«Weg met de spellingshervormers»

«Weg met de spellingshervormers»

Verzet tegen de spellingshervorming is in feite een contradictie. Dat laat de zaak van Evart van Dieren zien. Terwijl de rest van de wereld zich in een onmenselijke oorlog stortte, richtte hij al zijn energie op de verderfelijke invloed op taal en volk van de spellingshervormers.

De spellingshervormers hebben andermaal van zich laten horen; het volk mort. Op 15 oktober verscheen de nieuwe editie van de Woordenlijst Nederlandse Taal, de officiële gids voor de spelling van het Nederlands, met alweer nieuwe wijzigingen in de spellingsregels. Betweterige bemoeial, blijf van mijn taal af! werd er in menige huiskamer verzucht. Er zijn weinig domeinen denkbaar waar de leek zo veel autoriteit claimt en de expert zo laag wordt aangeslagen als in de kwestie van de taalhervorming. Er zijn ook niet veel gebieden denkbaar, behalve misschien de politiek, waar de emoties zo hoog oplopen als juist hier. Iedere spellingshervorming lijkt een regelrechte aantasting van de identiteit van de taal ge bruiker en een krenking van de nationale trots op te roepen. Dat was al zo toen een eeuw geleden hervormers vereenvoudiging van de spelling voorstonden en tegen een lawine van protest van leken-taalgebruikers aanliepen. In het bijzonder zouden zij te maken krijgen met een van Neerlands meest bekende zij het niet be ruchtste polemisten, de Amsterdamse huisarts dr. Van Dieren. Hij schreef een kolossaal boek tegen de spellingshervormers en slaagde erin discussie los te krijgen met enige letterkundigen. Zijn verzet staat nog steeds model voor de leek die meent dat zijn «taalgevoel» hem het recht geeft zich te verzetten tegen iets waartegen je je helemaal niet kunt verzetten.

Evart van Dieren (1861-1940) was een markante figuur in het Nederlandse culturele landschap. Hij had zich al vroeg ontworsteld aan zijn betrekkelijk eenvoudige komaf van Zutphense am bachtslieden door te gaan studeren in Amsterdam, zich daar als huisarts te vestigen en door te dringen tot de gegoede burgerij. Zijn praktijk was succesvol: binnen tien jaar kon hij zich een woning aan de Keizersgracht veroorloven. Maar om de een of andere reden voelde hij zich eeuwig achter gesteld en zou hij zich zijn hele verdere leven blijven verzetten tegen de culturele elite. Bekend werd hij daarom vooral als voetnoot in de geschiedenis van een groot aantal bekende Nederlanders met wie hij met wisselend succes ruzie zocht. Als «leunstoelonderzoeker» vocht hij een levenslange vete uit met de latere Nobelprijswinnaar Christiaan Eijkman, die hij tevergeefs de ontdekking van de oorzaak van beri-beri trachtte te ontzeggen; als bewaarder van de christelijke moraal had hij het aan de stok met de eerste freudianen in Nederland, en als rechtgeaard conservatief stookte hij relle tjes met de socialistische voormannen en -vrouwen (zoals Troelstra en Hen riëtte Roland-Holst). Tegen al deze figuren schreef hij een onvoorstelbaar grote hoeveelheid boeken, brochures, kranten artikelen en ingezonden brieven. Het verhaal gaat dat in zijn dokterskoetsje altijd een stapel drukwerk lag, zodat Van Dieren zelfs als hij op weg was naar een patiënt nog wat correcties kon doorvoeren of een nieuw stukje kon schrijven.

Te midden van al dat querulante ge schrijf vormt zijn polemiek tegen de spellingshervormers maar een kort uitstapje. In 1909 komt de spellingsvereenvoudiging terloops ter sprake in de Amsterdamse schoolcommissie waarin Van Dieren zitting heeft. De hervormers pleitten in navolging van de schrijver Roeland Kollewijn voor af schaffing van de naamvallen en ge slachts aan dui dingen, en voor sterke vereenvoudiging van de spelling. Hoewel veel van die voorstellen pas na de Tweede Wereldoorlog zouden worden in gevoerd be gonnen voorstanders bij wijze van eksperiment al vroeg hun stukken in het «Kollewijns» te schrijven, en dat was een doorn in het oog van de Amsterdamse huis-, tuin- en keukenarts, wiens taalgevoel daardoor werd beledigd.

