De terugkeer van de commons

Weg met staat en markt

Ze trekken zich niets aan van de markt, zijn geen onderdeel van de staat en groeien razendsnel. Ook het nieuwe downloadverbod zal de opmars van de commons, het gemeengoed, niet stuiten. ‘De kat is uit de zak en kan er niet meer in terug.’

Waar eerst fietsenrekken en verslaafden stonden, bloeien nu narcissen en kastanjeboompjes. ‘Het zag er niet erg gezellig uit’, merkt Conny Broeyer op met gevoel voor understatement. Vorig jaar april is zij met 25 andere vrijwilligers, op de smalle strook land ingeklemd tussen voorbijrazende auto’s en de treinen bij Leiden CS, begonnen aan de bouw van een Kweektuin. ‘De grond barst inmiddels van de wormen. Dat komt wel goed dus.’

Leidenaren brengen hier hun overtollige planten of bomen naartoe. Wandelend tussen de strakke, rechthoekige plantvakken – het ontwerp is van landschapsarchitecte Michelle de Roo, uiteraard ook vrijwillig – wijst Broeyer op de soms bijzondere begroeiing. Rechts kersenbloesems geschonken door de stad Nagasaki, links zeldzame bomen van de Leidse Hortus, verderop bloeit een cadeautje van het aan de overkant van het spoor gelegen academisch ziekenhuis. De tuin heeft geen omheining, want hij is gemeengoed: van en voor alle Leidenaren. Broeyer blijft staan bij een bescheiden kastanje. ‘Die stond bij een terras. Acht jaar oud. Een klein jongetje heeft hem gekweekt. Maar de boom werd te groot en hij vond het leuk als-ie later in het Singelpark komt te staan.’

Het Singelpark – daarvan is de Kweektuin het voorproefje. Doordat stap voor stap de losse stukken groen rond de historische Leidse binnenstad met elkaar worden verbonden, moet een aaneengesloten stadspark van ruim zes kilometer ontstaan. De gemeente had al langer plannen met het gebied. Een groep actieve bewoners kwam vervolgens met het initiatief voor het ‘langste, spannendste en mooiste stadspark van Nederland’. En, nog bijzonderder: ook nu de lokale politiek de eerste veertien miljoen euro heeft vrijgemaakt voor de ontwikkeling van het park zijn zij niet van plan hun voortrekkersrol op te geven.

‘Wij zijn geen klankbordgroep’, benadrukt Majella de Spaey van de Vrienden van het Singelpark, gezeten aan een houten picknicktafel aan de rand van de Kweektuin. Hoog boven haar hoofd rolt een trein het station binnen. ‘Zo ging het eerst wel: achteraf zeggen wat je van de plannen van de gemeente vindt. Nu doen we het vóóraf. We trekken hand in hand op met de gemeente’, vertelt De Spaey trots, terwijl haar collega-bestuurslid Conny Broeyer twee thermosflessen en een pakje stroopwafels uit haar draagtas haalt.

Dat betekent niet alleen dat de bewoners een doorslaggevende stem hebben in hoe het Singelpark eruit moet komen te zien; behalve extra subsidie aanvragen zullen ze straks ook zélf delen ervan onderhouden. Dat is geen handige bezuinigingsmaatregel van de gemeente, benadrukt De Spaey: ‘We willen de kwaliteit van het park straks verdubbelen. Dus niet één groot, makkelijk te maaien grasveld. Het moet echt iets bijzonders worden. Iets waar mensen zich verantwoordelijk voor voelen en voor in beweging willen komen. Dat kun je niet enkel aan de gemeente overlaten.’ Vandaar de bijzondere bomen en planten in de Kweektuin. Dat zorgt straks voor afwisselende begroeiing in het park, is gratis, én het betrekt de Leidse bevolking bij het project.

