Weggaan helpt niet

Lothar Baier, Een jaar alleen. Vertaald door Marion Offermans, uitg. De Bezige Bij, 224 blz., 342,50
Eind jaren zeventig trekt een Duitse schrijver zich voor een jaar terug in de Languedoc, in het gebied van de Rhône op een uur rijden van Avignon, en begint op z'n eentje een vervallen boerderij op te knappen. In 1982 schreef Lothar Baier (1942), essayist, vertaler en een tijdlang Frankrijk-correspondent, zijn verhaal, maar het is eerder een verslag van een zuiveringsproces of een studie in alleenzijn. Onmodieuzer boek is nauwelijks denkbaar.

Om aan te geven wat voor boek het precies is, kan ik nog het best eerst zeggen wat het niet is. Op het eerste gezicht lijkt de verteller een intellectueel die zijn wereld ontvlucht om in den vreemde op het land een nieuw leven te beginnen. Jahresfrist luidt de oorspronkelijke titel, termijn van een jaar, een vastgestelde periode dus, maar ‘Frist’ betekent ook uitstel: de schrijver geeft zichzelf een jaar, een proeftijd, en hoewel hij de boerderij gekocht heeft, is hij niet van plan zich er voorgoed te vestigen. Een idyllische voorstelling van het boerenleven houdt hij er niet op na en hij is ook niet van plan met de plaatselijke bevolking aan te pappen.
Lothar Baier is geen John Berger, al heeft hij wel oog voor wat er in de streek aan het gebeuren is: wat er ooit aan industrie bestond - zijdeteelt, spinnerijen - is allang verdwenen, de wijnboeren hebben het moeilijk en in de verte klinkt het gedruis van vier kernreactoren, een mijn en een cementfabriek. Vooral ’s nachts hoort hij het brommen, een waarneming op de drempel tussen horen en voelen, en juist daarom zo irritant.
Dit is in het begin nog maar een van de vage tekenen dat de buitenwereld zich niet zo gemakkelijk laat wegdenken. Hij is er trouwens niet naartoe getrokken om te gaan schrijven, al heeft hij wat boeken bij zich, vooral van Paul Nizan, de in 1940 gesneuvelde Franse romanschrijver en communist die hij bestudeert; vanaf het eind van de winter, wanneer vrienden en werklui vertrokken zijn, is hij bijna uitsluitend bezig met werken aan het huis. Voor iemand alleen blijkt dat een eindeloos karwei en bovendien een voortdurende strijd met de elementen (de mistral, die hij heel mooi beschrijft, regen, hitte). Dat levert nogal eens komische situaties op. Hij is beslist geen man met twee linkerhanden, in bepaalde dingen zonder meer handig en hij leert snel; maar al even snel beseft hij wat er allemaal komt kijken om de wedloop met de ontbinding aan te gaan.
Uit het verzet of zelfs de sabotage van de dingen blijkt dat hij een programma en een methode mist. Het werk ontwikkelt zijn eigen dynamiek en schrijft hem voor hoe, hoe lang en hoe hard hij moet werken. Voor een tijdje komt het alleen maar goed uit dat hem het initiatief en de beslissingen uit handen worden genomen. Dat biedt hem uitstel voor wat het vervolg van zijn leven aangaat; het houdt ook gedachten op afstand, tenminste zolang hij bezig is - en hij heeft zoveel haast en is soms zo hard bezig dat hij kotsend van uitputting over de grond kruipt.
Misschien werkt hij vooral zo hard om niet te hoeven denken en schrijven. Dus geen boek in een boek; afgezien van een enkele vergelijking van schrijven met bouwen zijn er nauwelijks beschouwingen over literaire of intellectuele onderwerpen. Eerder is het een ontwenningsperiode en daarbij een oefening in het alleenzijn, en het verhaal een onopgesmukt en weinig flatterend verslag van de ups en downs in deze acht maanden.
Opmerkelijk is dat Baier nauwelijks details verstrekt over zijn voorafgaande leven. Misschien juist omdat hij zo direct uit eigen ervaring putte, is hij zo discreet in het vermelden van details. Maar de moeite die hij met het alleenzijn heeft, doet vermoeden dat hij er slechter aan toe was dan expliciet wordt gezegd.
Wanneer hij iets over het motief om zich terug te trekken vertelt, klinkt dat aanvankelijk dan ook tamelijk abstract. Het was geen wanhoop geweest, maar de blikken van anderen werden hem te veel; hoe goed ook bedoeld, hij ervoer ze als controle. Weggaan biedt dan geen soelaas, want ver van hen vandaan is hij zich vooral ’s nachts die blikken meer bewust dan ooit.
Daar komen nieuwe bij, want niet zonder argwaan wordt de vreemdeling door de Franse bevolking gadegeslagen. Hij wordt erop gewezen dat hij zich toch af en toe in het dorp moet laten zien, deze en gene nodigt hem te eten uit en anderen hebben zijn elektriciteit nodig voor het schrikdraad om hun weilanden.
Zachte drang, waaraan hij zich niet kan onttrekken; en als hij na een jaar één ding kan vaststellen, is het wel dat echte afzondering een illusie is. Er is geen tweede wereld waarin men kan wegschuilen, zo luidt zijn niet al te optimistische conclusie: alles is zichtbaar.
Maar hij is in de ban van nog een blik die alle andere vertegenwoordigt en versterkt. Van de achterkant van zijn boek kijkt Paul Nizan hem aan. Op een gegeven moment beeldt de verteller zich in dat Nizan nog leeft en begint hij een denkbeeldig gesprek met een oude man. Dan spreekt Baier namens een generatie van Duitse jongeren, die zich voor de eigen vaders schaamden en nieuwe vaders vonden in de politieke helden en strijders van de jaren dertig. Maar hoe frustrerend was het om te weten dat die generatie van het Volksfront en de Spaanse Burgeroorlog alles al had gedaan en gezegd wat de politiek actieve jongeren in de jaren zestig nog allemaal zelf moesten ontdekken. Baier beseft dat zij alleen maar 'scènes van de gemiste geschiedenis’ aan het naspelen waren. 'Als het mij zou lukken het uit te houden met een blik die op het eerste gezicht al anticipeerde op de laatste teleurstelling, zonder dat ik daar gek van zou worden, dan zou ik van je af zijn, Paul.’
Waar hij vanaf wil, is een bepaald soort idealisme, dat niet tegen de realiteit kan en daarom de blik vervormt. Ook in het klein, zoals het bouwen van een huis in het zuiden vanaf het begin gekleurd is geweest door wensbeelden. Hij heeft het gevoel dat hij ontwaakt uit een slaap van tientallen jaren, 'alsof ik nu moest beginnen met het leren van een nieuw alfabet van het zien’.
Simpel gezegd, hij moet beginnen met eigen ogen te leren kijken, of het nu gaat om een bouwvallig huis, om werk op het land en de natuur, of om de politiek. Als hij verse specie ruikt, ruikt die niet meer naar 'vreugdevolle verwachting’, maar naar verse specie, en dat heel sterk. En de rook uit de schoorsteen geurt niet meer naar belofte, maar naar eikehout en jeneverbes.
Om zo ver te komen dat hij de dingen ziet zoals ze zijn en niet zoals hij ze - gefilterd door beelden en voorbeelden - wenst te zien of krijgt voorgeschreven, moet hij heel wat afleren.
Als hij dat weet, kan de 'voor 'n jaar uit een verre, grote stad gedeserteerde vakantieganger’ weer naar huis.