Weg met het woord allochtoon

WE KUNNEN GEEN KRANT openslaan, geen journaal aanzetten, geen beleidsnotitie lezen of we struikelen over het woord ‘allochtoon’. Altijd met dezelfde nare bijsmaak, vergelijkbaar met die van onmogelijke woorden als employability en flexarbeid. Nergens krijg je het gevoel dat de gebruikers ook maar enigszins geïnteresseerd zijn in al die verschillende individuen die achter het begrip schuil schijnen te gaan.

‘Ik ben een Amsterdammer met Turks bloed, buiten Amsterdam voel ik mij nergens thuis’, zegt de negentienjarige Kerem tijdens ons gesprek op een zondagmiddag. Zijn sterke affiniteit met de stad Amsterdam is op zich geen wonder, zeg ik tegen mijzelf. Hij is in Amsterdam opgegroeid. Zowel zijn jeugdherinneringen als zijn dagelijks leven van nu zijn met deze stad verbonden. Hij kent geen enkele andere stad in de wereld zo goed als hij Amsterdam kent.
Ik ben nieuwsgierig wat het voor hem betekent om Amsterdammer te zijn. 'Moeilijke vraag’, zucht hij na een lange aarzeling. 'Amsterdam is een wereldstad met een apart karakter. Misschien komt het door de hoeveelheid culturen die in deze stad door elkaar leven. Wat wij met ons allen gemeenschappelijk hebben, is Amsterdam, onze levensstijl. Dat ik van Turkse afkomst ben geeft mij iets aparts, vind ik, het is een verrijking om meerdere landen en culturen te kennen en te genieten van de mooie kanten en de voordelen van twee werelden. Mijn generatie maakt zich totaal niet druk over iemands afkomst. Het heeft te maken met de tijd waarin je leeft, denk ik, Nederland verandert. Ik erger mij wel aan het feit dat wanneer er in de media iets over allochtone jongeren geschreven wordt, het altijd negatief is. Men moet niet vergeten dat de generatie van nu, hetzij van buitenlandse ouders hetzij van Nederlandse, de toekomst van dit land is.’
Het feit dat Kerem, en kennelijk veel van zijn leeftijdgenoten, zich van het begrip allochtoon distantiëren is niet verbazingwekkend. Het is een onmogelijke opgave voor jongeren die in Nederland geboren en getogen zijn zich te identificeren met een dergelijk negatief geladen 'containerbegrip’, dat hier vooral dienst doet als afvalcontainer. Kan men überhaupt herkenning vinden in een term die niet naar de eigen identiteit verwijst maar uitsluitend aanduidt wat men niet is? Het begrip allochtoon is gebaseerd op het afstammingsprincipe en heeft met name de betekenis 'geen echte Nederlander’. Daarmee impliceert deze term een lagere sociale status in de samenleving dan die van de autochtone bevolking.
TOEN IK, circa achttien jaar geleden, als beginnend onderzoekster de wereld van het wetenschappelijk onderzoek naar migratieverschijnselen binnentrad, was de gezinshereniging net op gang gekomen en de toenmalige 'gastarbeiders’ (of beter gezegd: buitenlandse werknemers, want de term gastarbeider met zijn negatieve klank begon men te verlaten) werden in vakjargon 'buitenlandse gezinnen’ genoemd. Door de geschiedenis heen kregen zij steeds nieuwe benamingen: 'migranten’, 'etnische groepen’, 'medelanders’, 'etnische minderheden’, met als laatste dieptepunt 'allochtonen’.
Wie of wat zijn allochtonen? In de eerste plaats mensen afkomstig uit de toenmalige wervingslanden en de voormalige Nederlandse koloniën en hun kinderen die zowel in het land van herkomst als in Nederland geboren kunnen zijn. Het bezitten van de Nederlandse nationaliteit was irrelevant. Zij, of in ieder geval de ouders, waren immers niet geboren in het land achter de dijken. Curieus is echter dat de term allochtoon niet gebruikt wordt voor de in Nederland wonende Duitsers, Engelsen, Amerikanen, Japanners etcetera. Dat is tekenend voor de symbolische gevoelswaarde van de term allochtoon en de directe koppeling daarvan aan de maatschappelijke positie van degenen die onder dit begrip vallen. Circa dertig jaar na de komst van mensen uit vele verschillende delen van de wereld komt het multiculturele karakter van de tolerante Nederlandse samenleving ironisch genoeg tot uitdrukking in een tweedeling van 'autochtonen’ versus 'allochtonen’.
Het trekken van lijnen tussen 'wij’ en 'zij’ op grond van etniciteit gaat gepaard met het toekennen van inferieure kenmerken aan de ander en het idealiseren van het eigen beeld. Het problematiseren van culturele kenmerken van etnische groepen leidt tot hardnekkige stereotyperingen, die op hun beurt de subtiele uitsluiting door middel van minorisering versterken en zelfs legitimeren. En dit terwijl wij weten dat iemands culturele achtergrond geen belemmering hoeft te vormen om volwaardig in de maatschappij te functioneren. Ook de zogenaamde 'succesvolle’ jongeren uit etnische groepen houden hun binding met hun achtergrond, waaraan zij hun zelfrespect en in veel gevallen hun kracht ontlenen voor het verwerven van een plek in deze maatschappij.