In de verte knielt een grijzende man bij een plantvak neer. Naast hem staat een plastic tas waaruit groene bladeren steken. ‘Het was aan het begin ontzettend wennen, zowel voor ons als voor de gemeente’, herinnert Broeyer, zelf ambtenaar bij een ministerie en voormalig pvda-raadslid in de stad, zich. Ze bladert door een dik pak papier. ‘Dit is de gebruikersovereenkomst voor de Kweektuin. Die hebben we voor een periode van vier jaar met de gemeente afgesloten, met optie tot verlenging.’ Ze wijst op een passage. ‘Hier: “Minder dan 10 stuks zwerfvuil per 100 vierkante meter.” Of neem deze regel: “>15 soorten per 15 vierkante meter.” Dat is typisch voor ambtenaren. Zij denken vanuit risico’s. En alles moet meetbaar.’

Het gaat erom dat je elkaar – burgers en lokale overheid – leert begrijpen. Dat lukt inmiddels heel aardig. De Spaey, werkzaam in de marketing en communicatie, beaamt dat: ‘Voor de gemeente is het natuurlijk ook een risico om samen te werken met een vrijwilligersorganisatie.’ Ze wijst naar de ingang van de Kweektuin: ‘In het begin zeiden de ambtenaren: “Kan die berg stenen daar niet wat sneller weg? Anders wordt er straks mee gegooid.” Inmiddels is er veel meer wederzijds vertrouwen.’ Misschien, denkt ze hardop na, kunnen ze straks met soortgelijke contracten, per deelgebied, vastleggen wie waarvoor verantwoordelijk is in het Singelpark. Als gelijkwaardige partijen.

Weinig Leidenaren zullen het beseffen, maar wat in hun stad gebeurt, is onderdeel van een bredere trend: de opmars van de commons, zoals het internationaal wordt aangeduid. Het gemeengoed dus. Daarvoor gelden noch de wetten van de markt noch het primaat van de staat. Daardoor komen geheel andere waarden en normen bovendrijven. In de economie van de commons ligt de nadruk niet op concurrentie, maar op samenwerking. Gezamenlijk beheer in plaats van particulier eigendom. Eigen initiatief en verantwoordelijkheid gaan boven gehoorzaamheid aan autoriteiten.

De commons, dat zijn de gemeenschappelijk beheerde boeren­gronden waarover Marx zo dramatisch schreef in Das Kapital

De term is sterk historisch en politiek geladen. De commons, dat zijn de gemeenschappelijk beheerde boerengronden waarover Karl Marx zo dramatisch schreef in Das Kapital. De teloorgang daarvan eind achttiende eeuw, waarbij ‘grote massa’s mensen plotseling en met geweld werden losgescheurd van hun bestaansmiddelen en als vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt werden geslingerd’, was volgens hem cruciaal voor het ontstaan van het moderne kapitalisme. In Nederland getuigt het in tal van straatnamen terugkerende middeleeuwse woord ‘meent’ van die bewogen geschiedenis.

Helemaal verdwenen is het gemeengoed nooit. Zo nam in Brazilië de beweging van landloze boeren in de afgelopen decennia vele miljoenen hectaren grond in gebruik. In de westerse landen golden de commons niettemin als achterhaald. ‘Dingen in het gemeen bezeten, worden van elkeen vergeten’, luidt een oud gezegde. Waar zowel de markt als de overheid afwezig is, zo was de gedachte, liggen chaos en verwaarlozing op de loer.

Een van de mensen die dat beeld hebben doen kantelen, is de in 2012 overleden Elinor Ostrom. Met haar onderzoek naar hedendaagse commons won zij de officieuze ‘Nobelprijs’ voor de economie. Jarenlang veldwerk had Ostrom tot het inzicht gebracht dat mensen heel goed gemeengoed kunnen beheren. Van irrigatiewerken in Spanje tot de bossen in Nepal, van berghellingen in Zwitserland tot visgronden in Indonesië: overal vond ze voorbeelden van nog altijd springlevende commons. En van spontaan ontstane afspraken en regels tussen groepen mensen over hoe er verstandig mee om te gaan.

