Weg met het i-woord

Flexibilisering, deregulering, modernisering, liberalisering - het zijn allemaal verschrikkelijke woorden. Maar het ergste van alle is ‘individualisering’, de grootste vervuiler van het politieke debat. Kunt u niet wat specifieker zijn?

HET BEHOORT TOT de betere glijmiddelen. Zet een maatregel in het kader van de ‘individualisering’ en de tegenstander is bij voorbaat gediskwalificeerd als hopeloos ouderwets en conservatief. Verruiming van de winkelsluitingswet? Individualisering. Minder bescherming tegen ontslag? Individualisering. Bij iedere reincarnatie die het begrip doormaakt, lijkt het aan kracht te winnen. Bovendien is het breed inzetbaar. Je kunt er het arbeidsethos mee bekritiseren, zoals vroeger gebeurde, of er juist de arbeidsplicht mee aanbevelen, zoals sinds een paar jaar kamerbreed gebeurt. Je kunt er mee pleiten voor uitbreiding van de collectieve sector, zoals de vrouwenbeweging doet, en er de collectieve sector mee afbreken, zoals de VVD probeert. Woorden die alles kunnen betekenen, verliezen hun betekenis - zoniet 'individualisering’. Wie de indruk wil wekken te weten wat er in de samenleving speelt, laat een paar keer achteloos het i-woord vallen. Een nadere duiding is dan niet nodig, in een subtiel samenspel van spreker, toehoorder en tijdgeest vormt zich een interpretatie. Ging het deze keer over vereenzaming, over de vrijheid van ondernemers, over een toenemend aantal alleenwonenden, over gebrek aan politieke belangstelling of over calculerend gedrag? Of ging het eigenlijk nergens over, maar diende het woord slechts ter bekrachtiging van het moderne, deskundige imago van de spreker? Nu eens dient 'individualisering’ ter bevestiging van het eigen wereldbeeld ('Er wordt niet meer gedemonstreerd; de samenleving is geindividualiseerd’), dan weer als doel waarnaar wij streven (zelfontplooiing, keuzevrijheid) of juist als spookbeeld (echtscheidingen, schooluitval, criminaliteit, onverschilligheid).
De laatste paar jaar is individualisering echter definitief gepromoveerd tot belangrijkste pr-instrument ten behoeve van de liberale economische ideologie. Flexibilisering, privatisering en deregulering, het gebeurt, als we de liberalen mogen geloven, allemaal omwille van de individualisering. De positieve connotatie van jaren-zestigtermen als autonomie, pluriformiteit en individualisering is blijkbaar zo groot dat ze nu worden gebruikt om een filosofie aan de man te brengen die haaks staat op wat er 25 jaar geleden mee werd beoogd. Ging het toen om autonomie van burgers, nu gaat het om autonomie van de markt, waarbij de 'geindividualiseerde’ burgers slechts dienen als breekijzer. Onder het mom dat het voor moeders zo lastig is om van negen tot vijf te werken, mogen ze straks op ieder uur van de dag worden opgeroepen. Onder het mom dat sommigen na hun vijfenzestigste door willen werken, wordt de Vut afgeschaft en de AOW opgeschoven. En onder het mom dat niet iedereen dezelfde uitkering wenst, wordt het ministelsel gepropageerd.
Veelzeggend is de switch die het CDA de afgelopen jaren maakte. Lange tijd bestreden de christendemocraten de 'individualisering’ te vuur en te zwaard, omdat het woord stond voor alles wat rot was: atomisering, onverschilligheid, teloorgang van het gezin. Doch in het laatste verkiezingsprogramma wordt 'individualisering’ plots als gegeven beschouwd. Niet om daarmee andere samenlevingsvormen te erkennen, maar om te pleiten voor een terugtredende overheid in het algemeen en privatisering van de sociale zekerheid in het bijzonder. De scheidslijn die sommige wetenschappers en politici trekken tussen aan de ene kant 'ouderwetse’ sociaal-democraten en christendemocraten (die tegen individualisering zouden zijn) en aan de andere kant sociaal-liberalen en liberalen (voor) gaat dan ook niet op. En is, gezien de grabbelton die individualisering is, trouwens nooit opgegaan. Het begrip leent zich uberhaupt niet voor een keuze pro of contra, daarvoor is het te breed interpreteerbaar.
