Wegen met het oog

Je zou het niet direct zeggen, maar als je geduldig naar de schilderijen van Mondriaan kijkt, valt op welk een sensitieve, tastende, knutselende schilder hij eigenlijk was.

Naast Compositie in wit en zwart II van Piet Mondriaan bestaat er, uit hetzelfde jaar 1930, een soort variant, maar in een ander formaat. Het formele motief is hetzelfde: een horizontale en een verticale lijn, zwart, die elkaar rechtsboven in een wit vlak kruisen. Een tweede horizontale lijn, tussen de verticale lijn en de rechterrand van het doek ter hoogte van ongeveer het midden, completeert de compositie. De lijnen zijn verschillend van dikte: de lange horizontale is het breedst, de verticale lijn is bijna de helft daarvan, de andere horizontale lijn ligt daar tussenin. Zo te zien is dit ongeveer hetzelfde in beide schilderijen. Het verschil is hun formaat. Het schilderij in Eindhoven is een vierkant van 50,5 x 50,5 centimeter, de variant is 40,9 hoog en 33,3 breed.
Het cruciale woord in deze summiere waarneming en beschrijving is ongeveer – ik denk een woord waar de meeste mensen bij Mondriaan niet gauw aan denken. Naarmate je meer en geduldiger naar zijn schilderijen gaat kijken, valt op welk een sensitieve, tastende, knutselende schilder hij eigenlijk was. Dat kijken naar Mondriaan is lang verstoord geweest omdat te veel gewicht gegeven werd aan zijn theoretische geschriften die veel kordater lijken dan de vaak bijna weifelachtige schilderijen. De zekerheid gaf houvast. Maar het bepalen van de breedte van een lijn, bijvoorbeeld, was geen kwestie van meten maar van wegen met het oog – als hij bezig was die lijn te schilderen. Dat wil zeggen: de lijn was niet eerst uitgemeten en uitgezet langs een liniaal en dan met zwart ingevuld. Misschien stond er een dun potloodlijntje op het doek, uiteindelijk echter heeft Mondriaan die lijn geschilderd met een smaller penseel, streekje voor streekje, eigenlijk als een langgerekt smal vlak.
Zo geduldig en opmerkzaam schilderend, kon hij ook het zwart beter in de gaten houden. Dat moest niet te dik of te zwaar worden. De verdeling van lijnen immers op dat vlak is niet bedoeld als stevige vormgeving. Ook om die reden zijn de lijnen verschillend van breedte: om geen harde structuur te krijgen. Op hun voorzichtige manier zijn de lijnen vooral een behoedzame verdeling van het witte vierkant in vijf nieuwe rechthoeken – alsof die lichte lijnen het witte vlak openvouwen. Het schilderij is een subtiel arrangement van witte ruimtes.
Wat ik kan zien op foto’s is dat de compositie van de smallere variant (nu ergens in de Amerikaanse kunsthandel) veel stugger en stroever is. Het ruimtelijke effect stagneert zozeer dat het Eindhovense schilderij misschien wel de correctie en verbetering ervan was. De nieuwe witte vlakken zijn alle vijf verschillend van maat. Het grootste vlak lijkt een verkleinde herhaling van het vierkant van het gehele schilderij. In dat geval zou er iets methodisch in het werk zitten. Maar dat is niet zo: die rechthoek is toch net iets hoger dan breed. In het schilderij vindt er geen meetkundige maar een optische maatvoering plaats. Zo werkte Mondriaan: in plaats van alles systematisch gelijk te maken, is eigenlijk alles bijna of ongeveer ongelijk en raadselachtig. De eenvoudige leesbare formele middelen (lijn vlak kleur) waren niet een strakke methode maar eigenlijk, als je goed kijkt, een soepel vocabulaire waarin hij zich op zijn gemak voelde en dat hem grote vrijheid van variatie gaf. In de toepassing van dat vocabulaire zijn de maten van de vijf rechthoeken in het Eindhovense schilderij, hoewel soortelijk aan elkaar verwant, toch individueel verschillend. Het schilderij lijkt overzichtelijk en precies maar is het niet. Het is daarvoor te intuïtief gegroeid en ontstaan.
Dat is goed te zien als we het vergelijken met een schilderij van Richard Paul Lohse (1902-1988) dat wel in een seriële methodiek tot stand is gekomen. De titel is niet mis te verstaan: bewegung von gelb über grün und blau zu violett. Dat is een program: het afgemeten verloop van een kleur naar een andere, via negen kwadraten die de exacte onderverdeling zijn van het vierkante schilderij van 120 x 120 centimeter. Omdat in alle schilderijen met neun kwadrate (zoals de serie is gaan heten) dezelfde formele procedure rechtlijnig wordt doorgevoerd, met verschillende kleuren, zijn de formaten uiteraard identiek. Hier zijn we, zoals de titel ook aangeeft, bij Nr. 598. Er is ook een gelijksoortige serie in kleiner formaat, 60 x 60, de helft natuurlijk. In Mondriaans oeuvre zijn bijna alle formaten verschillend, dat heb ik op een zondagmiddag ooit afgeturfd. Elk nieuw schilderij werd als nieuw ding begonnen, met een eigen formaat en karakter, en niet als een moment in een regelmatige serie. Niettemin leverde de grillige onvoorspelbaarheid van de seriële methode toch heel verrassende kleurverbindingen op die Lohse’s schilderijen vaak toch heel spannend maken.

PS Het beste nieuwe boek over Mondriaan is van Hans Janssen, Mondriaan in het Gemeentemuseum in Den Haag, een uitgave van dat museum uit 2008. Zeer aanbevolen