Inmiddels is het gemeengoed terug van weggeweest. Soms, zoals bij het Leidse Singelpark, heeft het nog wat weg van de gemeenschappelijk beheerde, middeleeuwse gronden. Maar de meeste van die nieuwe, 21ste-eeuwse commons zien er heel anders uit. Neem open source software als Linux, niet beschermd door copyright maar vrijelijk te gebruiken en verder te ontwikkelen door iedereen die dat wil. Een standaardvoorbeeld van een ‘digitale common’. Het besturingsprogramma is bij bedrijven nog populairder dan bij consumenten. Juist de krachtigste computers werken ermee. Nog bekender bij het grote publiek is Wikipedia. De digitale cyclopedie is de vrucht van vrijwillige samenwerking tussen mensen overal ter wereld. Een gemeenschappelijk onderhouden, voor iedereen toegankelijk terrein. Niet om koeien te laten grazen, maar om kennis op te doen.

Wie het wíl zien, ontdekt overal om zich heen vormen van dat nieuwe gemeengoed. Van de veelbelovende sharing economy – de economie die draait om delen in plaats van bezitten – tot de talrijke initiatieven die uitgaan van samenwerking volgens het peer 2 peer-principe. Van de software die verschijnt onder speciale ‘copyleft-licenties’ tot ‘open science’, de beweging die wetenschappelijke publicaties wil bevrijden uit de greep van de grote, commerciële uitgevers. Van de zorgcoöperatie in het Noord-Brabantse Helenaveen tot stroomleveranciers als LochemEnergie (op de website: ‘We kunnen het zelf! Van ons, voor ons en door ons’).

Betrouwbare cijfers over de omvang van deze alternatieve economie zijn er niet. Anders dan de markteconomie laten de commons zich moeilijk kwantificeren. Maar onderzoek van een Amerikaanse belangenorganisatie naar dat deel van de economie dat floreert bij gratie van een lossere omgang met intellectueel eigendom – zoals het onderwijs en de IT-sector – kwam op bijna een vijfde van het totale bbp. In 2009 zouden hier meer dan zeventien miljoen Amerikanen in werkzaam zijn.

‘De grote mythe van het neoliberalisme is dat je niets collectief kunt doen’, stelt Michel Bauwens dan ook opgetogen in een Skype-gesprek vanuit Quito. De uit België afkomstige voormalige internetondernemer geldt als een van de meest actieve, uitgesproken voorstanders van de nieuwe commons. Vorig jaar verscheen zijn boek De wereld redden: Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving. Op dit moment is hij op uitnodiging van de linkse regering van Ecuador in het Zuid-Amerikaanse land. Doel is de mogelijkheden te verkennen van een nieuw soort economie, gebaseerd op de commons.

Een voorbeeld daarvan, in een overwegend agrarische maatschappij als Ecuador, kan volgens Bauwens ‘open landbouw’ zijn. ‘Ja, dat heeft wel iets weg van open source software. In landen als Frankrijk en de Verenigde Staten bestaan gemeenschappen van overwegend jonge mensen die eenvoudige tractors en andere landbouwmachines ontwerpen. Zij plaatsen die designs op het internet, waar ze voor iedereen beschikbaar zijn. Geïnteresseerden kunnen ze vervolgens zelf in elkaar zetten. Soms gaat dat met huis-tuin-en-keukengereedschap. In andere gevallen is een 3D-printer nodig om de afzonderlijke onderdelen te maken.’

Met de benodigde financiële steun en inzet zou de eerste ‘open source tractor’ er binnen achttien maanden kunnen zijn

Binnenkort organiseert hij met een groep mensen hierover een workshop in Sigchos, een landelijke gemeente van 22.000 vooral inheemse inwoners in de buurt van de Cotopaxi-vulkaan. Met de benodigde financiële steun en inzet zou de eerste ‘open source tractor’ er binnen achttien maanden kunnen zijn, meent Bauwens. Vooral kleine boeren zouden daarvan profiteren. ‘De kosten liggen tot wel acht keer lager dan wat de grote fabrikanten rekenen. Door steeds maar weer met nieuwere, grotere en vooral duurdere machines te komen, dwingen zij landbouwers om zich in de schulden te steken. Open hardware kan daar een einde aan maken. En het zou een land als Ecuador bevrijden uit de neokoloniale economische afhankelijkheid.’