De 'jongeren van nu’ staan onder sociale druk om zich volledig te conformeren aan de dominante levenswijze. Zij die afwijkend gedrag vertonen, lopen het gevaar buiten de hoofdstroom van de samenleving te vallen en terecht te komen in de voor hen bedachte, fictieve categorie allochtoon. Wanneer het om subtiele uitsluiting gaat kent onze creativiteit blijkbaar geen grenzen. Anno 1997 menen wij in Nederland naast algemene media ook allochtone media, naast kunst allochtone kunst, naast literatuur allochtone literatuur te kennen. Een lichtelijk arrogante houding om de eigen cultuur af te zetten tegen de rest van de wereld, daarmee de veelzijdigheid negerend. Wij staan niet stil bij het feit dat wij met inhoudsloze, vage begrippen met elkaar communiceren, of juist miscommuniceren.
Hoe ver zullen wij gaan met deze categoriseringen? Hoelang blijven nieuwe generaties jongeren uit etnische groepen allochtoon? Zal de erfzonde van het allochtoon zijn ook hier tot in het zevende geslacht blijven bestaan?
HOE MEER KEREM over de 'generatie van nu’ vertelt, des te sterker realiseer ik mij dat onze beeldvorming over zijn generatie zeer fragmentarisch en eenzijdig is. Als beleidmakers, politici en wetenschappers, maar ook als algemeen publiek, menen wij 'de allochtone generatie van nu’ hoofdzakelijk te kennen als potentieel vroegtijdige schoolverlaters, langdurig werklozen, jeugdige criminelen, jongeren die in een cultuurkloof belanden en daardoor ontsporen, kortom als een generatie die sterk met problemen geassocieerd wordt. Of beter gezegd: altijd geproblematiseerd wordt. Onze beeldvorming wordt op dit moment nog in hoge mate bepaald door stereotyperingen die betrekking hebben op de voorafgaande generaties, namelijk de eerste en de tussengeneratie migranten. Of dat beeld met de realiteit van de tweede generatie jongeren correspondeert, is voor mij zeer de vraag. Wij hebben weinig inzicht in hun leef- en denkwereld. Welke aspiraties en preferenties hebben zij, op welke manier geven zij betekenis aan hun bestaan? Aan hun visie wordt geheel voorbijgegaan in politiek-maatschappelijke discussies die hen aangaan.
In hoeverre is Kerem een uitzondering als negentienjarige jonge 'allochtoon’ die zich met zijn liefde voor en trots op de eigen achtergrond toch vooral Amsterdammer voelt? Wellicht in de ogen van de maatschappij wel, maar in zijn ogen zeker niet. Refererend aan zijn vriendenkring, meer gemengd dan de begrippen autochtoon en allochtoon kunnen aangeven, beweert hij dat de generatie van nu niet meer in termen van deze begrippen denkt. Wat Kerem onder 'wij’ verstaat, is in zijn bewoordingen een groep relaxte jongeren die met elkaar dezelfde interesses en ervaringen delen in Amsterdam, niet meer en niet minder.
Iemands herkomst is zonder meer een belangrijk onderdeel van zijn identiteit, maar zeker niet het enige. De opbouw van een eigen identiteit is een dynamisch proces dat beïnvloed wordt door ontwikkelingen en veranderingen in de naaste omgeving. Wij weten eveneens dat het verworven gevoel van identiteit geen onveranderlijk gegeven is. De manier waarop men zijn eigen ik definieert en welke componenten van de identiteit daarbij op de voorgrond treden, hangt sterk af van de situatie waarin men zich bevindt. Ik ben van mening dat de discussies over de sociaal-culturele identiteit van de tweede generatie jongeren vaak in een analysekader worden geplaatst waarbinnen herkomst ten onrechte de boventoon voert als verklaring voor hun aspiraties, keuzen en gedrag. Uit onderzoeken blijkt dat ook de tweede generatie jongeren zich met hun etnische herkomst identificeert, maar tegelijkertijd een biculturele houding inneemt door elementen uit de eigen culturele achtergrond te combineren met die van de samenleving waarin zij leven. Het feit dat zij over twee referentiekaders beschikken, betekent niet automatisch dat hun identiteit a priori door breuken en discontinuïteit wordt gekenmerkt. Net zoals hun 'Nederlandse’ leeftijdgenoten zoeken zij de herkenning in hun naaste omgeving, hetzij binnen het gezin, hetzij binnen de maatschappij.
