Saoedi-Arabië heeft een seksuele revolutie nodig

Wegen door de woestijn

In Saoedi-Arabië komen vrouwen in opstand tegen de repressie door het regime. Ze strijden voor hun rechten, bijvoorbeeld door auto te rijden – wat vrouwen verboden is. Meer dan alleen het rijverbod klagen ze een systeem van sekseapartheid aan dat in stand wordt gehouden door de patriarchen.

Medium saudi2

In 1990 negeerden 47 Saoedische vrouwen openlijk het verbod op het besturen van een auto dat voor vrouwen in het koninkrijk geldt. Ze gingen achter het stuur zitten en reden in een lange colonne door de hoofdstad Riad. In moskeeën werden ze uitgemaakt voor hoeren, ze mochten twee jaar lang niet werken en hun paspoorten werden tijdelijk ingenomen.

Saoedi-Arabië, dat zoveel auto’s over de hele wereld van brandstof voorziet, verbiedt nog steeds de helft van zijn eigen bevolking om auto te rijden. Het conservatieve regime heeft dit verbod en de sekseapartheid in het algemeen altijd gerechtvaardigd met het argument dat de Saoedische maatschappij ‘nog niet klaar’ is om vrouwen meer rechten te geven. Dit soort smoezen wordt in Saoedi-Arabië en andere dictatoriale regimes niet alleen gebruikt om de roep om verandering af te wijzen, maar ook om zelfs de kleinste concessie aan vrouwenrechten voor te stellen als een gedurfde en progressieve maatregel. Dit is onzin en moet ook als zodanig aan de kaak worden gesteld.

De Saoedische koninklijke familie hult zich in de islam en doet zich voor als de hoeder daarvan – de koning is ‘de Wachter van de Twee Heilige Moskeeën’ (de moskeeën in Mekka en in Medina) en daarmee wordt elke kritiek op haarzelf meteen kritiek op de islam. Sinds Abdul Ibn Saud de stammen verenigde om het land te stichten dat naar zijn familie werd genoemd heeft de koninklijke familie een overeenkomst met de geestelijken, waarin de koninklijke familie over de buitenlandse politiek en de olierijkdom gaat, terwijl de geestelijken de harten en hoofden in het land regeren. Er zijn wel conflicten geweest tussen deze twee polen van macht en invloed, vooral over de door de koning gefinancierde universiteit die als enige in het koninkrijk een campus heeft waar geen scheiding tussen de seksen bestaat, tot verdriet van de ultraconservatieve geestelijken. Maar hoe ze zichzelf tegenover buitenlandse bondgenoten ook presenteert als het ‘redelijker’ alternatief, de koninklijke familie begrijpt heel goed dat die frase, ‘de samenleving is er nog niet klaar voor’, alleen maar een excuus is om kritiek op de erbarmelijke vrouwenrechtensituatie in het land terzijde te schuiven.

En de koninklijke hoofden weten dat ze kunnen rekenen op het zwijgen van hun bondgenoten, dankzij de olie-export, miljarden dollars aan wapen- en zakentransacties en het feit dat moslims, vooral moslims die tot de soennitische stroming behoren, niet graag kritiek op hen leveren.

Hoe kan het anders dat er op alle Olympische Spelen tot die van 2012 telkens weer een Saoedisch team verscheen zonder één vrouw erin? (Ondertussen werd het Afghaanse team geweerd wegens discriminatie van vrouwen onder het regime van de Taliban.) Het Saoedische excuus was altijd dat meisjes in het koninkrijk nu eenmaal niet mochten deelnemen aan sport. En de wereld, en schandelijk genoeg ook het Internationaal Olympisch Comité – dat volgens zijn statuten alle vormen van discriminatie verbiedt – heeft dat geaccepteerd. Waarom mochten meisjes en vrouwen in het koninkrijk niet aan sport doen? Omdat ultraconservatieve geestelijken hadden gezegd dat vrouwensport zondig is.

