Wegens revolutie gesloten

UWE TELLKAMP
DER TURM
Suhrkamp, 972 blz., € 24,80

In het Duitse weekblad Die Zeit stond onlangs onder de kop ‘Land zonder geheugen’ het volgende te lezen: ‘De Duitsers, zowel in het oosten als in het westen, slagen er tot op heden niet in zich te herinneren hoe het leven in de SED-staat werkelijk was.’ Het zijn in Duitsland vaak auteurs die de leemtes in het collectieve geheugen opvullen. In romans laten ze mensen en dingen uit een vervlogen periode herleven, wordt de geest van een voorbije tijd opgeroepen.
In het geval van de DDR is dit nu gebeurd door de veertig jaar oude Uwe Tellkamp, geboren en opgegroeid in Dresden. Toen de DDR ophield te bestaan, was hij 22 jaar. Hij studeerde medicijnen, werd arts, maar volgde uiteindelijk zijn eigenlijke roeping: schrijven. Dit najaar verscheen zijn omvangrijke roman Der Turm, over de laatste zeven jaren van de DDR. Hij beschrijft deze jaren aan de hand van de belevenissen van een familie in Dresden. Tellkamp werd in oktober onderscheiden met de Deutsche Buchpreis voor de beste roman van 2008. De keuze van de jury vond algemene instemming in Duitsland, waar het tijdschrift Literaturen de roman een meesterwerk heeft genoemd, wat men na lezing van de bijna duizend bladzijden alleen maar kan beamen.
Met Der Turm wordt in de roman allereerst een locatie aangeduid. Het is de villawijk Weisser Hirsch, gelegen aan de rand van Dresden en gebouwd op de hellingen van heuvels langs de Elbe. Men bereikt deze hoger gelegen wijk met een kabelspoorweg. De oude villa’s werden in de DDR opgesplitst in kleine woningen voor meerdere personen en gezinnen, die badkamer en wc deelden. Eind 1982, als de roman begint, vertoonden ze al tekenen van verval en in de loop van de volgende jaren werd dat verval alleen maar erger.
Tellkamp maakt het bijna terloops zichtbaar: de zwarte schimmel, het afbrokkelend pleisterwerk, kapotte kozijnen en opgelapte straten. In de winter hing overal de geur van bruinkool en ging de buitenwereld gehuld in een grauwe sluier. Maar hij beschrijft ook het voorjaar en de zomer: bloeiende fruitbomen in de tuinen, geurende rozen, de natuur die zich ontvouwde in een omgeving die toenemend vervuilde.
Maar deze ‘toren’ heeft ook een symbolische betekenis. In de villa’s woonden Bildungsbürger. ‘Kennis was de goed bewaarde schat van hierboven.’ Binnen de geborgenheid van hun vier muren lazen burgerlijke intellectuelen Goethe en Eichendorff, luisterden naar klassieke muziek of musiceerden in kleine kring, spraken over het oude Dresden en bezochten lezingen over voorbije culturen. De tijd werd even teruggedraaid, het ‘reëel existerende socialisme’ even buiten gesloten.
Lang kon dat niet duren, de ‘toren’ bood geen blijvende bescherming tegen de communistische buitenwereld. Aan de totalitaire staat viel niet te ontkomen.
Wat de roman goed laat zien, is dat er in de DDR parallelle werelden bestonden. Er was het privé-bestaan binnen gezin, familie, kleine vriendenkring, en de werkelijkheid van de almachtige partij en haar apparaat van controle en repressie. De wereld van het privé-domein werd steeds bedreigd door bespieders en verklikkers, wat ertoe leidde dat zelfs kinderen werd geleerd op hun hoede te zijn.
De werkelijkheid van de partij werd gekenmerkt door een onoverbrugbare kloof tussen woorden en daden. De holle frasen in het partijorgaan Neues Deutschland over nieuwe productierecords en andere successen op weg naar het ‘paradijs voor arbeiders en boeren’ stonden in schril contrast met de schaarste in de winkels van Dresden. Planeconomie betekende in de praktijk ruilhandel.
In al deze verschillende werkelijkheden leefde de familie Hoffmann-Rohde. Richard Hoffmann was chirurg, werkzaam in het academisch ziekenhuis van Dresden. Deze hoofdpersoon, tegenstander van het regime, biedt Tellkamp de mogelijkheid een beeld te schetsen van het gebrekkige gezondheidswezen in de DDR. Zijn zoon Christian was eerst scholier en later tankcommandant bij het Oost-Duitse leger. In dat rauwe leger werd zijn fijnzinnige, kritische geest met geweld gebroken. Zijn jongere broer Robert bleef dat lot bespaard.
Meno Rohde, broer van Christians moeder Anne, was lector bij een uitgeverij in Dresden. Met hem betreedt de lezer het met mijnen bezaaide veld van de Oost-Duitse boekenbranche. Wat er in de DDR gedrukt mocht worden en wat niet was gezien de angst van de partij voor het geschreven woord een vraag die steeds opnieuw beantwoord moest worden. Voor schrijvers betekende dit censuur en zelfcensuur.
De kritische intellectueel Meno Rohde speelt in de roman een dubbele rol. Hij is van belang voor het verhaal, maar Tellkamp laat hem ook zelf teksten schrijven, waarin Rohde als een scherpzinnig waarnemer van zijn omgeving de gebeurtenissen analyseert en overdenkt. Eind 1988 schreef hij: ‘Een zeldzame ziekte tekende de gezichten, ze was besmettelijk, geen volwassene die ze niet had, geen kind dat onschuldig bleef. Ingeslikte waarheden, onuitgesproken gedachten verzuurden het lichaam, doorwoelden het tot een mijn van angst en haat.’
Rond deze hoofdpersonen bewegen nog tientallen andere personages: familieleden, leden van de bevoorrechte partijelite, overtuigde communisten, opportunisten, mensen die zich uiterlijk aanpasten en zij die de DDR wilden verlaten. Ze bevolken Tellkamps literaire kosmos, waarin zich het leven in de DDR weerspiegelt. Hij beschrijft dat leven in een taal en een stijl die bewondering afdwingen. Meestal is zijn toon ernstig, maar soms is hij bijna poëtisch en af en toe is er plaats voor humor.
De geschiedenis van de jaren tot de val van de Muur wordt breed uitgesponnen, maar Tellkamp kan ook in een enkele zin een hele situatie schetsen. In 1987 bestond Berlijn 750 jaar, een ‘jubileum dat groots moest worden gevierd, een stuiptrekking van levensvreugde, trots, waarin niemand meer geloofde; een met alle kracht voorgenomen uitpersen van het vermoeide, ziekelijke lichaam van de republiek om uit de bedorven sappen een beker scheerling te persen die, in de aderen van de hoofdstad gedruppeld, ziekte in leven, uitputting in hoop en daadkracht zou veranderen…’
In Tellkamps toren bevinden zich verschillende klokken. Hun trage tikken is de haast onhoorbare grondtoon van deze roman. Het kondigt langzaam maar zeker de ondergang van de DDR aan. In de herfst van 1989 sloeg het uur van de geweldloze revolutie. Ook in Dresden besloten mensen ‘eindelijk moedig te worden’ en hingen in enkele winkels bordjes met: ‘Wegens revolutie gesloten’.