Hoofdcommentaar

Weg van schijnwerkelijkheid!

In haar onthutsende boek De Crisiskaravaan reist journalist Linda Polman in een tweehonderd pagina’s lange tocht langs hulporganisaties die als sprinkhanen in crisisgebieden neerstrijken, pr-oorlogen uitvechten en een mobiele leedindustrie vormen. Ze eindigt met de voor de hand liggende vraag: als hulpverlening in door armoede en oorlogen verscheurde gebieden zo’n farce is geworden, wat moeten we dan? Daar heeft Polman geen antwoord op en ze vindt dat ook niet nodig. Van oorlogsverslaggevers die het debacle van de Amerikaanse aanpak in Irak beschrijven, wordt toch ook niet verwacht dat ze weten hoe de oorlog dan wél gevoerd moet worden?
Het is een teleurstellend einde van een boek waarin Polman haar lezers talloze verhalen en anekdotes aanreikt die niet de vraag opwerpen hoe we humanitaire hulp moeten geven, maar of we die moeten geven. Polman schuwt geen detail om het cynisme van ngo’s te onderstrepen en deinst niet terug voor een vergelijking tussen onze hulpmissies in oorlogsgebieden en hulp in de concentratiekampen van de nazi’s, maar wil daar verder geen conclusies aan verbinden. En daarmee illustreert De Crisiskaravaan de grote makke van het eindeloze debat over humanitaire en ontwikkelingshulp.
Dat debat vlamt elke paar jaar op en heeft van een paar dingen erg veel en van andere dingen erg weinig. Er is bepaald geen gebrek aan critici die beschrijven hoe cynisch het contrast is tussen hulpverleners in robuuste, airco gekoelde wagens en de stervenden, hoe ‘het hele circus’ van ngo’s zijn eigen belangen in de gaten houdt, hoe menselijk leed handelswaar wordt, hoe schrijnend het is dat noodhulp bij milities terechtkomt, hoe willekeurig het is dat de ene streek of het ene land wel en het andere geen hulp krijgt, hoe hulpmissies en ontwikkelingsgelden vaak in een feest van corruptie en diefstal uitmonden en dat er na zestig jaar ontwikkelingshulp nog steeds een miljard mensen in armoede leven.
In dat debat is het ook dringen op de morele hoogte. Er zijn in Nederland nogal wat journalisten, hulpverleners, militairen en politici die met eigen ogen menselijke misère in andere delen van de wereld hebben gezien en die uitgesproken schamper zijn over anderen die niet hun ideeën of aanpak delen. En ten slotte ontbreekt het ook al jaren niet aan studies die vaststellen dat alle guldens en euro’s efficiënter moeten worden besteed, die vraagtekens zetten bij de huidige praktijk en die om concretere doelstellingen vragen.
Waar het in het hulpdebat juist aan ontbreekt zijn de conclusies op hoger niveau, de oplossingen die maken dat we met ons geld wél werelddelen uit de armoede en achterstand kunnen tillen. Die oplossingen zijn er natuurlijk niet en daarom heeft het hulpdebat veel weg van een cirkeltje van bittere verwijten rond vragen waar niemand het antwoord op heeft. In dat cirkeltje wemelt het van de non-argumenten, nu vooral afkomstig van de VVD, die het hulpbudget wil halveren omdat het niet zou werken en er te veel PvdA’ers in het hulpcircuit meedraaien. Toen vorig jaar bleek dat de aanpak van jeugdcriminaliteit niet werkte en sommige jongeren juist crimineler maakte, concludeerde niemand dat we dan maar moeten stoppen met beleid tegen jeugdcriminaliteit. Dat het in defensiekringen wemelt van de VVD’ers is ook voor niemand reden om het defensiebudget te halveren. Maar in het hulpdebat is de morele hoogte gauw bezet.
Discussies over vredesmissies, nauw verwant aan die over humanitaire hulp, volgen hetzelfde patroon. Ook zij scoren sterker op frustratie en bittere verwijten dan op oplossingen. Bij vredesmissies zijn allerlei bekende vraagtekens te zetten en geregeld valt de dooddoener dat ‘we niet alle oorlogen ter wereld kunnen beëindigen’, maar niemand wil staan kijken bij een tweede genocide als die in Rwanda. Niemand weet precies hoe groot de kans daarop is in Congo, en hoe groot de kansen zijn op succesvol ingrijpen.
Binnen die smalle marges moeten de discussies over ontwikkelingshulp en interventie worden gevoerd. Ondanks alle retoriek zijn er maar weinig serieuze politici die menen dat een van de rijkste en voorspoedigste samenlevingen die de wereld ooit gekend heeft niet een fractie van een cent per euro overheidsgeld over zou moeten hebben om te proberen mensen elders te helpen – zelfs als een deel van dat geld slecht besteed wordt en we niet kunnen controleren of het tot structurele ontwikkeling leidt. Even weinig politici menen dat we oorlogen elders maar rustig moeten laten uitwoeden, al was het alleen maar uit welbegrepen eigenbelang.
Binnen die nauwe marges, begrensd door wat we willen en wat kan, is een debat welkom. Niet over wie de grootste cynicus is, de grootste verspiller of de grootste egoïst, maar over praktische invulling – over de verplichting van ngo’s om samen te werken bijvoorbeeld, wat centraal staat in het nieuwe plan van minister Koenders. ‘Ik wil mij intelligent verantwoorden over de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking’, stelt Koenders. ‘Weg van simplificatie en schijnwerkelijkheid.’ Hij heeft groot gelijk.