Wikipedia, car sharing, energiecoöperaties, peer 2 peer: het zijn buitengewoon veel uiteenlopende initiatieven die onder de commons worden geschaard. Té veel, vindt Tine de Moor, hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Tot haar niet geringe frustratie wordt de term commons sinds een jaar of tien steeds verder opgerekt. ‘Alles wat de indruk van gemeenschappelijkheid wekt, wordt eronder geschaard. Daarbij doen sommige ideologen alsof de mensen vroeger in het aardse paradijs leefden. Terwijl het bij de oorspronkelijke commons echt niet over zaken ging waarvan zomaar iedereen gebruik mocht maken. Het waren clubs met voorwaarden. Bijvoorbeeld over het beperkte gebruik van weideland, maar ook van bossen en heel soms akkergrond.’ Commons, benadrukt De Moor, gedijen bij zelforganisatie, hoge participatie van de leden en onderlinge sociale controle: ‘Dat gaat nu eenmaal het best met een beperkte groep waarin iedereen elkaar kent, en waar duidelijk is wat ieders verantwoordelijkheid is.’

Zelf spreekt ze om die reden, als het over de nieuwe burgerinitiatieven gaat, liever over ‘instituties voor collectieve actie’. En ja, díe zijn inderdaad in opmars. Alleen al rond het opwekken en aankopen van energie zagen sinds 2005 ruim driehonderd nieuwe collectieven het licht, stelde zij in haar oratie vorig jaar. Nu al is elke Nederlander lid van gemiddeld 1,8 coöperaties, en dat cijfer kan wel eens verder stijgen. De Moor spreekt daarom van een derde golf. De eerste, dat waren de traditionele commons in de Middeleeuwen. De tweede golf plaatst zij tussen 1880 en 1920, toen in reactie op de versnelde ontwikkeling van de vrije markt tal van coöperaties, onderlinge waarborgfondsen en andere maatschappelijke organisaties werden opgericht. In die periode liggen ook de wortels van hedendaagse coöperatieve reuzen als de Rabobank (een van de voorlopers, de Boerenleenbank, werd eind negentiende eeuw opgericht) en Friesland Campina.

Nu is er opnieuw van alles gaande, constateert De Moor. Dat heeft volgens haar minder met de economische crisis te maken dan met het beleid van liberalisering en privatisering van de afgelopen decennia: ‘Zie het als een correctiemechanisme. Maar om dat dan allemaal onder de noemer van de commons te schuiven en uit te roepen tot alternatief voor het kapitalisme, zoals sommige activisten doen, dat helpt het debat niet verder.’ In haar ogen vormt het gemeengoed een mooie aanvulling op staat en markt. Niet de vervanging daarvan.

Begripsinflatie is niet het enige gevaar waarvoor wordt gewaarschuwd. In de Financial Times vroeg techniekfilosoof Evgeny Morozov zich hardop af of ontwikkelingen als de deeleconomie daadwerkelijk een alternatief vormen voor het huidige systeem. Hij zag eerder een ‘neoliberalisme op steroïden’. De alternatieve economie, schreef Morozov, zou fatsoenlijke fulltime banen verdringen, bedreigt vakbonden in hun voortbestaan en verandert ‘werknemers in altijd parate eenmansbedrijfjes die moeten denken als een merk’. ‘Heb je je baan verloren doordat Amazon je lokale boekwinkel tot sluiting dwong? Geen zorgen: je kunt je appartement verhuren via Airbnb. Jeff Bezos, de ceo van Amazon, wint hoe dan ook: hij is een investeerder in Airbnb.’