OOIT WIST WELDENKEND Nederland dat de door liberalen (en nu dus ook door christen-democraten) gepredikte vrijheid slechts de keuzevrijheid van een wel heel beperkte groep bevordert en dat regelgeving dient om (de keuzevrijheid van) zwakkeren te beschermen. Maar nu voorstellen zoals het privatiseren van de sociale zekerheid worden omkleed met 'individualisering’, 'keuzevrijheid’ en 'pluriformiteit’, weet men het plotseling niet meer. Daar kunnen we als progressieven toch niet tegen zijn?
Marcel van Dam is zo'n linkse bekeerling. Zich beroepend op individualisering gaat hij in de Volkskrant week na week tekeer tegen de 'afgedwongen solidariteit’, opgelegd door overheid en vakbonden, en pleit hij voor 'zo veel mogelijk zelfregulering, zo veel mogelijk zelfbestuur. Zo veel mogelijk gebruik maken van de markt en het marktmechanisme.’ Het is de combinatie van libertair (zelfbestuur) en liberaal (markt) gedachtengoed die Van Dams theorietjes op het eerste gezicht zo aantrekkelijk, maar uiteindelijk zo funest maken. Want sinds wanneer garandeert de markt keuzevrijheid en pluriformiteit?
Moeilijk te rijmen met zijn pleidooi voor meer markt en minder overheid is Van Dams tweede stokpaard: de dreigende verwording van de arbeid. Nog even en er zijn weer liftboys en drollenscheppers, waarschuwt hij. Dat veel overheids- en vakbondsbemoeienis juist gericht is op het voorkomen van hondenbanen, komt niet bij hem op. En hoeft ook niet bij hem op te komen, aangezien de oplossing voor hem al vaststaat: invoering van een basisinkomen.
Van Dam is kampioen vervuiler van de individualiseringsdiscussie. Niet alleen valt alles bij hem onder de noemer individualisering - van echtscheiding tot telewerken, van euthanasie tot mobiliteit -, ook presenteert hij dergelijke ontwikkelingen als een ondeelbaar pakket. Een gedifferentieerd oordeel is volgens hem onmogelijk, je kunt niet voor het een zijn en tegen het ander. Laat staan dat je het een kunt stimuleren en het ander afremmen. Het 'individualiseringsproces’ is, zo weet Van Dam, autonoom en onomkeerbaar, en het enige wat de overheid kan doen is zich er zo goed mogelijk aan aanpassen. De nieuwe politieke scheidslijn loopt volgens hem tussen de voor- en tegenstanders van individualisering, waarbij voorstanders vanzelfsprekend progressief heten en tegenstanders reactionair.
Als discussievertroebelaar kreeg Van Dam de afgelopen maanden concurrentie van een ideologische tegenvoeter. Hans Wansink, redacteur van Intermediair en schrijver van De opmars van de stressmaatschappij (nota bene: het boek van Van Dam heet De opmars der dingen), zaait door ongeveer het tegenovergestelde te beweren als Van Dam, niet minder verwarring. Individualisering, zo stelt Wansink, is een relict uit de jaren zestig en zeventig en inmiddels grotendeels voorbij. Kijk naar enquetes, naar onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Mensen wonen weliswaar vaker in hun eentje, maar dat is veelal noodgedwongen, of ze zijn eenvoudig nog te jong voor een gezin. Terwijl alles is gedaan om individualisering van vrouwen te stimuleren (pil, verzorgingsstaat, feminisme) willen vrouwen nota bene gewoon kinderen en een partner. Wansink reduceert individualisering tot 'niet in gezinsverband willen leven’, en nu blijkt dat het gezin niet passe is, verklaart hij de hele individualisering exit. Hij doet dat met een triomfalisme dat doet vermoeden dat hij alles wat hij onder individualisering verstaat, altijd al niks heeft gevonden. Behalve op het bloeiende gezinsideaal beroept Wansink zich op het vele vrijwilligerswerk en de vrijgevigheid van Nederlanders. Ter vervolmaking van zijn theorie suggereert hij dat dat alles (gezinnen, informele zorg, Greenpeace steunen) een tijd lang 'uit’ is geweest, en nu weer terugkeert - onzin, want het was nooit weg.