In 1917 lukt het Van Dieren eindelijk de spellingsvereenvoudingskwestie op de agenda van de commissie te krijgen. Terwijl de rest van de wereld zich in een onmenselijke oorlog heeft gestort richt hij al zijn energie op de verderfelijke invloed op taal en volk van de spellingshervormers. Eerst wendt hij zich tot de pedel van de Amsterdamse universiteit met het verzoek om inzage in de tot dan toe in het Kollewijns geschreven proefschriften. Het blijken er drie te zijn, en tot genoegen van Van Dieren blijken de promovendi allerminst zuiver in de leer. Al op de eerste pagina treft hij ge slachtsaanduidingen aan, maar «desniettegenstaande durven de Kollewijnsche hoofdmannen zich op deze en dergelijke geschriften te beroepen om de goed-geloovigen in den waan te brengen dat men ‹Kollewijnsch› kan schrijven zonder dat de stijl behoeft te ont aarden», concludeert de onderzoeker in overcorrect Nederlands.

Vervolgens neemt Van Dieren de proef op de som en vertaalt enkele lukraak gekozen fragmenten uit een socialistisch boek van Hektor Treub in de nieuwe spelling en voorziet de resultaten van commentaar. Een voorbeeld ter adstructie. In het origineel staat: «Daar door werd Hegel’s dialectiek, die volgens Engels op haar hoofd stond, we der op haar voeten gezet.» Daarvan maakte Van Dieren na toepassing van de regel dat de geslachtsaanduiding steeds mannelijk wordt: «Daardoor werd de dialectiek van Hegel, die volgens Engels op z’n hoofd stond, weer op z’n voeten gezet.» Het commentaar van Van Dieren luidt: «Op wie z’n hoofd, op wie z’n voeten stond de dialectiek? Of stond Hegel op z’n hoofd – zal een Kollewijner allicht vragen.» De spellingsvereenvoudiging zal, zo luidt zijn argument, tot verwarring leiden en de zaak er in het geheel niet eenvoudiger op maken.

Na deze exercitie legt Van Dieren zijn toepassingen «ter controle» per brief voor aan enkele voorstanders van de spellingsvereenvoudiging, waaronder professor Vooys en de schrijvers Marcellus Emants (voorzitter van de spellingsvereenvoudigingsbond) en Frans Netscher, schrijver in de vereenvoudigde spelling, en natuurlijk Kollewijn zelf.

Vooys neemt de moeite op een paar van zijn vragen in te gaan, hoewel hij al gauw begrijpt dat in de verbeelding van Van Dieren «de ‹Kollewijners› een soort fanatieke sekte vormen, die een onverzoenlijke haat gezworen hebben tegen alle buigings-vormen en niets liever willen dan die alle verdelgen», waar door een gedachtewisseling met hem «zeer bezwaarlijk» wordt.

Frans Netscher wijst ieder contact bij voorbaat af en schrijft op een briefkaartje: «U moet ’t in uw medische praktijk wel wonderlik stil hebben om uw tijd aan dergelijke beuzelarijen te kunnen besteden. Maar het is een on schuldige liefhebberij en houdt de beoefenaars zoet en thuis. Dus veel succes er mee.» Kollewijn, tot slot, geeft helemaal geen antwoord. Dat wil zeggen: niet direct. Maar Van Dieren weet de hand te leggen op een door Kollewijn onder pseudoniem geschreven klucht, getiteld De spreektaalveredelingsbond, waarin een zekere predikant Eibergens op komische wijze in een redevoering over «grammaties-juist spreken in betrekking tòt en in verband mèt de grond sla gen ener morele en ideale levensopvatting» de spellingsvereenvoudiging op de korrel neemt: «De welsprekende redenaar noemt de geschrevene taal het veredelde voertuig des mensen gedachte; de gesproken taal nu hebben te streven gelijken tred steeds te houden met de sierlijker en volkomener beweging des gemelden volmaakteren voertuigs.»

