Vooruitgang in Afghanistan 

Wegen zonder gaten

Aan de vooravond van de verlenging van de Uruzgan-missie vullen louter onheilstijdingen uit Afghanistan de kranten. Maar gaat het wel zo slecht?

KABUL/AMSTERDAM – Vorige week presenteerde de onafhankelijke denktank Senlis Council het rapport Stumbling into Chaos: Afghanistan on the Brink. De deprimerende conclusie is dat het land, ondanks internationale hulp en militaire steun, opnieuw op het punt staat in handen te vallen van de Taliban. In 54 procent van het land zijn de Taliban nu permanent aanwezig. Om de opstand de baas te worden moet het aantal Navo-troepen verdubbeld worden tot tachtigduizend en moet in de onveilige gebieden humanitaire hulp worden geboden door militairen in plaats van hulpverleners, stelt Senlis. De onheilstijding haalde de journaals en de voorpagina’s van vrijwel alle kranten.

Onderzoeker Jorrit Kamminga geeft toe dat de zaken in het rapport scherp gesteld zijn: ‘Ik geloof zelf ook niet dat de Taliban voor de poorten van Kabul staan. Het gaat ons om de boodschap en die brengen we mediageniek.’ Volgens hem schetst de Nederlandse regering een te rooskleurig beeld: ‘Ze zegt dat de Afghanen vertrouwen hebben in de toekomst, maar wij hebben veel interviews gedaan in Zuid- en Oost-Afghanistan en ik heb daar nog niemand meegemaakt die zei: het gaat fantastisch.’

‘Het lijkt wel of Senlis Council eigenhandig de noodtoestand heeft uitgeroepen in Afghanistan’, zegt Stefan van Laar. Hij is onderzoeker voor ontwikkelingsorganisatie Cordaid en verkeert regelmatig in het land: ‘We moeten oppassen dat we elkaar niet de put in praten. Als je geen oog hebt voor de positieve ontwikkelingen, creëer je een onderbuikgevoel. Dan gaan mensen denken dat het geen zin heeft om Afghanistan te helpen, en dat is niet waar. De economie krabbelt op, er worden scholen geopend en de gezondheidszorg verbetert. Ik wil niet naïef zijn, het blijft aanmodderen. Maar er wordt voorzichtig vooruitgang geboekt. Het is niet zo ernstig met Afghanistan gesteld als Senlis Council schetst.’

In mei was Van Laar voor Cordaid in Kandahar, in het zuiden. Daar sprak hij met ex-strijders, mannen die tegen de Russen hebben gevochten. ‘Ons niet gezien, wij hebben genoeg oorlog meegemaakt’, zeiden ze toen hij hen vroeg of ze met de Taliban wilden meestrijden. In Kandahar zag hij de handel bloeien: ‘De stalletjes waren gevuld met groenten en fruit: dat was een jaar geleden wel anders. De mensen die ik spreek, willen niet dat de Taliban terugkeren. Ze zijn hoopvoller dan bij eerdere bezoeken.’

Afghanistan-kenner Willem Vogelsang, auteur van Afghanistan, een geschiedenis, noemt het Senlis-rapport oppervlakkig: ‘Het leest als een verzameling conclusies. Ik mis onderbouwing en analyse. Hoe heeft het zo ver kunnen komen met Afghanistan? En wat vinden de Afghanen er zelf van? Die komen niet aan het woord. Wat dat betreft had dit rapport geschreven kunnen zijn op het Isaf-hoofdkwartier.’ Vogelsang is voor verlenging van de Uruzgan-missie. ‘Het is te vroeg om de stekker eruit te trekken. Eigenlijk zou je helemaal geen termijn van vertrek moeten stellen. Als de bevolking zich moet afvragen wie hen over twee jaar gaat beschermen, zullen ze niet durven kiezen voor Isaf. Het zou goed zijn als het Afghaanse leger een grote kazerne in Uruzgan zou bouwen, waarmee het zegt: wij gaan niet meer weg.’

