het persoonlijke en de populaire cultuur, die je heel goed onderdak kunt geven in het museum. In het Van Abbe krijgen we zelden te horen dat het gebouw de kunstenaars in de weg zou zitten. Ik vind wel dat er grenzen zijn in hoeverre je als museum in het engagement van de kunstenaar kunt meegaan. Maar het is mogelijk om als museum projecten te ondersteunen die volledig daarbuiten plaatsvinden.’
Van Houwelingen: 'Maar het museum zal altijd spullen willen verzamelen.’
Folkersma: 'Kunstenaars zullen ook altijd objecten blijven maken.’
Guldemond: 'Het Van Abbe krijgt altijd te horen dat het alleen maar video, film en installaties koopt en nooit meer schilderkunst!’
Seydel: 'Veel musea zien zichzelf als een soort bovennatuurlijk gegeven. Historisch gezien zijn ze er nog maar heel kort en het is niet ondenkbaar dat ze weer verdwijnen. Bovendien komt er een keer een eind aan wat musea kunnen herbergen. De meeste zijn nu al te klein en op een gegeven moment springt de collectie uit z'n voegen.’
Folkersma: 'Het is niet zo dat het museum geen functie meer zou hebben. Er zijn nog steeds kunstenaars wier werk daar uitstekend past. Het verschil is dat het niet meer de enige manier is. Kunstenaars hebben zoveel vrijheid gecreëerd dat ze zich ook op televisie, in tijdschriften en op straat kunnen manifesteren. Het maakt ze niet meer zoveel uit.’
Guldemond: 'Van Houwelingen zegt dat je als kunstenaar goed moet beseffen of datgene wat je doet meer op gang brengt dan alleen een dialoog met de kunstwereld. In het Van Abbe proberen we de kunst zo te brengen dat ze niet alleen uitspraken doet over de kunst of de kunstwereld, maar ook iets probeert te zeggen over wat er in het dagelijks leven gebeurt. Dat is een stap waardoor mensen makkelijker zouden moeten kunnen communiceren met de dingen in het museum.
Ten tweede kun je je afvragen of je die communicatie ook op gang kunt brengen door buiten de grenzen van het museum wat te doen. Aernout Mik (met Willem Oorebeek geselecteerd voor de Biennale - pk) heeft met Adam Kalkin het plan ontwikkeld om een grote kluis te huren, zoals in New York, waarin je je huisraad kunt opslaan. Ze willen die volstoppen met bizarre, zelfgemaakte of verzamelde objecten. De kluis wordt voor twee jaar gehuurd en daarna wordt 'ie geopend. Waar niemand bij is. Persoonlijk zou ik zo een anoniem project graag willen steunen.’
Van Houwelingen: 'Maar jullie hebben het nog niet gedaan.’
Folkersma: 'Is het Van Abbe bereid om alleen in het gedachtengoed van een kunstenaar te investeren?’
Guldemond: 'Ik geef toe dat het niet iets is waarvan het museum zegt: “Dat doen we even”, maar er wordt wel over nagedacht.’
Van Houwelingen: 'Aernout Mik heeft absoluut niet de behoefte om zich te onttrekken aan het kunstcircuit. Andere kunstenaars willen wèl buiten de kunstinstituties treden, maar die worden systematisch genegeerd door de moderne-kunstmusea.’
Folkersma: 'Gelukkig maar, zou ik zeggen.’
Oey: 'Dan zijn die kunstenaars toch in hun opzet geslaagd? Je bent toch niet van een kunstinstantie afhankelijk om buiten de kunst te werken. Je kunt toch ook de reclame in?’
Folkersma: 'Zusje en broer Kolman van KKEP willen kunst maken die dezelfde regels hanteert als reclame. Ze proberen dan ook direct geld los te krijgen van het bedrijfsleven. Van PTT Telecom, en niet van de musea of het Mondriaanfonds.’
Seydel: 'Je kan je afvragen of de media, reclame en mode de plekken zijn waar je een kunstboodschap in kwijt kunt. Andersom denk ik dat de moderne kunst al heel lang eigenschappen van reclame, mode en media vertoont. Daarom lijkt het me ook ineffectief om de reclame of techno-deejays het museum binnen te halen. Dat is als een slang die zich in zijn eigen staart bijt.’
Oey: 'Diesel en Benetton functioneren alleen op de plek waarvoor ze zijn bedoeld: als reclamespotjes tussen de clips van MTV.’
Van Houwelingen: 'Het gaat om de conceptuele en intellectuele kruisbestuiving tussen de verschillende cultuurgebieden. Het is niet meer interessant om dit wèl en dat géén kunst te noemen.’