Van Dieren suggereerde dat hij het was die in de karikatuur van ds. Eibergens op de hak werd genomen, maar dat is onwaarschijnlijk omdat het to neelstuk al uit 1900 dateert. Maar toch had Kollewijn de spijker op de kop geslagen. Ook het verzet van Van Dieren was gegrondvest in de idee dat de gesproken taal zich naar de geschreven taal diende te voegen, niet omgekeerd. Hij wantrouwde het gesproken woord ten diepste, en verscheen ter vergadering steeds met «citatenboekjes» waarmee hij zijn tegenstanders om de oren sloeg. Slechts aan het gedrukte woord kende hij gezag toe, hetgeen zijn overweldigende literaire productie misschien verklaart. Alleen in mijn eigen boeken kan ik wonen, moet Van Dieren hebben gedacht.

Hoewel Van Dieren ongetwijfeld een bijzonder geval was, geldt voor hem wat voor de leek in het algemeen geldt. Voor de taalkundige zijn de gesproken en geschreven taal twee praktijken met ieder een eigen productiewijze, maar voor de leek vormen de twee elkaars spiegelbeeld. Aantasting van de ge schreven taal houdt aantasting van de gesproken taal in juist omdat het verschil tussen de twee voor de leek klein is: hij neemt immers niet deel aan de professionele praktijk, maar is, zoals Van Dieren, een amateur-schrijver. En dus komt men het grootste verzet tegen de spellingshervorming tegen in de in gezonden-brievenrubriek in de krant en op internet, de moderne variant van de op eigen kosten gedrukte brochure. «Broddelwerk dat de taal en het taal gevoel beschadigt», schrijft de Natuurwetpartij op haar website over spellingshervorming. «De spellingshervormers hebben een foutief beeld van taal», schrijft een ander op zijn weblog. «Een opgelegde verandering in de manier waarop we schrijven is een inbreuk op het schrift.»

Omgekeerd geldt hetzelfde voor de voorstanders: zij zien wel wat in spellingsverandering omdat ze hopen dat de spelling zich dan eindelijk zal voegen naar hun eigen taalgedrag. «Als het maar eenvoudiger wordt», schrijft iemand op de website van NRC Handelsblad waar de spellingskwestie wordt bediscussieerd. Sommigen hebben het echter opgegeven en varen nu maar op eigen kompas: «Laat nu eens de spelling voor wat het is, ik weet er nu geen wijs meer uit. Wat is goed en wat is fout ik wordt er nu echt helemaal gek van.»

Taal is van iedereen, en dat geeft eenieder het recht ermee om te springen zoals het hem of haar goeddunkt. Maar hoewel niemand dat recht kan worden ontzegd, kan toch ook niemand daaraan autoriteit ontlenen. Dat gold al voor Van Dieren, die uit wraak voor al die miskenning zijn correspondenties met de Kollewijners ongevraagd afdrukte in zijn in 1917 verschenen anti-vereenvoudigingsboek getiteld: De averechtse geestesrichting der zoogenaamde «nieuwlichters» op allerlei gebied; in het bizonder die der Kollewijners en hun verderfelijke invloed op taal en volk. 309 pagina’s groot en uitgegeven «voor eigen rekening» bij Swets en Zeitlinger.

Het boek was geen goede ontvangst beschoren. «Een titel om van te rillen», werd er in het verenigingsblad van de spellingsvereenvoudigers geschreven toen er ruchtbaarheid aan werd gegeven. «Ik word genegeerd», schreef Van Dieren vervolgens bitter aan de schrijver Johan Been, die echter vrolijk antwoordde dat hij het wel leuk zou vinden als ook hij «uw bestrijder mocht worden». Ten slotte werd het boek bij verschijning door letterkundigen in een enkele zin weggezet: «Dit dure en lijvige boek wordt het best beantwoord met een welsprekend stilzwijgen.» Wie het thans wil lezen raadplege een universiteitsbibliotheek, waarnaar de auteur presentexemplaren zond in de wetenschap dat het papier geduldig is, of men schaft het zich antiquarisch aan. Hoe dan ook is de kans groot dat de lezer het boek onopengesneden aantreft: ongelezen en ongebruikt. Als was het om te onderstrepen dat verzet tegen de spellingshervorming in feite een contradictie is.