Alsof dat nog niet genoeg is, dreigt ook nog eens commerciële én politieke exploitatie van de commons. Dat eerste is een ouder probleem. ‘De eerste man die een stuk land omheinde en zei “dit is van mij”, en die mensen vond die naïef genoeg waren om hem te geloven – deze man was de stichter van de burgerlijke maatschappij’, schreef Rousseau al. Ook tegenwoordig pogen sommige mensen het gemeengoed te omheinen en tot hun bezit te verklaren. Zo willen bedrijven en hun juristen de grenzen van het intellectuele eigendom dusdanig oprekken dat ook geuren, het brullen van een leeuw (verbonden met het logo van entertainmentbedrijf Metro-Goldwyn-Mayer) en door iedereen gebruikte liedjes als Happy Birthday (geclaimd door Time Warner) eronder vallen. Critici beschouwen dit als pogingen om cultureel gemeenschapsbezit te privatiseren en commercieel uit te buiten. Om soortgelijke redenen beschouwen zij een algemeen downloadverbod, zoals vorige week door de Europese rechters afgedwongen in Nederland, als schadelijk voor de kenniseconomie en het creatieve proces. Het zijn de nieuwe hekken om de 21ste-eeuwse, digitale commons.

Van recentere datum is de politieke interesse hierin. Onder de vlag van de participatiemaatschappij moedigen overheden burgers aan om de bibliotheek, wegbezuinigd wegens krimpende begrotingen, zélf open te houden. Vrijwillig. Niet uit liefde voor het gemeengoed, maar om de pijn van de bezuinigingspolitiek te verzachten. Welfare wordt op die manier commonfare. Maar of de actieve burgers zich daarbij zo eenvoudig voor het karretje van de overheid laten spannen, is de vraag. Veel vrijwilligers, zoals die bij het Leidse Singelpark, zijn zich bewust van die valkuil. Zij varen nadrukkelijk hun eigen koers.

‘Liften is ook zo’n voorbeeld. Of couch surfing. Dat zijn eigenlijk heel traditionele vormen van generositeit’

Gevraagd naar wat Michael Hardt van al deze bezwaren vindt, valt er een diepe stilte aan de andere kant van de lijn. Dertig pijnlijk lange seconden verstrijken. De politiek filosoof, hoogleraar literatuurwetenschap aan Duke University en samen met Antonio Negri auteur van een van de bekendste en meest omstreden boeken over gemeengoed, Commonwealth, zwijgt.

Hello?

Vijftien seconden. Mister Hardt?

‘Ik zat na te denken.’ Ja, geeft Hardt toe, er heerst veel verwarring. ‘Een tijdje geleden was ik op een bijeenkomst in Berlijn. Het ging over de in Duitsland enorm populaire energiecoöperaties. Maak van energie een common, dat was het idee. Maar in de praktijk blijken het vaak hybride initiatieven te zijn. Hoewel het bestuur doorgaans bestaat uit gewone burgers is er een grote rol weggelegd voor lokale overheden. Je kunt zeggen dat dat halfslachtig is. Maar ik ben geen purist.’

Le nouvel Observateur vergeleek Hardt en zijn vriend Negri met de ‘Marx en Engels van het internettijdperk’. In het in 2009 verschenen Commonwealth betogen de twee radicale denkers dan ook dat de revolutie binnen handbereik is. Net als andere, vooral Italiaanse filosofen wijzen zij erop dat in het moderne kapitalisme de coöperatieve vermogens van mensen – samenwerken, communiceren, kennis delen – steeds belangrijker worden. Niet zonder leedvermaak wordt er gesproken over het ‘communisme van het kapitaal’. Nieuwe commons als Wikipedia en Linux bewijzen volgens Hardt en Negri dat de creatieve ‘multitude’ – de opvolger van de oude arbeidersklasse – beter dan ooit in staat is de productie helemaal zelf te regelen, zonder dat daar een baas voor nodig is. Het is een kwestie van tijd voordat de multitude zich van haar eigen kracht bewust wordt en zich ontdoet van het kapitalisme. ‘De kat is uit de zak, en kan er met geen mogelijkheid in worden teruggestopt’, schrijven de twee optimistisch.