Ondanks zijn onheilstijding wil ook Senlis Council dat Nederland in Uruzgan blijft. Bovendien hoopt Senlis te bereiken dat een aantal aanbevelingen door Nederland in beleid worden omgezet. Het niet-meewerken aan de vernietiging van papaveroogsten, bijvoorbeeld, omdat daardoor arme boeren in de armen van de Taliban worden gedreven. ‘Afgelopen zomer deed Nederland daar al nauwelijks aan mee. We hopen dat Nederland de Navo-partners kan bewegen dat voorbeeld te volgen’, zegt Kamminga.

De Taliban winnen aan kracht, de opbouw verloopt moeizaam en de opiumproductie blijft toenemen. Het is allemaal waar. Maar zoals zo vaak is de werkelijkheid weerbarstig en complex, want tegelijkertijd gaat het een stuk beter met Afghanistan dan in voorgaande jaren.

Wie Afghanistan-rapporten doorspit, ziet in de diverse grafieken veel stijgende lijnen. Niet alleen die van het aantal oorlogsdoden, ook die van de import, de export, de industriële productie en de landbouwproductie. Sinds 2002, toen het Taliban-regime instortte onder het geweld van Amerikaanse bommen en oprukkende milities van de Noordelijke Alliantie, is het inkomen per hoofd van de bevolking gestegen, van 683 dollar tot 964 dollar (in 2005). De afgelopen vijf jaar is 132.000 vierkante kilometer land ontdaan van mijnen, steeg het aantal (mobiele-) telefoongebruikers naar 2,5 miljoen (tien procent van de bevolking), nam het aantal schoolgaande kinderen toe van 900.000 tot 5,4 miljoen en daalde het aantal malaria- en tuberculosegevallen drastisch. Vorige week werd bekend dat in Afghanistan aanzienlijke gasvelden en goud- en koperhoudende gesteenten zijn ontdekt. Een week eerder bedankte president Hamid Karzai internationale hulporganisaties en Afghaanse gezondheidswerkers. ‘90.000 kinderen die onder de Taliban zouden zijn gestorven, blijven dit jaar in leven dankzij de verbeterde medische zorg’, zei hij. Van alle duizend kinderen jonger dan vijf jaar stierven er in 2001 nog 257; in 2006 191.

Maar ben je kind of vrouw, woon je waar de oorlog woedt, bezit je geen grond en geniet je geen beschermende contacten, dan ben je in Afghanistan bijzonder slecht af. In de human development index van het Human Development Report 2007 neemt Afghanistan de 174ste plaats in van de 178 landen die de index telt. Ook dit jaar zullen weer zo’n 250.000 jonge Afghaanse kinderen sterven. Tegenover elk beetje vooruitgang staat een berg aan wetteloosheid, corruptie, geweld en falend beleid.

Sayfodin Sayhoon, hoogleraar economie aan de Universiteit van Kabul, erkent dat de economie opkrabbelt, maar hij stelt ook dat door de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap veel fouten zijn gemaakt: ‘Vrijwel altijd vloeit een deel van het hulpgeld terug naar het donorland.’ Sayhoon bestudeerde de Afghaanse economie en de invloed van buitenlandse donors. Hij schetst het beeld van een Afghaanse regering die veel wil, maar weinig kan. Ministeries hebben vrijwel geen budget: ‘Afghanistan krijgt relatief gezien weinig hulp: 63 dollar per hoofd van de bevolking op een bevolking van 25 miljoen. In Rwanda en Oost-Timor was het 300 dollar per persoon en in Irak zelfs 900. Negentig procent van de Afghanen is boer, maar het ontwikkelingsbudget van het ministerie van Landbouw is 35 miljoen dollar. Daar kun je niet eens één fatsoenlijk irrigatiekanaal van graven. En weet je wat het budget is van het ministerie voor Vrouwenzaken, dat jullie zo belangrijk vinden? 800.000 dollar.’

Als je de regering het niet zelf laat doen, zal ze het nooit leren, meent hij. Maar de internationale gemeenschap wil eerst meer bestuurlijke kwaliteit creëren voordat ze haar geld rechtstreeks aan de overheid geeft. Van de 10 miljard dollar aan toegezegd hulpgeld is nu al 1,2 miljard uitgegeven aan capacity building. ‘Er worden seminars en workshops georganiseerd in veel te dure hotels, door peperdure westerse experts. Dat is geldverspilling. Leid onze mensen op aan jullie eigen instituten. Dat betaalt zich terug, omdat een goede ambtenaar hulpgeld veel efficiënter besteedt, waardoor jullie ons uiteindelijk minder hulp hoeven geven.’