Folkersma: 'KKEP wil niet zozeer binnen de kunst als wel binnen het bedrijfsleven dingen veranderen. Ze willen dat het bedrijfsleven hun dingen in produktie neemt. Dus proberen ze bedrijven belang te laten krijgen bij wat kunstenaars doen. Ze hebben de ruimte van de Bagagehal beschilderd met het logo van PTT Telecom. Vervolgens hebben ze foto’s gemaakt van de opening. Nu wil KKEP de PTT overtuigen die foto’s als advertentiemateriaal te gebruiken, maar wel op de manier zoals zij het hebben vormgegeven.’
Van Houwelingen: 'Daar wordt het interessant: de idee dat je als kunstenaar in een maatschappij iets teweeg kunt brengen. Daarin krijgt het woord engagement betekenis. Ik betreur het dat de meeste beeldend kunstenaars zich onttrekken aan wat er in de cultuur gebeurt. Als kunstenaar heb ik wèl het idee dat ik gedeeltelijk verantwoordelijk ben voor het veranderen van de cultuur. Daarin passen zowel commerciële als artistieke motieven. De oorspronkelijke voortrekkersrol van kunstenaars is omgedraaid: ze reageren nu voornamelijk op de rol die de kunstinstituties ze opleggen. Kunstenaars worden steeds weer door het systeem, dat ze niet fundamenteel willen wijzigen, verplicht om verhandelbare tentoonstellingsobjecten te maken. En dat al decennia lang onder de vlag van: dit is geen kunst en dat wel.’
Oey: 'Maar kennelijk zijn er genoeg kunstenaars die daar geen moeite mee hebben. Of ze hebben er gewoon niet over nagedacht.’
Van Houwelingen: 'Nou, we zitten hier niet voor niets.’
Seydel: 'Ja, het begint te rommelen.’
DAT KUNSTENAARS aangeven expliciet met een publiek te willen 'communiceren’ is een opmerkelijk fenomeen en, op de veelgeroemde jaren zestig na, niet eerder zo duidelijk geformuleerd.
Seydel: 'In onze maatschappij wordt je beeld van de werkelijkheid bemiddeld door tv, kranten, Internet, films en video. Je krijgt permanent een beeld van de werkelijkheid voorgeschoteld. Daarom proberen mensen op zoek te gaan naar de echte ervaring van het kleine, het alledaagse, het authentieke, onbemiddelde leven. Ook kunstenaars proberen te laten zien wat nog echt is.’
Folkersma: 'Zelfs de kleinste ervaring is gemediatiseerd. Alles is presentatie. Kunstenaars proberen door middel van hele persoonlijke verhaaltjes weer directe ervaringen teweeg te brengen.’
Guldemond: 'Om nog even terug te komen op dat hermetische karakter van de moderne kunst: dat is precies de reden dat kunstenaars op een andere manier zijn gaan werken. Omdat jongere kunstenaars zelf de moderne kunst niet meer snappen, zoeken ze aansluiting bij film, video en andere populaire cultuur waar je makkelijker grip op hebt.’
Oey: 'Die klacht over dat hermetische, ondoordringbare karakter hoor je ook in moderne-muziekkringen. Voor de uitzending Snack-Art heb ik met de Hongaarse dirigent Peter Eötvös gesproken. Hij heeft het complete moderne repertoire gedirigeerd, van Ligeti tot Stockhausen. Eötvös zegt: over honderd jaar kennen we van deze tijd alleen maar de popmuziek, het modern repertoire zal niemand zich meer herinneren. Kijk in de IJsbreker (hedendaags muziekcentrum te Amsterdam - pk): in de zaal zit voor negentig procent familie en bekenden van de musici, voor negen procent muziekliefhebbers en één procent zit er omdat ze dachten dat er iets anders op het programma stond. Ik bedoel maar: de zaak zit vast, muurvast. Het publiek luistert wel, maar ze weten letterlijk niet wat ze horen. Een Techno-deejay als Laurent Garnier, die de meest ingewikkelde samples aan elkaar mixt, drie lagen doorelkaar heen, slaagt er wel in zijn publiek te bereiken.’
DE MOEILIJKHEIDSGRAAD van moderne kunst is dus hoog. Gedurende de afgelopen vijftig jaar is dat eigenlijk stilzwijgend geaccepteerd omdat iedereen dacht dat onbegrijpelijkheid gelijk opging met artistieke vernieuwing. Pas nu nemen we geen genoegen meer met die hermetische 'kunst over kunst’. Beter laat dan nooit?
