Film: Theo van Goghs Interview

Weg van het elitaire

Theo van Gogh

Interview

Met Katja Schuurman en Pierre Bokma

Te zien in het hele land

Interview, het nieuwste werk van regisseur Theo van Gogh en scenarist Theodor Holman, heeft als subtekst de strijd tussen hoge en lage cultuur. Mede daardoor is het een film vol verraderlijke valkuilen geworden. Bijvoorbeeld: het onderscheid tussen hoge en lage cultuur zou zijn verdwenen. Of toch niet? Nog een valkuil: Interview is een mislukte film. Allerminst. In weerwil van de slechte dagbladrecensies gaat het hier om een intelligente, vermakelijke Nederlandse speelfilm.

De kwaliteit van Interview is opmerkelijk; de meeste Nederlandse films zijn niet om aan te zien. Bovendien zou de combinatie «intelligent en vermakelijk» onhoudbaar moeten zijn gezien de plaats van de filmkunst binnen de Nederlandse cultuur. Tot voor kort, toen Nederlandse speelfilms bijna exclusief tot stand kwamen dankzij subsidies, was een film iets wat «kunst» hoort te zijn — geen vermaak en zeker geen populaire cultuur. De beste illustratie van deze gedachtegang is het gebruik van het woord «publieksfilm», in tegenstelling tot… wat? Een antipublieksfilm? Gemaakt voor wie dan? Mensen die verstand hebben van «Kunst»? Dus niet het publiek? Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich De Nieuwe Nederlandse Speelfilm: Costa!, Volle Maan en Ja zuster, nee zuster. Voor het volk gemaakt met veel fiscaal aftrekbaar, particulier geld. Het effect mag er zijn: miljoenen Nederlanders kijken weer naar films in hun eigen taal. Toch zijn weinig filmcritici te spreken over deze werken. Want: «Publieksfilms!»

In tegenstelling tot wat de Volkskrant en Het Parool beweren in hun recensies van Interview is de strijd tussen «hoog» en «laag» nog niet gestreden in Nederland. Daarom is deze film zo relevant. Net zo als de geestelijk gehavende journalist Pierre (Pierre Bokma) neerkijkt op het verleidelijke soapleeghoofd Katja (Katja Schuurman) bejegent de culturele elite in Nederland de meeste populaire kunstvormen met argwaan, op z’n minst.

Een populaire cultuurtest: wie kan de nieuwste plotwendingen navertellen van Goede tijden, slechte tijden, Buffy: The Vampire Slayer of Frasier? Sterker, wie heeft überhaupt ooit van Frasier gehoord? Wie kijkt uit naar Baantjer? Luistert iemand naar Frans Bauer? Is er iemand die weet hoe Patty van Patty’s Posse aan die rare vriend van haar komt? Wie juicht nu Roseanne en Seinfeld terug zijn op de Nederlandse televisieschermen? Wie verheugt zich op de filmversie van Hell Boy? En van The Hulk? Maakt het iemand iets uit of Jean Grey (Famke Janssen in X-Men) nu wel of niet zal veranderen in Dark Phoenix? Of dat Rafaël van der Vaart, en niet Steven Pienaar, volgend seizoen het nummer 10-shirt zal dragen?

Antwoord: er zijn miljoenen mensen die op de hoogte zijn van de voetbaltechnische polemieken bij Ajax, die iedere avond naar GTST kijken en naar Frans Bauer luisteren. Maar wie ofwel geïrriteerd is door de hierboven gestelde vragen óf ze niet kan beantwoorden, is niet op de hoogte van de moderne populaire cultuur. Ja, er zitten veel Amerikaanse thema’s tussen, maar de populaire cultuur uit dat land bekleedt nu eenmaal wereldwijd een dominante positie. Dat is maar goed ook, want uit geen ander land komen betere films en televisiedrama- en comedyseries. Ook deze stelling zal op verzet stuiten bij intellectuelen die constant klagen over «Amerikaanse toestanden».

De binnen de gelederen van de elite heersende chronische onwetendheid over en gebrek aan belangstelling voor de populaire cultuur suggereert dat de muur tussen hoge en lage cultuur nog overeind staat, in elk geval in Nederland. Maar ook dat kan een valkuil zijn: de wetenschappers van de postmoderne discipline Cultural Studies zullen als eerste roepen dat de strijd tussen hoog en laag geen punt meer is. Dat klopt ook, tot op zekere hoogte. In hun uitstekende nieuwe boek Inleiding televisiestudies (uitgeverij Boom) betogen Joke Hermes en Maarten Reesink terecht dat meer mensen uit verschillende bevolkingslagen door de toegenomen welvaart toegang hebben tot de wetenschap. Onderzoekers vertalen vervolgens hun persoonlijke geschiedenis in hun werk, waardoor traditionele kaders van «hoog» en «laag» radicaal verschuiven.

Dat mag zo zijn. Vertel het maar de verslaggever van het Algemeen Dagblad, die na een interview met Hermes en Reesink ademloos concludeert dat de auteurs zich op een «glibberig pad» begeven met hun boek. Hun werkkamer oogt «vreemd voor een wetenschapper». Niet dikke boeken prijken op de boekenplanken, maar videobanden met afleveringen van De Bus, Barend en Van Dorp en Lotto Miljonairs.

De reactie van de verslaggever is een perfecte illustratie van hoe men in Nederland tegen de populaire cultuur aankijkt: het is nog altijd eigenlijk onacceptabel dat iemand het in zijn hoofd zou halen deze «lage» populaire cultuur uitingen op een academische wijze te bestuderen. De wetenschap, dat is toch iets voor de politiek, kunst en literatuur? Niet voor televisie. En al helemaal niet als het gaat om iets als De Bus.

Anders is de situatie in Angelsaksische landen. Dat toont een bundel als Quality Popular Television (British Film Institute, 2003), samengesteld door Mark Jancovich en James Lyons. Hierin gaan de auteurs niet eens in op de vraag of het publiek en collega-wetenschappers hun werk nu wel of niet serieus nemen. Hun stelling luidt dat modern televisiedrama een ongekend hoog, literair niveau heeft bereikt, bijvoorbeeld Buffy, The X-Files en The Sopranos, en dat deze werken aan de hand van «hoge» criteria dienen te worden beoordeeld.

Ook de film Interview van Theo van Gogh past binnen de nieuwe categorie van hoge populaire cultuur. De visuele stijl boeit; de draagbare cameraatjes waarmee de film is gedraaid, laten de gezichten van de personages geen moment met rust. Maar de belangrijkste kracht van de film zit in de subversieve aard ervan. Zowel de regisseur als zijn soapsterretje is geen lieveling van de culturele elite in Nederland. Van Gogh heeft de reputatie van een braller die wars is van opsmuk en Schuurman is een naaktmodel voor de Playboy die tevens in onuitstaanbaar slechte films uit de kleren gaat (Oesters van Nam Kee). Dat deze ondermijning van de goede smaak plaatsvindt binnen het kader van een elitaire vorm — de experimentele kunstfilm — representeert een ideologische machtsverschuiving, weg van het elitaire in de richting van het populaire. Immers, in Interview overwint de verleidster Katja. En zit haar tegenstander, de elitaire druiloor Pierre, vast in haar valkuil.