Vooral met het onderwijs is het slechter gesteld dan hulporganisaties melden. ‘Zij bouwen graag schooltjes met groot hun naam op een bord ernaast. Het zijn _high impact-_projecten die het goed doen in de media’, zegt Sayhoon. ‘Er gaan weer miljoenen Afghaanse kinderen naar school, en daar zijn we trots op, maar hun leraren komen bijna allemaal van koranscholen. Zij weten niets van normale lesstof. Leid hen op! Zoals we nu bezig zijn, verpesten we opnieuw een hele generatie schoolkinderen.’

Zo bezien staat Afghanistan er niet best voor. Omar Zakhilwal is evenwel optimistisch. Zakhilwal is directeur van aisa, het Afghaanse agentschap dat uit naam van de regering investeerders probeert aan te trekken. Dat lukt aardig, zegt hij: ‘De veiligheidssituatie is slecht, maar niet zo slecht als de media ons doen geloven. De beste analisten zijn zakenmensen. Zij investeren grote bedragen en dat doen ze pas als ze weten dat ze hun geld niet zullen verliezen. Vorig jaar had Afghanistan een heel slechte pers, maar er werd wél een miljard dollar meer geïnvesteerd door het zakenleven dan in 2003, 2004 en 2005 bij elkaar. Dat resultaat zal in 2007 nog eens overtroffen worden.’

Volgens Zakhilwal, gezeten achter een breed bureau in een bewaakt kantoor, wordt vooral geïnvesteerd in industrie en mobiele netwerken. Er verrijzen cementfabrieken en complexen waar softdrinks worden gebrouwen en gebotteld en de overheid is bezig om staatsbedrijven te privatiseren. Maar hoe staat het met investeringen in zaken waar de bevolking echt iets aan heeft? Wegen, bruggen en elektriciteitscentrales, waarvoor langetermijnplanningen gemaakt moeten worden? ‘Daarvoor is het nog te vroeg. Al zijn zakenmensen ervan overtuigd dat de Afghanen de Taliban niet terug willen en dat de Taliban daarom verslagen zullen worden, zij durven niet te voorspellen hoe Afghanistan er over twintig jaar voor staat.’ Het werk aan wegen en bruggen wordt daarom vooral gedaan door internationale donororganisaties. Met stip op één staat usaid, dat de Amerikaanse ontwikkelingshulp uitgeeft. Er wordt in Afghanistan veel geklaagd over de Amerikaanse manier van hulp verlenen. Zakhilwal weet het – ‘Donors hebben hun eigen regels waaraan de projecten die ze bekostigen moeten voldoen. Wij, de Afghanen, voor wie het geld bedoeld is, hebben daar nauwelijks invloed op’ – maar hij mag er van de regering niet over praten. Het is niet opportuun om kritiek te leveren op buitenlandse donors.

Een andere overheidsfunctionaris wil wel spreken, maar anoniem. ‘Als usaid een miljard te besteden heeft, sluit het een contract met een Amerikaanse firma, waardoor zeker 600 miljoen weer terugvloeit naar de VS.’ Bovendien, zegt hij, wordt zeventig tot tachtig procent van het usaid-geld verspild vanwege de slechte kwaliteit van wat de Amerikanen bouwen.