Mocht je je afvragen hoe sport zondig kan zijn, kijk dan eens naar een boek uit 2006 van de geestelijke Mohammed al-Habdan. ‘Dit [sport voor vrouwen] is precies wat de ongelovigen in het Westen willen’, schreef hij. ‘Hun plan is om moslimvrouwen uit hun huis te lokken en vervolgens ook uit hun hoofddoek.’ Het wordt nog erger: blijkbaar is vrouwensport niet alleen een westers complot, maar ook een toegangspoort naar de verleiding van Sappho. Habdan schrijft dat meisjes zich misschien wel tot elkaar aangetrokken gaan voelen als ze hun klasgenoten in strakke broekjes en shirtjes hebben gezien. Daarom, zegt Habdan, zullen ‘goede’ Saoedische meisjes zich nooit ergens anders dan thuis ontkleden.

Deze hyperseksualisering van meisjes en vrouwen komt maar al te vaak voor onder de ultraconservatieve geestelijken van het koninkrijk en zegt ongetwijfeld meer over henzelf dan over de vrouwelijke bevolking van hun land.

Een paar dagen voor de openingsceremonie van de Spelen in Beijing postte de Saoedische vrouwenrechtenactiviste Wajeha al-Huwaider een video op YouTube als protest tegen het verbod op sport voor vrouwen in haar land. Andere vrouwen overtraden het verbod door clandestien te voetballen of te basketballen en te leren paardrijden. In 2008 verboden religieuze autoriteiten een vrouwenmarathon en een vrouwenvoetbalwedstrijd, maar het vrouwenbasketbalteam van Jeddah United verscheen wel in het openbaar, als onderdeel van de strijd tegen het verbod. De teamleden riskeerden de woede van de staat maar waren vastbesloten om erkenning te krijgen.

Dankzij al deze inspanningen kon het ioc er niet onderuit om Saoedi-Arabië tot concessies te dwingen. Het koninkrijk vaardigde twee vrouwelijke atleten af naar de Londense Spelen in 2012. Ultraconservatieven begonnen een kwaadaardige campagne tegen deze twee vrouwen, waarin ze ‘hoeren’ werden genoemd – net als de geestelijken van het regime in 1990 hadden gedaan tegenover de vrouwen die de moed hadden om te gaan autorijden – met de hashtag ‘Olympische prostituees’ op Twitter en andere sociale media. Geen enkele Saoedische tv-zender zond beelden van hun deelname uit.

Saoedi-Arabië stuurde in september 2014 geen vrouwen naar de Aziatische Spelen in Zuid-Korea.

In mei 2013 werd het verbod op sport in particuliere meisjesscholen opgeheven, op voorwaarde dat de leerlingen zich hielden aan ‘fatsoenlijke’ kledingvoorschriften en de regels van de sharia. Woordvoerder Mohammed al-Fakhini van het ministerie van Onderwijs zei volgens het Saoedische persbureau spa dat het opheffen van het verbod op sport ‘voortkomt uit de leer van onze religie waarin vrouwen dit soort activiteiten in overeenstemming met de sharia wordt toegestaan’. Dat was precies wat Wajeda al-Huwaider ook had gezegd: dat de islam vrouwen aanmoedigt om aan sport te doen en dat vrouwen het in de tijd van de Profeet ook deden, en al-Huwaider was voor ‘extremist’ uitgemaakt.

De proef op de som moet nog komen, met de overheidsscholen. In de particuliere scholen heeft het regime het sporten al oogluikend toegestaan. In april 2014 meldde spa dat de Sjoeraraad het ministerie van Onderwijs had gevraagd om te bekijken of sport voor meisjes in overheidsscholen op het lesprogramma kon komen, opnieuw onder voorwaarde dat de scholen zich hielden aan de shariavoorschriften op het gebied van kleding en seksescheiding.

Volgens Reuters organiseerden conservatieven een demonstratie bij het koninklijke hof in de hoofdstad Riad tegen ‘verwesterende’ veranderingen. Wat is er ‘verwesterend’ aan sport voor meisjes? Net zoals ze dat doen als het gaat om de hijab halen conservatieven onjuiste culturele argumenten van stal om de ware aard van de strijd te verbloemen. Deelname aan sporten moet een recht worden voor alle meisjes in Saoedi-Arabië, niet alleen voor de meisjes wier families het zich kunnen permitteren om hen naar privé-scholen te sturen. De rijken kunnen vaak – maar niet altijd – ontkomen aan bepaalde vormen van vrouwenhaat, en de kansarme, meest gemarginaliseerde en kwetsbaarste vrouwen zijn vaak degenen die het hardst door die haat worden getroffen.