De belangrijkste ontwikkeling sindsdien is, zo oordeelt Hardt nu, de bezetting van pleinen over de hele wereld. Van Zuccotti Park in New York tot Gezi in Istanbul: overal worden publieke of private plaatsen omgedoopt tot gemeengoed. ‘Neem Gezi Park’, zegt Hardt. ‘Daar ging het niet enkel om het blokkeren van de komst van een shopping mall. Het was niet zomaar een protest tegen het neoliberalisme. De betogers keerden zich ook tegen de staat. Ze wilden de publieke ruimte democratiseren. De grootste uitdaging van deze beweging van de pleinen is om de bezetting permanent te maken. Het moet meer zijn dan een bont festijn van twee maanden.’

Een nieuwe trend van een heel andere orde is wat zich de afgelopen jaren afspeelt in steeds meer kelders en aan keukentafels overal ter wereld. In die provisorische laboratoria binden jonge wetenschappers en amateurs de strijd aan met de farmaceutische industrie. Do it yourself-biologen zijn het, al luisteren ze ook wel naar geuzennamen als ‘biohackers’ of ‘biopunks’. Ze sleutelen aan genen en ontwikkelen nieuwe implantaten. Ontdekken ze iets nieuws, dan delen ze die kennis met iedereen die er interesse in heeft. In hun afkeer van patenten en copyright doen ze denken aan de mensen achter Linux en Wikipedia.

‘The era of garage biology is upon us’, begon in 2005 een essay in Wired. Ook Nederland kent een actieve gemeenschap van ‘diy-biologen’, met groepen in onder meer Groningen en Eindhoven. Op een bijeenkomst in de Amsterdamse Waag Society ging het begin deze maand over ‘doe-het-zelfneurologie’. Uit de aankondiging: ‘Naarmate de avond vordert gaan we over op cyborgtechnologieën: verbind de zenuwen van een deelnemer met de spieren van een ander. Of bouw je eigen cyborg, met op afstand bestuurbare kakkerlakken als model.’

Hoewel het vaak bij enthousiast geëxperimenteer door amateurs blijft, zijn er ook harde resultaten. Zo ontwikkelden drie Nederlandse studenten de ‘Amplino’. Het betreft een naar verhouding spotgoedkoop apparaat om malaria te diagnosticeren. Zeer geschikt voor afgelegen, moeilijk te bereiken gebieden.

Natuurlijk kan ook zo’n vinding uiteindelijk commercieel worden uitgebuit, reageert Michael Hardt desgevraagd. Maar dat doet volgens hem niet af aan het belang van de achterliggende ontwikkeling. ‘Er zijn altijd wel bezwaren of struikelblokken denkbaar. Neem car sharing. Ja, natuurlijk, je auto delen met buurtgenoten is iets wat altijd al gebeurde. Maar dat is het ’m juist! Wij lijden aan ideologische verblinding. De recente ontwikkelingen openen ons de ogen voor wat altijd al gemeengoed was. Liften is ook zo’n voorbeeld. Of couch surfing. Dat zijn eigenlijk heel traditionele vormen van generositeit.’

Met andere woorden: zo almachtig en alomtegenwoordig zijn de markt en de staat helemaal niet. Grote delen van ons leven onttrekken zich nu al aan hun greep. Iets meer optimisme over de mogelijkheid van politieke alternatieven mag dus wel, vindt Hardt: ‘Natuurlijk kun je eindeloos blijven praten over alle potentiële en daadwerkelijke beren op de weg. Maar je kunt je ook op iets anders richten. Kijk eens naar het verlangen van de mensen waar al deze ontwikkelingen een uiting van zijn. Dat is enorm.’