Neem de weg van Kandahar naar Tarin Kowt. Dat was een zandpad, totdat de Amerikaanse Louis Berger Group van usaid de opdracht kreeg de weg te asfalteren. Dat gebeurde enkele jaren geleden, voor veel geld. Het project had de economie van het afgelegen Uruzgan een impuls moeten geven. Boeren zouden hun waren gemakkelijker kunnen transporteren naar Kandahar, het handelscentrum voor Zuid-Afghanistan. Maar nu al zit de weg vol gaten. Daardoor kunnen auto’s en vrachtwagens geen snelheid maken, wat hen tot gemakkelijke prooien maakt voor de Taliban. Eind juni lokten die een dieselkonvooi dat op weg was naar Kamp Holland, de Nederlandse basis in Tarin Kowt, in een hinderlaag. Zeventien dieseltrucks werden vernietigd en meer dan veertig Afghaanse bewakers en chauffeurs werden gedood. ‘Als de weg was gebouwd onder leiding van een Afghaanse firma, zou die goedkoper zijn aangelegd en veel beter zijn geweest’, zegt de overheidsfunctionaris. ‘Het is nogal een verschil of je een project ziet als een lucratieve klus of als een eervolle opdracht die het leven van je landgenoten verbetert.’ Wat hem betreft worden alle activiteiten van usaid overgenomen door het opkrabbelende Afghaanse bedrijfsleven: ‘Zelfs als je aanloopt tegen corruptie, komt veel meer van het geld bij de bevolking terecht. Amerikanen betalen hun eigen ingenieurs een vermogen en de Afghaanse arbeiders een schijntje.’

Nederland stort zijn steun aan Afghanistan – in 2007 77 miljoen euro, waarvan 20 miljoen voor Uruzgan – in een fonds dat wordt beheerd door de Wereldbank, zodat het geld zo veel mogelijk ten goede komt aan de bevolking. Dit jaar gaat het grootste deel naar de Afghaanse overheid. Andere landen beginnen het voorbeeld te volgen. Zelfs de Verenigde Staten. Sinds daar een vernieuwde counter insurgency-doctrine heerst, geldt het adagium dat ‘de gastnatie die iets redelijk doet, beter is dan dat wij het goed doen’. Want alleen zo kan de bevolking het vertrouwen in de regering terugkrijgen en worden losgeweekt van de opstandelingen. Inmiddels is er een Nationaal Solidariteitsprogramma in werking, met geld van donorlanden, waaruit allerlei hulpprojecten worden betaald die worden uitgevoerd door de Afghanen zelf.

Parlementariër Ramazan Bashardost noemt dit een positieve ontwikkeling, maar, zegt hij, ‘daarmee zijn we er nog niet’. Bashardost houdt kantoor in een nomadentent tegenover het parlementsgebouw, ingeklemd tussen een drukke weg en een stoffig parkeerterrein. Als parlementslid weigert hij een protserige kantoorruimte te huren; een tent slurpt geen gemeenschapsgeld. Al jaren trekt hij ten strijde tegen verkwistende ngo’s. In 2003 nam hij ontslag als minister van Planning, toen hij ontdekte dat het leeuwendeel van het internationale hulpgeld op ging aan het rijke leven van directeuren en werknemers van de meer dan tweeduizend Afghaanse en internationale non-gouvernementele organisaties (ngo’s) in zijn land. ‘Jullie betalen veel belasting en werken hard. Maar beseffen jullie wel dat hier ngo-werknemers auto’s van 30.000 dollar kopen? Dat ngo-directeuren hier huizen met wel tien kamers huren, voor tienduizend dollar per maand? Allemaal van jullie geld. Er blijft bijna niets over voor de bevolking. Vraag je eens af of je daaraan wilt meewerken.’

En dan de corruptie. Bashardost toont een stapel rapporten van een onafhankelijke onderzoekscommissie die rechtstreeks aan de president rapporteert. Het ene nog ‘vertrouwelijker’ dan het andere. Het meest recente rapport noemt negen ministeries, waaronder dat van Financiën, dat juist hoort te controleren. Ook de nationale bank en het Afghaanse Rode Kruis worden genoemd. Bashardost somt er een aantal op: bij Financiën verdween 4,6 miljoen dollar, bij Transport 3,5 miljoen en bij Communicatie 2,75 miljoen. ‘Regelrechte diefstal’, zegt hij, ‘maar de regering grijpt niet in. Er staat een jonge generatie Afghanen, deels opgeleid in het buitenland, te trappelen om de corruptie te stoppen. Geef hen de kans. Jullie hebben een machtspositie, want de regering heeft jullie nodig in de strijd tegen de Taliban. Zeg tegen president Karzai: “Het is genoeg geweest. Ontsla alle corrupte bestuurders.” Doet hij dat niet, verleng dan alsjeblieft de missie niet. Dan is deze regering het bloed van jullie soldaten niet waard.’