Bij de beperkingen op het gebied van sport en autorijden gaat het in principe maar om één ding: mobiliteit. Saoedische vrouwen kampen met heel wat problemen, maar geen ander onderwerp toont zo duidelijk hun gevangenschap onder dit regime.

Een jaar voor de Olympische Spelen in Londen kreeg Manal al-Sharif negen dagen gevangenisstraf omdat ze een auto had bestuurd met haar broer op de passagiersstoel naast zich, waarna ze de film van haar overtreding op YouTube had gepost. Met een geweld alsof ze een terrorist kwamen vangen vielen politiemensen het appartement van deze alleenstaande moeder van een peuter binnen om haar te arresteren.

De autorijdcampagne van Manal al-Sharif in 2011, die grotendeels online was georganiseerd, bracht tientallen vrouwen de weg op. Ook zij plaatsten een filmpje van zichzelf op YouTube en sommigen boden aan om hun landgenotes rijles te geven. Sommige bestuursters kwamen ongehinderd weer thuis. Anderen werden gearresteerd en pas weer vrijgelaten nadat hun vader een belofte had ondertekend dat zijn dochter niet meer zou autorijden. Al deze vrouwen hadden buiten Saoedi-Arabië hun rijbewijs gehaald, maar mochten dat in het koninkrijk niet gebruiken.

Grootmoefti Abdulaziz zei dat het toelaten van vrouwen tot de politiek gelijk zou staan aan ‘de deur opendoen voor de duivel’

Al-Sharif zei tegen de pers dat een bui altijd met één regendruppel begint en ze waarschuwde dat het koninkrijk de orkaan van de vrouwenrechten niet voor altijd in bedwang zal kunnen houden. Conservatieven zagen zo’n bedreiging in al-Sharifs regenbui dat ze uiteindelijk werd ontslagen uit haar functie bij een van de grootste oliemaatschappijen van de wereld en van Saoedi-Arabië naar Dubai moest verhuizen.

In oktober 2013, twee jaar na de arrestatie van Manal al-Sharif, gingen ongeveer zestig Saoedische vrouwen achter het stuur zitten. Deze keer belandde een kleiner aantal van hen in de gevangenis. Interessant genoeg veranderde de staat van tactiek en werden twee mannen, onder wie een columnist, een paar dagen in de gevangenis opgesloten vanwege hun steun aan de autorijdactie van de vrouwen. En het regime moest erkennen wat het tot dan toe altijd had ontkend: dat het niet de samenleving was die ‘niet klaar’ was voor vrouwelijke automobilisten.

Saoedische vrouwen rijden al jaren auto, vooral in meer afgelegen gebieden. Sommige vrouwen kleden zich dan als een man om niet op te vallen. Anderen rijden alleen in noodgevallen, als een familielid snel naar het ziekenhuis moet. Weer anderen rijden gewoon om het rijden zelf. De wereld is niet vergaan. Hun aanwezigheid achter het stuur heeft geen massahysterie veroorzaakt onder mannelijke automobilisten en verscheidene vrouwen hebben de steun van hun mannelijke familieleden. Het zijn het regime en de geestelijken die niet klaar zijn.

Medium saudi

In de campagne van 2013 reden zestig vrouwen mee, maar een stuk of tien meer dan in 1990. Dit is een teken dat de vrouwen in Saoedi-Arabië bang zijn en hun onderdrukking als iets onvermijdelijks zijn gaan zien. Toch is het onmogelijk dat degenen die van de autorijdcampagne hebben gehoord er niet door veranderd zijn. Net zoals mensen in de hele regio die op hun tv- of computerscherm revoluties en opstanden zien onherroepelijk zijn veranderd, of ze nu wel of niet met de protestacties gaan meedoen.

