Toneelgezelschap Wunderbaum speelt Venlo

Weggegumde mensen

Door de bierwalmen heen ruik je bij Venlo de pislucht van de angst. Jammer dat de ambitieuze nieuwe versie van de ‘wraak der machtelozen’ vervolgens zo in het gezicht van de makers ontploft.

‘WERKELOOS HANGEN WIJ, onmondigen, in het gareel, nog twintig jaar moeten we werken want ons pensioen is weg, is foetsie, is ervandoor, we hebben op het verkeerde paard gewed. Toen we in de portefeuille keken zat er nog iets in. Nu zit er nog altijd iets in maar het is niets meer waard. Niet zo veel als we er ooit voor hebben gegeven.’ Dit zijn enkele teksten uit het openingskoor van kleine luiden uit Underground, de Nederlandstalige versie van de nieuwe toneeltekst van Elfriede Jelinek over de daders en de slachtoffers van de kredietcrisis. Het is een van de eerste keren dat ze in een toneelstuk een stem krijgen, de verliezers van de globaliseringseconomie. Of liever: een van de eerste keren dat ze hun stem verheffen, zij het nog wat troosteloos en zonder erg veel hoop. Er klinken echo’s in door uit de klaagzangen van mensen die in de afgelopen twintig jaar iedere keer opnieuw oog in oog kwamen te staan met de dubbele leugen van de gemoderniseerde welvaartsstaat: de belofte van individuele gelijkheid gekoppeld aan sociale gelijkwaardigheid. Met een nieuw modewoord worden ze nu ‘de onrendabelen’ genoemd, machteloze, afgeschafte, weggegumde mensen, niet of nauwelijks meer bevattelijk voor verheven discussies over waarden en normen.
Toen het Filosofie Magazine enkele jaren geleden middels een representatieve steekproef onderzocht welke waarden van belang worden geacht om met elkaar tot een samenleving te behoren (men mocht een reeks ‘kernwaarden’ op een schaal van tien plaatsen), scoorden veiligheid (te lezen als ‘een gevoel van geborgenheid en bescherming’) en fatsoen (‘netjes met elkaar omgaan in de publieke ruimte’) het hoogst. Individuele zelfbeschikking kreeg een mager zeventje. Onderling vertrouwen kwam op de lijst zelfs helemaal niet voor. Uit het hele onderzoek walmde, volgens een aantal commentatoren, een enorm wantrouwen op. Filosoof Ger Groot sprak zelfs over ‘een fundamenteel wantrouwen van de samenleving in zichzelf’, bedoeld als ‘wantrouwen in abstracte zin: de burger acht de samenleving niet capabel om deugdzame burgers te vormen en besteedt die taak graag uit aan (overheids)instanties’. Die het vervolgens ook weer zwaar voor de kiezen krijgen als ze falen. Veel lijkt er anno 2009 niet veranderd sinds het Grote Waardenonderzoek van 2007. Behalve misschien dat het wantrouwen niet slechts beduidend is toegenomen maar ook lijkt gestold in een amorfe beweging onder het kiezersvolk, gevoed door frustratie, verbittering en rancune, gericht op wat Nietzsche ‘de wraak der machtelozen’ noemde.
Ver vóór ‘de onrendabelen’ van Marcel van Dam in 2009 – niet geheel vrij van pathetiek – op het televisiescherm verschenen, betraden zij het Nederlandse toneelpodium. Het was 1987, het betrof de personages uit Gerardjan Rijnders’ theaterfeuilleton De hoeksteen, oorspronkelijk voor de televisie geschreven (maar door de VPRO destijds te gortig bevonden). Hun behuizingen heetten ‘minimumwoninkje’, kraakpand of gewoon ‘drugshol’. De eerste tekst van de eerste scène luidde: ‘Kut. Shitwereld.’ De laatste tekst van de laatste scène was een verpletterend Cioran-citaat uit de mond van de Duitse drugsverslaafde Heidi (een memorabele rol van Celia Nufaar): ‘Es genügt sich mitten in einer Menschenmenge zu befinden um sich sofort mit allen toten Planeten solidarisch zu fühlen.’
De toon van deze machteloze mensenkinderen was een tikje loom nog, berustend ook, verdoofd in ieder geval, zo niet door uiteenlopende geestverruimende en pijnstillende middelen, dan wel door de dagelijkse dosis versimpeling op de ‘treurbuis’, waarop zij in De hoeksteen tegemoet werden getreden door figuren uit de diverse kabinetten-Lubbers, nu vrijwel vergeten overheidsdienaren als Dees, Korte-van Hemel, Ruding, De Korte en Van Eekelen. Dat het feuilleton tijdloos van zeggingskracht was werd aangetoond toen Arie de Mol enkele jaren terug met zijn toneelspelers in een reeks afbraakpanden in Schiedam een geheel nieuwe locatievoorstelling uit Rijnders’ scènes maakte, en dat ver na de-puinhopen-van-tien-jaar-Paars. De hoeksteen stond ook in die opgefriste reprise nog als een huis.
Bij onze oosterburen moest er eerst een muur voor vallen eer de uitgeputte en afgeschafte mensen een gezicht en een stem kregen in een theatervoorstelling, die dan wel ook meteen een legendarische happening werd die bijna vijftien jaar repertoire hield in een theater in het voormalige Oost-Berlijn: Murx den Europäer! Murx ihn! Murx ihn! Murx ihn! Murx ihn ab! Murxen is Ossi-bargoens voor ‘de nek omdraaien’, den Europäer stond voor de steeds ongrijpbaar wordende globaliseringseconomie. De ondertitel luidde: Eine patriotische Liederabend von Christoph Marthaler, de regisseur bij wie inderdaad veel gezongen wordt, voor deze gelegenheid talloze vaderlandslievende hymnen. Elf Ossi’s in afgetrapte vrijetijdskostuums traden erin op, in een reusachtige wachtruimte gezeten aan tafeltjes, DDR-liederen zingend, mechanisch hun ochtendgymnastiek bedrijvend, thee makend uit almaar dezelfde theebuiltjes. Regelmatig werd de stand gecontroleerd van verbrandingsovens. Als de kleppen van die ovens opengingen kwam er muziek uit, verfoeide ‘Ostmusik’ als Auferstanden aus Ruinen en Von der Maas bis an die Memel, maar ook het Horst Wessel-lied. ‘Murx’, zoals de Berlijners de happening liefkozend noemden, is onlangs van het repertoire gehaald, na eerst te zijn verfilmd en op dvd gezet.