Wansinks betoog is het ultieme bewijs dat het woord individualisering beter kan worden afgeschaft. De spraakverwarring is compleet. De pleitbezorgers van individualisering gebruiken namelijk precies dezelfde gegevens als Wansink, maar dan om aan te tonen dat demografische individualisering (dat wil zeggen het steeds vaker alleen wonen) blijkbaar niet leidt tot atomisering, onverschilligheid en noem alle vroegere CDA-angsten maar op. In de statistieken valt naar hartelust selectief te grabbelen en bovendien kun je, met een en hetzelfde gegeven, meningen staven die diametraal tegenover elkaar staan. Nog trickier wordt het wanneer Wansink de 'ontindividualisering’ tracht te verklaren: door afbraak van de verzorgingsstaat en opkomst van de 'stressmaatschappij’ worden mensen weer in elkaars armen gedreven. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar de suggestie ligt voor de hand: Hoera! Breek de boel nog verder af en het wordt weer net zo knus als vroeger.
Wansink noemt nog een aantal tendensen die moeten staven dat Nederland ontindividualiseert. De afgelopen tien jaar werd de Nederlander in rap tempo minder tolerant, de roep om repressie werd sterker, eerbied voor de privacy geringer. Afwijkend gedrag wordt niet meer op prijs gesteld, de doodstraf wordt zelfs weer bepleit. Zie je wel, roept Wansink dan, de individualisering is op de terugtocht. Wat hij echter beschrijft is een verrechtsing van de mentaliteit. Een verrechtsing die niet tegengesteld is aan, maar juist in het verlengde ligt van een bepaald soort individualiseringsbeleid, namelijk de liberalisering van de economie.
In de Verenigde Staten gaat de liberaal-ecomische individualiseringsvariant al decennia lang gelijk op met een aanzwellende roep om repressie en (overheids)moralisme. Hoe liberaler het economische beleid, hoe minder liberaal politiek en burger zich in morele zin opstellen. Om tegenwicht te bieden tegen de verwording die een amorele economie teweeg brengt (partners die elkaar en hun kinderen niet meer zien door de 'flexibilisering’ van de werktijden, driedubbele banen door de lage lonen, toenemende criminaliteit) verlangen burgers en politiek naar een strenge en moraliserende overheid. Een zelfde tendens doet zich in Nederland voor. Bolkestein pleit voor flexibilisering en deregulering, maar roept tegelijkertijd om herstel van normen en waarden. Iedere partij heeft zo zijn eigen vocabulaire om beide vliegen (liberalisering van de economie en disciplinering van de burgers) in een klap te slaan. Bij het CDA is het de zorgzame samenleving, bij de PvdA burgerschap, bij D66 de civiele maatschappij.
HET HUIDIGE kabinet zegt individualisering hoog in het vaandel te hebben. Maar welke individualisering, welke keuzevrijheid, voor wie? Als het gaat om economische zelfstandigheid, individuele ontplooiing en pluriformiteit (als noodzakelijke voorwaarde voor vrij beschikbare alternatieven) is het overheidsbeleid eerder gericht op afbraak dan op bevordering.