Tijdens zo’n rit van Manal al-Sharif, voordat ze in 2011 werd gearresteerd, zat Wajeha al-Huwaider naast haar op de passagiersstoel te filmen. Al-Huwaider was de vrouw achter de video waarin Saoedi-Arabië werd aangeklaagd omdat er geen vrouwen zaten in het Saoedische team op de Olympische Spelen van Beijing. In 2010 had al-Huwaider ook een clip van zichzelf achter het stuur gemaakt, waarin ze aanbood om andere Saoedische vrouwen rijles te geven en een open brief reciteerde waarin ze de minister van Binnenlandse Zaken opriep om het verbod op autorijden voor vrouwen op te heffen.

Al-Huwaider is altijd een onvermoeibare, felle en soms eenzame strijdster geweest voor de rechten van vrouwen in Saoedi-Arabië. Reizen werd haar verhinderd, ze mocht niet voor de lokale pers schrijven en vaak is haar verweten dat ze ‘stunts’ uithaalde, ‘te extreem’ was in haar feminisme, te ver van de werkelijkheid in Saoedi-Arabië af stond. Maar het is nu juist haar ‘extremisme’ dat een repressieve samenleving raakt waar dat het meest pijn doet. ‘Te ver af staan’ van een samenleving waarin vrouwen hun onderdrukking onvermijdelijk zijn gaan vinden, is bewonderenswaardig.

Al-Huwaider, Manal al-Sharif en al die andere vrouwen die betrokken waren bij de drie golven van autorijdprotesten hebben nooit iemand gevraagd hen te komen ‘redden’. Zij vechten tegen onvoorstelbaar obscurantisme en vrouwenhaat en hun strijd is het bewijs dat Saoedische vrouwen niet alleen klaar zijn voor verandering, maar die ook eisen. Het is laf en beschamend om te weigeren hun strijd te erkennen, zoals de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry deed tijdens zijn bezoek aan Saoedi-Arabië, kort na de autorijdcampagne in 2013. Toen journalisten hem vroegen hoe hij over de eisen van de vrouwen dacht, zei hij in feite dat Saoedi-Arabië het recht had om zelf te bepalen welke sociale orde het beste was voor het land.

Geen aandacht voor de strijd of de moed van de vrouwen. Geen aandacht voor de schandelijke schendingen van vrouwenrechten. Was een etnische of religieuze groep behandeld zoals Saoedische vrouwen worden behandeld, dan zou die apartheid al lang geleden veroordeeld zijn en zou Saoedi-Arabië door de Verenigde Staten en andere westerse landen worden geboycot. In plaats daarvan koopt Saoedi-Arabië zich een plaats in internationale organisaties zoals UN Women, waar het één van de twee landen is die als belangrijkste donoren een permanente zetel in het bestuur van de organisatie hebben. Waarom wil een land als Saoedi-Arabië zo graag lid worden van een internationaal orgaan als UN Women? Omdat dat aanzien oplevert – lidmaatschap van een machtige nieuwe instantie – tegen heel weinig verplichtingen.

De Verenigde Staten en andere westerse landen hebben met succes actie gevoerd om Iran uit het bestuur van UN Women te houden, maar in het geval van Saoedi-Arabië keken ze de andere kant op.

De VN wisten maar al te goed hoe verschrikkelijk het is gesteld met de vrouwenrechten in Saoedi-Arabië. Niemand kon toch de klucht vergeten zijn die zich in 2008 afspeelde toen een Saoedische delegatie voor het eerst voor het Vrouwenrechtenpanel van de VN in Genève verscheen en het bestond om te beweren dat vrouwen in hun land niet werden gediscrimineerd? De belachelijkste bewering kwam toen het VN-comité vroeg waarom Saoedische mannen met wel vier vrouwen tegelijk getrouwd konden zijn. Zonder een spier te vertrekken legde een Saoedische afgevaardigde – een man natuurlijk – uit dat dat was om ervoor te zorgen dat een man op een wettige manier zijn lusten kon bevredigen als één vrouw niet genoeg was om die te vervullen.

