‘Goed kijken is een beweging voorover maken’. Is dit een constatering, een aansporing? Het is in elk geval een onvergetelijke dichtregel. De regel die eraan voorafgaat (‘Een blik werpen is te weinig’) wordt er bijna overbodig van.

De zin is afkomstig uit ‘Glas is een trage vloeistof’, het slotgedicht van K. Michels Waterstudies uit 1999. Je zou hem als motto kunnen lezen bij zijn oeuvre, als een beginselverklaring. In zijn gedichten begint het denken bij waarnemen, en er wordt flink wat nagedacht. Het beschouwen lijkt niet tot doel te hebben de wereld te duiden of oplossingen aan te dragen, maar om de vragen te intensiveren, de zaken op z’n kop te zetten. Een beetje zoals de dichter Chris Dewdney, die in Michael Ondaatje’s gedicht ‘Pure Memory/Chris Dewdney’ boven het wiegje van zijn vier maanden oude dochter een wereldbol heeft gehangen, ondersteboven: ‘This way he says she’ll have to come to terms with the shapes all over again when she grows up.’

Het vanzelfsprekende is in & rol door, Michels nieuwe bundel, lang niet altijd vanzelfsprekend. Soms weet je werkelijk niet wat je ziet of leest, al zie je van alles, zoals in de openingsregels van Rode draden, een tekst in acht korte fragmenten:

de veerboot heeft een ei gelegd
diezelfde nacht nog heeft de vuurtoren het bevrucht
het ei is ovaal, meet 2 meter in doorsnee
en heeft groene spikkels

Grappig dat het intrigerende gedicht zelf ook voor een raadsel staat: ‘over het uitbroeden – wie hoe – spoedoverleg’. Dat die veerboot überhaupt een ei heeft gelegd dat door een vuurtoren is bevrucht, is blijkbaar het probleem niet.

In een gedicht als ‘Rode draden’ komt Michel dicht in de buurt van het abstracte en het absurde, al zijn er inderdaad rode draden te bespeuren – een ei, de zee, een plein met een zwart-wit tegelpatroon, maar dat zijn natuurlijk schijnzekerheden, net als de summiere en pesterige toelichting in drie voetnoten. En het mag dan zogenaamd lichtvoetig zijn, het dromerige kan zomaar omslaan in een nachtmerrie, bijvoorbeeld als een man ‘na de neuscorrectie en het langdurige herstel’ voor de spiegel staat, de pleisters losmaakt, het verband ‘ontspoelt’ maar verward raakt in de windels en het verband blijft afwikkelen maar zijn gezicht niet vindt.

Het gaat sowieso niet best met veel figuren. Zo is er weemoed omdat het leven anders had kunnen verlopen als de ik ‘je hand had gepakt’. Of iemand zit in ‘Smalle brief’ zomaar ‘verslagen’ op de rand van een hotelbed. Terwijl hij naar zijn knieën kijkt, verschijnt links van hem, ‘vaag maar onmiskenbaar’ en ‘glanzend als de maan’ het hoofd van Picasso, en rechts ‘het nobele gelaat van captain Picard/ sereen als in Star Trek’. De verschijningen ‘brengen goede moed/ en doen het suffe licht trillen als sterrenstof’. In ‘Spektakel’ zijn alle levende wezens aan elkaar verbonden door vrees, in ‘& rol door’ wordt de ik nagesynchroniseerd en is stress ‘een circuspaard op een trampoline’ – schitterend beeld trouwens. Soms is de irritatie nauwelijks te onderdrukken (‘“Al dat gejammer”/ Dus gaf ik een stamp tegen de meditatieboom’), en soms raakt het onverwacht grimmig, zoals in ‘Duwen deur klemt’:

De verminking kunstig accentueren, dat lijkt Michel te willen doen

Soms is het moeilijk om te kiezen welke
knopen door te hakken, waar de rotonde
te verlaten, wie uit de luchtballon te gooien
welke hand te bijten, welk signaal te negeren.

Ik moet hier weliswaar om glimlachen, maar je vraagt je toch af of een ballonvaart nog wel zo veilig is en waar je voortaan je handen moet laten. En wat te denken van de vrouw met ‘openhangende regenjas, dikke trui’ die in ‘Alles alles alles’ bij de ingang van een woontoren op allerlei bellen begint te drukken en door de intercom een tirade afsteekt met als centrale boodschap ‘De meeste dingen/ kun je maar één keer breken’, terwijl de seizoenen komen en gaan. Is ze een engel met een boodschap, of een waarschuwing, of gewoon een verwarde vrouw die er tussenuit is gevallen en van geen ophouden weet?

Neon de maan. Helm verplicht.
Een woud van hijskranen, wachtposten
met lange snavels. Gedruis.
Rood knipperende antennes.
Enorme containers met beton zwieren
af en aan, worden leeggeschonken.
Hoge grote lampen belichten de bouwvlakte
als de speelvloer van een moderne opera.
Nachtvogels vliegen schichtig
door de baaierd van halogeen heen,
boodschappers die een ver vreemd hof
gaan berichten wat aanstaande is.
Zo dus krijgt de wisseling van de macht
contouren. En wij adembenomen
lopen snel door voor het beton gaat regenen.

Berlin Mitte ’98

In ‘Hink stap stop start’ lees ik iets meer over dat breken. Na allerlei identiteiten te hebben gepast (ontbijtober, vuurspuwer, vouwer van ballondieren) leerde de ik in een cursus kalligrafie & ceramiek om scherven ‘te accepteren, kintsugi, de kunst/ breuklijnen te accentueren met goudlak’. De titel van de bundel zinspeelt hierop: red jezelf en maak wat van het falen, ‘struikel je voorover, hou je dan slap/ en rol dóór’.

De verminking kunstig accentueren, dat lijkt Michel in & rol door te willen doen. Schijnbaar goed geluimd (de gedichten hebben als vanouds een enorme vaart) denkt de dichter terug aan voorbije en gedane zaken, merkt van alles op, maar dan stokt het opeens en gaapt de leegte, zoals in het briljante ‘Taalnood’, waarin de herinnering aan het bouwen van een zandkasteel gefrustreerd wordt omdat de taal tekortschiet, of in het even schitterende en hallucinante ‘In de wereld van Carl Frederik Hill’ dat eindigt met ‘het land van wit’: daar waar de verbeelding stopt, stopt de geest.

De waarnemer in deze gedichten kan ondanks alle geamuseerdheid niet verhullen dat hij wil ontsnappen. Het bijzondere opmerken geeft houvast en maakt ruimte vrij voor bewondering van het onopgemerkte en ongerijmde, maar biedt ook een broodnodige uitweg – weg van het gangbare, weg van de grote en kleine ellende, en weg van jezelf:

Het zelf, die vreemde
wandelende zandplaat
dat minst bewoonde
eiland in je hele Waddenzee