Economische zelfstandigheid wordt kamerbreed gepredikt zolang het gaat om de plicht tot arbeid (ook vrouwen met jonge kinderen moeten zich voortaan 'melden’ op de arbeidsmarkt), maar de steun voor het recht op een zelfstandig inkomen (uitkering) is tanende. Zoals het programma van D66, de individualiseringspartij bij uitstek, het verwoordt: 'Individualisering en financiele zelfstandigheid moeten trouwens ontstaan door deelname op de arbeidsmarkt, en niet door het in het leven roepen van nieuwe uitkeringsrechten op grote schaal.’ Typisch voor deze trend is de zogenaamde '1990-maatregel’: samenwonenden die na 1 januari 1990 achttien jaar werden, zijn beiden verplicht zich op de arbeidsmarkt te melden, maar krijgen indien ze werkloos zijn geen eigen uitkering. Voorts worden de partner-onafhankelijke uitkeringen (WW, WAO) uitgekleed, waardoor de komende jaren tienduizenden, misschien zelfs honderdduizenden extra mensen in de partner-afhankelijke bijstand komen of geen eigen inkomen meer hebben.
De AOW is een verhaal apart. Eerst wilde dit kabinet 65-plussers met een jongere partner nog slechts een halve uitkering geven en verkocht het dit als individualisering. Toen die maatregel op felle protesten stuitte, werd de maatregel overgeheveld naar broers en zussen met een AOW die bij elkaar wonen - hetgeen het omgekeerde is van individualisering. 'Individualiseren’ doe je blijkbaar alleen als het goed uitkomt.
Wel wordt er gestudeerd op afschaffing van het kostwinnersbeginsel in de belastingen (kostwinners betalen minder belasting doordat zij de belastingvrije voet van hun partner erbij krijgen). Waarbij, hoe typerend voor de individualiseringsdiscussie, het CDA er fijntjes op wijst dat afschaffing van het kostwinnersvoordeel de keuzevrijheid van niet-werkende partners juist verkleint. Het gezinsinkomen daalt immers, waardoor de partner minder vrij is om niet te werken (en bijvoorbeeld voor de kinderen te zorgen). En daarmee hebben de christendemocraten onmiskenbaar een punt. Wat niet wegneemt dat het kostwinnersvoordeel nergens meer op slaat - maar doe niet alsof afschaffing ervan de keuzevrijheid bevordert. Vanzelfsprekend gebruikt het CDA het adagium keuzevrijheid ook slechts als het de partij uitkomt, want in het CDA-model zijn alleen de mensen met een verdienende partner 'vrij’ om te kiezen voor verzorging - ook het CDA is immers allerminst voor een basisinkomen.
Binnen de PvdA is de roep om individualisering van (uitkerings)rechten sterk op de terugtocht. Zo gaan er binnen die partij steeds meer stemmen op om de basisbeurs van studenten weer afhankelijk te maken van het inkomen van de ouders. In tijden van bezuinigingen worden algemene voorzieningen teruggedraaid tot voorzieningen voor de minima, zo gaat dat. Kok is trouwens altijd meer een man van draagkracht geweest dan van individualisering.
OOK ALS HET GAAT om het bevorderen van pluriformiteit, laat dit kabinet het evenals de vorige regeringen afweten. Op veel terreinen is eerder sprake van uniformering. Allochtonen moeten inburgeringscontracten ondertekenen, werklozen worden verplicht elk baantje aan te nemen. Het onderwijs is niet meer gericht op ontplooiing van het individu, maar op de arbeidsmarkt. En dat het basisinkomen opeens van links tot rechts wordt bediscussieerd, heeft niets met het vergroten van ontplooiingsmogelijkheden te maken en alles met de oncontroleerbaarheid van de huidige uitkeringen en met de wens om ook nauwelijks produktieve mensen aan het werk te schoppen, met het basisinkomen als loonkostensubsidie.