Het verbaasde niemand dat de speciale VN-rapporteur over geweld tegen vrouwen, Yakin Ertürk, kort daarna voor een tiendaagse onderzoeksmissie naar Saoedi-Arabië ging. Na haar bezoek zei Ertürk dat Saoedi-Arabië een wettelijk kader moest instellen, gebaseerd op de normen van de erkende internationale mensenrechten, en ze uitte kritiek op de beperkingen in het leven van vrouwen als gevolg van het voogdijsysteem. Maar vreemd genoeg zei ze ook dat het verbod op autorijden voor vrouwen niet ter sprake was gekomen in haar gesprekken met Saoedische functionarissen. Nog schokkender was dat ze zei: ‘Als het verbod op autorijden blijft bestaan, denk ik dat er andere vervoermogelijkheden moeten komen waarmee vrouwen zich kunnen verplaatsen, vooral voor degenen die zich geen auto en chauffeur kunnen veroorloven. Wat de heersende norm ook is in een land, de staat is verplicht om alternatieven te bieden.’

In 2000 ondertekende Saoedi-Arabië een internationaal verdrag over de rechten van vrouwen, maar wel met het voorbehoud dat de Saoedische interpretatie van de sharia beslissend was wanneer de bepalingen in het verdrag daarmee botsten. Dus waarom zouden ze dan dat verdrag tekenen? Zeker gezien het feit dat zoveel vormen van discriminatie van vrouwen, waaronder polygamie, kindhuwelijken, beperking op de mogelijkheid om te scheiden en minder erfrecht voor vrouwen, juist voortkomen uit de Saoedische interpretatie van de sharia.

Wanneer houden we op het Saoedische regime toe te juichen als het vrouwen kruimels toewerpt die moeten doorgaan voor ‘hervormingen’? De realiteit is dat de macht van vrouwen het Saoedische regime doodsbang maakt. Dat verklaart volgens mij althans het besluit van dat regime om de gemeenteraadsverkiezingen van 2009 uit te stellen.

Het begon met de vrouwen van Koeweit. In mei 2009 veroverden vier vrouwen een zetel bij de Koeweitse parlementsverkiezingen. Hun overwinning smaakte des te zoeter omdat de fundamentalisten, die zich lang tegen het vrouwenkiesrecht hadden verzet, een aantal zetels in het Koeweitse parlement verloren.

Meteen de volgende dag verlengde Saoedi-Arabië de termijn van gemeenteraden met twee jaar, zodat er meer tijd was om ‘de deelname van burgers aan het plaatselijk bestuur te vergroten’. Volgens verschillende activisten zijn de lokale raden nutteloos. Ze zijn het resultaat van de eerste korte flirt van het koninkrijk met de democratie in 2005. Vijf vrouwen stelden zich toen kandidaat, maar ultraconservatieve geestelijken oordeelden dat vrouwen niet mee mochten doen aan die eerste landelijke verkiezingen. Sindsdien waren Saoedische vrouwen en hun medestanders blijven hopen dat koning Abdullah de verkiezingen van 2009 wel voor vrouwen zou openstellen.

Een land dat al zestig jaar snelwegen door de woestijn aanlegt, houdt zijn vrouwen opgesloten in een middeleeuws waanidee

Dus je kunt je voorstellen hoe nerveus de koninklijke familie werd van die vier pas gekozen vrouwelijke parlementsleden in Koeweit. Saoedi-Arabië weet maar al te goed dat Saoedische vrouwen van hun Koeweitse zusters kunnen leren: bij de Iraakse invasie in Koeweit van 1990 zijn veel mannen en vrouwen voor het geweld gevlucht door in hun auto te stappen en naar buurland Saoedi-Arabië te rijden; het werd een van de inspiratiebronnen voor het autorijdprotest dat jaar.

Het is nog de vraag of vrouwen inderdaad bij de lokale verkiezingen die in 2015 beginnen de kans krijgen om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen, of dat het Saoedische regime daar toch weer voor zal terugschrikken. In 2013 benoemde koning Abdullah dertig vrouwen in de Sjoeraraad, een soort raadgevend parlement, en zij maken nu twintig procent uit van deze voorheen uitsluitend mannelijke raad. Maar de Sjoera heeft geen macht en het is niet duidelijk hoeveel van het ‘advies’ dat de raad geeft ook werkelijk uitmondt in beleid.

