Weg met ons en wij

Als student las de joodse schrijver Leon Wieseltier middeleeuwse Hebreeuwse teksten. Daarbij deed hij een ontdekking die zijn denken ingrijpend veranderde: hij had er niets mee te maken. ‘Ze waren me diep onvertrouwd, het was een verrukking om ze net als een niet-jood te kunnen lezen. Mijn joodse identiteit had ik bij het betreden van het klaslokaal afgelegd.’

De anekdote komt uit zijn fraaie essay Against Identity: An Idea Whose Time Has Gone. Wieseltier betoogt dat afkomst nu eenmaal een erfenis is die je door puur toeval hebt verkregen, en dus niet iets om trots op te zijn. Mensen die prat gaan op hun religieuze, seksuele of etnische identiteit willen dat liever niet waar hebben. ‘Ik schaam me er echter helemaal niet voor dat ik best wel eens géén man en niet-joods had kunnen zijn.’

Identiteit is een schil, ze zit altijd van buiten en niet van binnen. Die schil belemmert het zicht, zodat je je eigen gewoontes niet meer als een vreemdeling kunt zien en je er dus misschien wel minder van begrijpt dan wanneer je inderdaad een buitenstaander was geweest.

Identiteit gaat niet over wie je bent maar op wie je lijkt. Dat leidt tot conformisme en het maakt meteen ook duidelijk aan wie je niet loyaal hoeft te zijn: aan iemand die – toevallig – in sommige opzichten anders is.

Against Identity verscheen in 1994 en is gelukkig nog op het internet te lezen, want aan belang heeft het stuk niet ingeboet. Datzelfde internet knutselt nu dag en nacht aan de identiteit van zijn gebruikers door hun voorkeuren in kaart te brengen; je merkt het aan de zogenaamd gepersonaliseerde aanbiedingen die je krijgt voor boeken, verzekeringen, verre reizen. En in de politiek gaat het nu almaar over ‘wij’ en ‘ons’, over een gedeelde identiteit die je geacht wordt aan te voelen en anders pleur je maar op – naar welk land wordt er niet bij gezegd. Het is nog maar kort geleden dat je overal hoorde hoe individualistisch we tegenwoordig zijn.

Ik vind dat griezelig, die combinatie van afkomst en grond

Ik heb het niet zo op identiteit. Als het een schil is, dan toch een om zo veel mogelijk en zo vaak mogelijk af te pellen en kritisch te onderzoeken. Zo veel mogelijk, omdat er inderdaad erg veel is wat erbij lijkt te horen, het is een allegaar: familiebanden en familieruzies, godsdienst en voetbal, een koning of een president, de liedjes die je als kind hebt gezongen, het eten en het weer.

En zo vaak mogelijk, omdat de schil nogal veranderlijk is, net als mijn stemmingen en die van de samenleving. Ik word beïnvloed door de boeken die ik lees en de muziek die ik hoor, het uur van de dag en de mensen van wie ik houd, om maar wat te noemen. Gisteren was ik een ander iemand, of in ieder geval vorig jaar. Het lijkt me dan ook het beste om niet één identiteit te hebben maar een heel setje zodat je iets te kiezen hebt. (Wieseltier: ‘Ik hoor over iemand zeggen dat hij een dubbelleven leidt. Ik denk: twee maar?’)

Hetzelfde geldt voor de maatschappij. Waarden die voor eeuwig leken vast te staan veranderen in een of twee generaties in hun tegendeel, denk aan vrouwenrechten of het homohuwelijk. Dat is logisch en gezond. Het wordt pas problematisch als de nieuwe normen worden geclaimd met een beroep op de geschiedenis, als deel van een culturele identiteit die altijd zou hebben bestaan.

In zijn nieuwste campagnefilmpje laat Geert Wilders beelden zien van windmolens en paaseieren. Hij wil iets terugveroveren, zegt hij daarbij, namelijk: ‘het land van onze voorouders’. Ik vind dat griezelig, die combinatie van afkomst en grond. Doemt daar het beruchte duo Bloed & Bodem op? Ik ben niet de enige Nederlander wiens voorouders hier stomtoevallig niet allemaal hebben gewoond. Dat geldt ook voor Geert. Daarom verft hij zijn haar.

Merk op dat de PVV de enige partij is die de toekomst van Nederland in het verleden projecteert. Dat is niet alleen onlogisch, we kunnen niet terug, maar de manier waarop dat gebeurt is ook nog eens onwaar. Het verleden is een ander land, ze deden de dingen anders daar.

Dat zou hij weten als hij zich er net zo oprecht voor interesseerde als, bijvoorbeeld, Leon Wieseltier. In 1996 overlijdt diens vader en besluit hij volgens de joodse traditie elf maanden van rouw in acht te nemen, maanden die hij vult met de studie van de Talmoed en van rabbinale wijsheid, maanden die hij doorbrengt in de synagoge en in oude boeken. Het leverde een ongewoon rijk en veelvormig en vuistdik nieuw boek op. Het heet Kaddish en is moeilijk samen te vatten. Misschien zo: door zich intensief met de traditie bezig te houden vindt hij niet zozeer zijn identiteit maar zijn individualiteit, ontdekt hij het zachte wat er binnen de schil zit, namelijk zichzelf.