De individualisering die dit kabinet zegt na te streven behelst slechts liberalisering van de economie: het vergroten van de keuzevrijheid van ondernemingen en van zeer bepaalde groepen burgers. Gesuggereerd wordt dat de overheid per definitie slechts een keurslijf kan bieden, terwijl de markt keuzemogelijkheden zou garanderen. Wie het individu serieus neemt, komt dus automatisch uit bij meer markt en minder overheid, heet het. Maar niet voor niets pleit de vrouwenbeweging, juist omwille van de keuzevrijheid, voor meer collectieve voorzieningen en regelgeving zoals kinderopvang, wettelijke verlofregelingen en arbeidstijdverkorting. Er is bovendien geen enkele reden om aan te nemen dat de overheid, als het bijvoorbeeld gaat om de WAO, de Vut of de tandartsverzekering, niet verschillende opties zou kunnen aanbieden. De (gedeeltelijke) privatisering van deze regelingen heeft tot nu toe slechts geleid tot hogere kosten en navenant hogere winsten voor de verzekeringsmaatschappijen.
Ander voorbeeld. Dat de publieke omroepen tegenwoordig moeten concurreren met de commerciele heeft niet geleid tot een grotere diversiteit maar tot massale naaperij. Er valt veel voor te zeggen dat de overheid zich op bepaalde gebieden terugtrekt (de libertaire kreten van Van Dam zijn niet voor niets zo aantrekkelijk), maar vooralsnog betekent dit slechts dat de markt in het gat springt - en op die markt heeft de burger over het algemeen nog minder invloed dan op de overheid.
Het reflexmatig koppelen van keuzevrijheid en markt heeft zelfs GroenLinks aangeroerd. In het laatste nummer van De Helling pleit Jet Bussemaker, politicoloog en auteur van Betwiste zelfstandigheid - individualisering, sekse en verzorgingsstaat, voor minder collectieve verzekeringen omdat deze onvoldoende zijn afgestemd op persoonlijke omstandigheden. Ook is zij tegen generieke arbeidstijdverkorting omdat dit de keuzevrijheid belemmert van mensen 'voor wie hun werk echt hun enige hobby is’. 'Ik zou toch niet graag voor anderen willen bepalen hoeveel zij mogen werken.’ Maar hoe zit het dan met de keuzevrijheid van werklozen die door de hobby van de worcaholic geen baan hebben? En met de keuzevrijheid van de zorgende echtgenote van die hobbyist? De vrijheid van de een staat hier tegenover de vrijheid van de ander en daarmee is er weinig nieuws onder de zon in het oude debat tussen liberalen en progressieven. Zolang de keuzevrijheid van de een nog zoveel kleiner is dan die van de ander, is het vanuit het maximaliseren van keuzevrijheid heel goed te verdedigen om de ene vrijheid prioriteit te geven boven de andere. Vanuit dat uitgangspunt beredeneert historicus Ger Harmsen dat groepsvorming (vakbonden) en overheidsinterventie niet haaks staan op individualisering, doch juist dienen om de keuzemogelijkheden van (sommige) individuen te vergroten. Niet voor niets gaan al een eeuw of drie de opmars van het individu en de opmars van de overheid gelijk op, betoogt hij. Echte individualisering in de zin van keuzevrijheid van (alle) individuen is alleen mogelijk bij een grote mate van nivellering en herverdeling van arbeid. Inderdaad, een spreiding van kennis, inkomen en macht. Welk een schone taak voor paars!
IN HET VERDIENDE INKOMEN (1993) stelde Paul de Beer, toen nog medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, dat het individu consequent uitgangspunt moet worden in het sociaal-democratische gedachtengoed. Zo zou 'rechtvaardigheid’ niet langer moeten worden gerelateerd aan huishoudens maar aan individuen. De leefvorm van mensen moet geen enkele rol meer spelen bij belastingen of uitkeringen, vindt De Beer. 'Ook de spreekwoordelijke vrouw van de tandarts is een individu. Op veel gebieden is dat trouwens de gewoonste zaak van de wereld. We zouden er vreemd van opkijken als bij de vraag wie er wordt ontslagen, bepalend is of iemand een gezin te onderhouden heeft of niet.’ De keuze tussen samenwonen of alleen wonen is niet van een fundamenteel andere orde dan het al dan niet kopen van een auto, stelt hij. En je maakt de hoogte van een uitkering toch ook niet afhankelijk van de vraag of iemand een auto heeft? Om echter te voorkomen dat alleen wonen slechts weggelegd is voor de beter gesitueerden, moeten de uitkering zo hoog zijn dat ook alleenwonenden er van rond kunnen komen. Belangrijkste manco van de redenering is dat rechtvaardigheid niet een vaststaand gegeven is, maar dat het gaat om wat mensen als rechtvaardig beleven - en dat verander je niet met een nieuwe definitie van rechtvaardigheid (wat niet wegneemt dat ze in de loop van de tijd kan verschuiven, analoog aan het voorbeeld van de ontslagen kostverdiener).