Veelzeggender over de Saoedische houding tegenover vrouwen in de politiek is de opmerking van grootmoefti Abdulaziz dat het toelaten van vrouwen tot de politiek gelijk zou staan aan ‘de deur opendoen voor de duivel’. De heersende macht beseft dat ze inderdaad de deur open zou doen voor een vrouwenrechtenrevolutie.

Een recente concessie van koning Abdullah aan vrouwen is dat de beperkingen voor vrouwen om in bepaalde sectoren te werken, zijn opgeheven. Zo mag een vrouw nu in een lingeriewinkel werken, waar vrouwen vroeger hun bh’s en onderbroeken van mannelijke winkelbedienden moesten kopen. Dit was bijna even absurd als het verbod op het besturen van een auto door vrouwen, dat ervoor zorgt dat vrouwen – die normaal gesproken nergens heen mogen zonder mannelijk familielid – urenlang alleen in een auto moeten doorbrengen met een mannelijke chauffeur die geen familie van ze is. Deze tegenstelling laat zien dat de apartheid naar geslacht van Saoedi-Arabië een leugen is. Het gaat niet om het scheiden van vrouwen en mannen, en nog minder om het ‘beschermen’ van vrouwen tegen mannen, het gaat erom de bewegingsvrijheid van vrouwen te beperken en daarmee hun autonomie.

Religieuze fanatici maken Saoedi-Arabië tot een lachertje. Een land dat zestig jaar lang meerbaanssnelwegen door de woestijn heeft aangelegd en een van de meest met de informatiesupersnelweg verbonden landen is, houdt zijn vrouwen opgesloten in een middeleeuws waanidee. En de wereld bewaart een beschamend stilzwijgen.

Er zijn meer Saoedische vrouwen op universiteitscampussen dan mannen en toch bedraagt volgens een artikel in The New York Times uit 2013 het aantal werkende vrouwen in het koninkrijk een armzalige vijftien procent. Heel langzaam hebben zij toegang gekregen tot werkterreinen zoals het recht. In 2013 gaf Abdullah de eerste vrouwen in het koninkrijk toestemming om zich als advocaat te vestigen met het recht om cliënten te vertegenwoordigen en hun eigen advocatenkantoor te bezitten en te leiden. Andere werkterreinen blijven verboden – er zijn bijvoorbeeld geen vrouwelijke rechters, ambassadeurs of ministers. De hoogste vrouw ooit in de regering was Norah al-Faez, die in 2009 werd benoemd tot onderminister van Onderwijs.

Zoals de Jemenitische wetenschapper Elham Manea in een artikel in 2013 uiteenzette, bepaalt de Saoedische arbeidscode dat vrouwen, zolang ze de sharia naleven, ‘zullen werken op alle terreinen die bij hun aard passen’. Haar conclusie: ‘Zo worden Saoedische vrouwen nog steeds gemarginaliseerd, zelfs zo sterk dat ze vrijwel uitgesloten zijn van de Saoedische beroepsbevolking.’

Manea vervolgde: ‘Zowel in de openbare als in de privé-sector moeten vrouwelijke medewerkers toestemming van een mannelijke voogd krijgen voordat ze worden aangenomen. Werkgevers kunnen een vrouw ontslaan of haar dwingen ontslag te nemen als haar voogd om de een of andere reden niet langer wil dat ze buitenshuis werkt. Die toestemming van een voogd is tegenwoordig niet meer nodig voor een baan in een kledingwinkel, amusementspark, in de voedselbereiding of achter de kassa. Wel moet er een strikte seksescheiding bestaan op de werkplek en mogen vrouwelijke werknemers niet met mannen te maken krijgen.’

Dat vrouwen op deze terreinen überhaupt kunnen werken is ongetwijfeld niet te danken aan de goedheid van de koninklijke familie maar aan het werk van ‘extremisten’ als al-Huwaider en al-Sharif, die lang en hard gestreden hebben om het regime deze concessies af te dwingen. De Saoedische koning en andere dictators moeten begrijpen dat zij achterlopen bij hun volk, niet andersom.