Van Houwelingen: 'Hier schuilt een dikke adder onder het gras. Er zijn kunstenaars die het contact met het publiek willen herstellen en daarom regressieve technieken of onderwerpen hanteren. Moedwillig een stapje terug doen, de Jan Lul uithangen, dat kan niet de bedoeling zijn: “Laat ik maar weer stilleventjes gaan schilderen, want dan stel ik de buren alvast tevreden.” Je moet de gemiddelde smaak of grote gemene deler juist vermijden. Als kunstenaar ben ik een manipulator, ik doe wat ìk vind dat moet gebeuren. Ik wil in de cultuur iets betekenen, buiten het kleine kunstcircuit om. Door me als kunstenaar onzichtbaar te maken, zoals bij de nonnen van het klooster in Oosterhout, kan ik iets teweeg brengen.’
Folkersma: 'Toch klopt dat verhaal niet. Het is duidelijk dat Hans van Houwelingen iets in dat klooster doet en niet een ander. In Metropolis M wordt wel degelijk geschreven over “het lam van Van Houwelingen”.’ Oey: 'Waarom moeten wij per se weten wat jij in dat klooster hebt gedaan? Ligt in de anonimiteit niet de waarde van dat werk?’
Van Houwelingen: 'Het is juist enorm van belang dat erover geschreven wordt. Zoals het tachtig jaar geleden van belang was dat er geschreven werd over de betekenis van de door Duchamp in het museum geplaatste pisbak. De inzet was om te kijken of er tussen beeldende kunst en religie iets viel te bewerkstelligen. Dat is interessant voor een groter publiek dan alleen de nonnen in het klooster. Om dat te laten weten heb je de media nodig.’
Seydel: 'Maar net als bij de verbouwing van dat huis in Mozambique, denk ik dat er juist níet over geschreven moet worden. Het openbaar maken van wat je doet via de pers, strookt niet met wat jij van de kunst eist of wilt.’
Van Houwelingen: 'Als ik mezelf geen kunstenaar noem, en niemand schrijft erover, dan is dat wat ik doe niet meer effectief. Ik maak immers geen verhandelbare kunst die in de bladen besproken wordt.’
Oey: 'Als je werk echt effectief is dan heb je geen professionele bemiddelaars als conservatoren en kunstcritici meer nodig, dan communiceert het direct.’
Folkersma: 'Die onzichtbaarheid is toch waar het om gaat? Dat betekent dat mensen je niet meer vast kunnen leggen binnen de context van de beeldende kunst. Waarom zou je jezelf dan nog kunstenaar willen noemen?’
Van Houwelingen: 'Het feit dat wij hier zitten, komt alleen maar door het gegeven dat kunst en kunstenaars nog als zodanig te benoemen zijn.’
Oey: 'Misschien heten kunstenaars in de toekomst wel anders.’
Van Houwelingen: 'Ik zie absoluut geen heil in de idee dat de kunst als zodanig opgeheven zou worden. Nee, juist het feit dat kunst niet meer als museumkunst herkenbaar is, dàt wordt kunst!’
Seydel: 'Dan noemen we het snukt…’
Oey: 'Of knust…’
Hans van Houwelingens eis aan de kunst om geëngageerd te worden zullen veel kunstprofessionals als extreem of naïef ervaren. Want het tentoonstellingscircuit draait natuurlijk gewoon door.
Van Houwelingen: 'Zowel Jan Hoet, van het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent, als Marianne Brouwer, conservatrice van het Kröller-Müller, hebben geprobeerd me ervan te overtuigen dat de kunst als institutie niet méér maatschappelijke kracht bezit dan ze nu heeft. Daartoe zou het zich dan ook moeten beperken. Tentoonstellingen als This is the Show en Chambre d'amis (Gent, 1986) gaven volgens Hoet de maximale grenzen van een opgerekt kunstbegrip aan.
Ik bestrijd dat ten enenmale. Sterker nog: ik ga tegen dat logge apparaat in en het lukt ook nog. Ik ben het klooster binnengekomen en ik heb een multinational ervan weten te overtuigen dat het zinvol is om op een andere dan puur objectmatige manier te collectioneren. Het kan dus wel. Dat Brouwer en Hoet zeggen: “Tot hier kun je gaan en niet verder”, wil natuurlijk niet zeggen dat het zo is. De aanhouder wint. En dan is de vraag: hoe communiceer ik dat?’
Folkersma: 'Ik zou graag zien dat we verlost raken van dat verstolde, representatieve karakter van de museumtentoonstelling. Dat zou zelfs binnen het museum kunnen gebeuren. Ik zie kunstenaars driftig zoeken naar andere vormen. Dus ik heb goede hoop.’