Herkenning en erkenning zijn twee kanten van dezelfde medaille. Bij mij rijst de vraag of de samenleving flexibel genoeg is om diversiteit te kunnen dragen. Er is momenteel meer sprake van een ambivalente houding ten aanzien van culturele verscheidenheid dan een expliciete aanvaarding daarvan. Dit vindt zijn weerklank in politieke discussies over maatschappelijke vraagstukken. Enerzijds wordt gepleit voor de multiculturalisatie van de samenleving en gelijke kansen voor iedereen, anderzijds worden de culturele kenmerken van de ander als voornaamste oorzaak van het probleem gedefinieerd.
Het dilemma is dat goede bedoelingen vaak onbedoelde effecten sorteren. Etnische categorisering maakt weliswaar een aantal problemen zichtbaar, maar gaat volstrekt voorbij aan individuele verscheidenheid. De onderscheiden groepen worden zodanig gestigmatiseerd dat de afzonderlijke leden weinig ruimte hebben om te ontsnappen aan deze groepskarakteristieken. Veel tweede-generatiejongeren verkeren momenteel in deze situatie. Buiten de stigma’s om zijn zij op zoek naar erkenning en waardering in hun hoedanigheid, niet als allochtoon maar bijvoorbeeld als een Amsterdammer met Turks bloed.
Herwaardering van de eigen achtergrond is voor jongeren essentieel voor de ontwikkeling van een positief zelfbeeld. Deze tendens is bij de tweede generatie jongeren aanwijsbaar in de opkomst van Turkse, Marokkaanse, Chinese en Surinaamse studentenverenigingen. Zij voorzien in de behoefte aan ondersteuning bij het verwerven van een positie van deze jongeren binnen de maatschappij.
DE OVERLEVINGSSTRATEGIEEN die tweede-generatiejongeren hanteren, de keuzen die zij maken om hun wereld betekenis te geven, hangen in eerste instantie van hun perspectieven af. In dat kader staat het belang van gelijke kansen bij het verkrijgen van toegang tot alle geledingen van de maatschappij buiten discussie. Een even zwaar wegende factor is acceptatie op basis van gelijkwaardigheid. Wanneer de maatschappij deze jongeren echter blijft aanspreken op hun 'anders zijn’, en dan vooral in negatieve zin, wanneer ze de diverse culturen niet serieus neemt, hen daarentegen op één hoop gooit met de connotatie van minder, zal dat leiden tot een groeiende afkeer van de samenleving. Dan zal de gerichtheid op herkomst leiden tot het idealiseren van de eigen achtergrond, waarbij niet langer sprake is van positiebepaling binnen de maatschappij.
Deze jongeren plaatsen zich al of niet bewust aan gene zijde van de maatschappij. Zij die in deze neerwaartse spiraal van uitsluiting en zelfuitsluiting terechtkomen, staan open voor invloeden van allerhande radicale bewegingen die op hun menselijke behoefte aan herkenning, erkenning en zelfrespect inspelen. Zij zullen zich in gemeenschappen terugtrekken waarin zij menen deze identificatiemogelijkheden te kunnen vinden. Stromingen uit de herkomstlanden die er belang bij hebben hun machtspositie in de Europese landen te verstevigen, exploiteren deze gevoelens van onbehagen.
De stellingname van de Nederlandse overheid is in dit verband ambivalent. Met een beroep op de democratie worden bewegingen die daar haaks op staan getolereerd. De bezorgdheid die we van hoog tot laag uitspreken, heeft tot nu toe nog nooit geleid tot een beleid gericht op het wegnemen van deze voedingsbodem. Wanneer we niet verder komen dan het ontoelaatbaar verklaren van radicale bewegingen, zonder te vragen naar het waarom, kunnen we dit probleem nooit oplossen.
Zolang wij gevangen zitten in doodlopende denkpatronen staan wij ver van de realiteit van jonge generaties af. Er is geen aparte 'allochtonenwereld’ die als het ware losstaat van de Nederlandse samenleving. Alles speelt zich binnen deze maatschappij af. Het wordt tijd om de indeling allochtoon-autochtoon af te schaffen en de maatschappelijke vraagstukken niet langer langs etnische lijnen te definiëren.
Dat neemt niet weg dat wij op grond van onze ervaring met de migratie van de afgelopen periode van dertig jaar alert moeten zijn en dienen te blijven voor de eventuele nadelige consequenties van sociaal-economische ontwikkelingen voor diverse groepen in de samenleving. Het spreekt voor zich dat wij lessen trekken uit het verleden en anticiperen op veranderingen in de toekomst. Beleidsinspanningen moeten gericht blijven op een beter toekomstperspectief voor jongeren uit etnische groepen. De maatregelen dienen echter binnen de kaders van een algemeen beleid vorm te krijgen, gebaseerd op het principe van maatwerk. 'Allochtoon’ is een categorie noch een maat. Laten wij onze creativiteit inzetten om begrippen te creëren waarin recht gedaan wordt aan ieders individualiteit in relatie tot een rijke, diverse achtergrond.