Uitgaande van individuele keuzevrijheid moeten mensen de (financiele) consequenties van hun keuzen zelf dragen, stelt De Beer. En hoe zit het dan met kinderen? Zijn redenering volgend zijn ook kinderen een eigen keuze, hetgeen pleit voor afschaffing van de kinderbijslag. Ware het niet dat kinderen rechten hebben - rechten die auto’s bijvoorbeeld niet hebben. En om die rechten te waarborgen is het wel degelijk gerechtvaardigd dat de samenleving bijdraagt in de kosten van kinderen, vindt De Beer. Om ervoor te zorgen dat het geld ook werkelijk voor die kinderen wordt gebruikt, pleit hij voor kindersubsidies 'in natura’: kinderopvang, onderwijsvouchers.
'Ieder mens is er een en niet de helft van een stel’, heette het ooit op PSP-affiches. Vanuit datzelfde uitgangspunt werkte de PPR het idee van een basisinkomen uit. Toch hebben klein en groot links altijd een moeizame verhouding gehad met individualisering van uitkeringsrechten. Tussenvormen in overvloed (individuele uitkeringen, maar wel belasting heffen per huishouden om de boel weer wat recht te trekken), maar het blijft schipperen tussen individuele rechten en rechtvaardigheid.{ Ook de Emancipatieraad is er niet uit of je bij het verschaffen van uitkeringen en het heffen van belastingen rekening moet houden met de schaalvoordelen van een gemeenschappelijk huishouden. Dat wordt de belangrijkste keuze in het advies dat de Emancipatieraad eind dit jaar uit zal brengen, als voorloper van de herstructurering van de sociale zekerheid in 1996. De 'vrouwenalliantie’, een samenwerkingsverband van vijfendertig vrouwenorganisaties, kiest vooralsnog voor een pragmatische opstelling. Wat heeft het voor zin theoretische uitgangspunten te formuleren als de werkelijkheid is dat alle grote politieke partijen de belastingen en uitkeringsuitgaven willen verminderen, zo vindt de alliantie. De vrouwen concentreren zich daarom op het verlengen en versoepelen van de WW (die immers partner- en vermogensonafhankelijk is). Zo zorg je dat vrouwen die hebben gewerkt in ieder geval niet meteen weer afhankelijk worden van hun partner. En doordat de beruchte 'vrouw van de tandarts’ wordt uitgesloten (want die heeft niet gewerkt), is het betaalbaar.
HET AL DAN NIET botsen van rechtvaardigheid en individuele uitkeringsrechten, de vraag of keuzevrijheid gediend is bij uitbreiding van collectieve voorzieningen, het is allemaal het bediscussieren meer dan waard. Discussies die door de ideologische beladenheid en totale spraakverwarring rond 'individualisering’ echter al stranden voor ze goed en wel op gang zijn gekomen. Daarom bij dezen het verzoek het woord individualisering niet meer te gebruiken. Evemin als de woorden flexibilisering, modernisering of liberalisering. Allemaal ideologie. Wees specifiek. Spreek van vergroting van individuele keuzevrijheid, van vereenzaming, van afweging van keuzevrijheden, van vrijheid voor ondernemers, van individuele uitkeringsrechten, van arbeidsplicht, van alleenwoners. En mijd het i-woord.