In 2013 reden maar zestig vrouwen mee met het protest, maar duizenden keken toe en zijn daardoor zeker voorgoed veranderd. En sommige van die ‘te ver van de werkelijkheid af staande’ vrouwen vertegenwoordigen in werkelijkheid de dilemma’s van velen, zoals Nahed Batarfi, een vijftigjarige gescheiden moeder van zeven kinderen die gediplomeerd arts is en een Brits rijbewijs heeft. Zij was een van de zestig vrouwen die meereden in oktober 2013. Ze had drie maanden gewacht op een visum waarmee een chauffeur Saoedi-Arabië binnen mocht en was afhankelijk van haar negentienjarige zoon om haar en zijn vier zussen naar werk en school te rijden. Nu haar zoon op het punt stond om in het buitenland te gaan studeren, had Batarfi besloten om zelf te gaan rijden, ongeacht de gevolgen.

In Saoedi-Arabië is geen politieke revolutie op gang gekomen, zoals in Egypte of Libië of Tunesië, maar wel een sociale revolutie. Er studeren meer vrouwen dan mannen aan de Saoedische universiteiten. Vrouwen maken even enthousiast gebruik van blogs en sociale media als mannen. Zoals jonge mensen uit autoritaire landen als Egypte in de virtuele wereld een ruimte voor zichzelf scheppen die in het werkelijke leven niet bestaat, zo kunnen Saoedische vrouwen zichzelf online uiten op een manier die ondenkbaar is op straat en in de openbare wereld van het regime en de geestelijken.

De reden waarom vrouwen als Wajeha al-Huwaider en Manal al-Sharif en hun medeactivistes achter het stuur de geestelijken zoveel angst aanjagen, is dat ze direct het systeem van de mannelijke voogd uitdagen. De Saoedische hoogleraar en campagnevoerder Aziza Youssef vertelde aan Associated Press dat zij en vier andere vooraanstaande activistes vlak voor de demonstratie van oktober 2013 een telefoontje hadden gekregen van een hoge functionaris die in nauw contact stond met minister van Binnenlandse Zaken prins Mohammed bin Nayef. Hij had hen gewaarschuwd om niet te gaan rijden op die zaterdag, de dag waarop de autorijdactie was gepland.

Uit de reactie van het regime op de autorijdprotesten blijkt dat het begrijpt welke bedreiging deze vrouwen vormen. Het dappere werk van deze activistes gaat om meer dan het afschaffen van het rijverbod. Het gaat vooral om het afschaffen van een systeem van sekseapartheid dat in stand wordt gehouden door de patriarchen van binnen en van buiten.

‘Zolang de voogdijregel niet verdwijnt, zijn alle veranderingen alleen maar een show voor de buitenwereld’, heeft Youssef gezegd. Deze vrouwen zenden de boodschap naar de patriarchen in de regering en de patriarchen thuis dat ze hun ‘bescherming’ niet willen of nodig hebben. De sociale en seksuele revolutie is niet meer te stuiten en deze vrouwen zullen in onze herinnering blijven als de voorhoede daarvan.


Dit is een voorpublicatie uit Hoofddoek en maagdenvlies: Waarom het Midden-Oosten een seksuele revolutie nodig heeft (De Bezige Bij, 208 blz., € 17,90) van Mona Eltahawy dat volgende week verschijnt. Eltahawy is een Egyptisch-Amerikaanse journaliste. In 2012 baarde ze internationaal opzien met een vlammend stuk in Foreign Policy – ‘Why Do They Hate Us’ – waarin ze de behandeling van vrouwen in de Arabische wereld hekelt. Dit essay is het beginpunt van haar boek.

Vertaling Annemie de Vries


Beeld: (1) ‘Saoedische vrouwen worden nog steeds gemarginaliseerd, zelfs zo sterk dat ze vrijwel uitgesloten zijn van de beroepsbevolking’ (Oliva Arthur / Magnum / HH); (2) Een Saoedische rijdt auto tijdens het protest in 2013 (Faisal Nasser / Reuters)