ONLANGS BEZOCHT IK een voorstelling waarin een nieuwe versie van ‘de wraak der machtelozen’ het podium betreedt. Het was een van de meest merkwaardige toneelgebeurtenissen die ik in lange tijd zag. Ze werd verzorgd door het jonge toneelgezelschap Wunderbaum en was eerder in 2009 gemaakt als een zomerse theaterverrassing in een tent, lichtgewicht kost tot lering en vermaak, Venlo geheten en aldaar ook geproduceerd. Venlo begon dit najaar een tournee langs speciale speellocaties in Nederland en Vlaanderen, een rondreis die komend voorjaar een vervolg zal krijgen. Een strooibiljet kondigde de gebeurtenis als volgt aan: ‘De inwoners van een provinciestad zijn in een leefbaarheidscrisis beland. De bevolking kampt met haar identiteitsvraagstuk: wie zijn we en waar moeten we naartoe? Ze komen terecht in een spagaat tussen regionalisme en kosmopolitisme. Wunderbaum maakt deze voorstelling in Venlo, het Texas van de Lage Landen, bekend om z’n carnaval, asperges, drugstoeristen en sinds kort als de moederstad van Geert Wilders.’
De voorstelling stond in Amsterdam in een van de talloze steriele ruimtes waar om onduidelijke redenen vergaderd of bijeengekomen kan worden, Paviljoen Stadgenoot in de Sarphatistraat. Ik heb de tentversie van Venlo in Venlo nooit gezien, maar ik kan me voorstellen dat ze in dit soort zaaltjes aan grimmigheid wint. Midden in de ruimte is een podium gebouwd met een draaibaar middendeel. Pontificaal tegen een der lange wanden: een immense bar, beheerd door enkele in Tiroler outfit gestoken tapsters, die het publiek – her en der om het podium op eenvoudige houten banken gezeten aan enorme biertafels – rijkelijk van drank, zoutjes en later van worsten voorzien. Er worden meezingliederen (Steh auf, trink aus) gedraaid met de intentie dat er wordt meegezongen en meegedeind, waarbij de armen de lucht in moeten. De terreur van Hollandse gezelligheid gemixt met Zuid-Nederlandse carnavalsleut. Aanjager is de chef van het lokale politiekorps, die voor de gelegenheid een Limburger variant van de Tiroler Holzhackerhosen heeft aangetrokken en die zijn twee struise dochters onder de serveersters heeft lopen, die hij overigens strak in de gaten houdt om te voorkomen dat ze in handen vallen van blowend mannelijk geteisem. De kettingrokende blonde dame die met een gelaatsuitdrukking van ‘Venlo is niks, maar overal is het niks’ reeds op het draaiende podium heeft plaatsgenomen, blijkt de in een verzorgingstehuis woonachtige moeder te zijn van een lerares aan de middelbare school, ook aanwezig. De vrolijke sfeer is bezwangerd van allerhande bederf, je ruikt door de bierwalmen heen de pislucht van de angst – dat doet Wunderbaum heel goed. Voor we als publiek zo’n beetje zijn aangekomen, moeten we al weer naar buiten. De vrouwelijke wethouder van kunst en cultuur, twee beleidsgebieden die in deze atmosfeer evenveel kans lijken te maken als een sneeuwbal in de hel, onthult een kunstwerk dat de gemeenschap in onderlinge cohesie moet verbinden en dat mede tot stand is gekomen met geld van een lokale bouwondernemer. Als we weer binnen zijn wordt het tweede deel van het kunstwerk ‘dat de gemeenschap moet verbinden’ vertoond, een documentaire over Venlo, waarin alle aanwezige personages opnieuw een rol spelen. Als ook de verwoed wietrokende puberzoon van de wethouder is gearriveerd, staat het spel definitief op de wagen en kan de hele boel fataal ontploffen. Tot zo ver de feiten.
Zo zorgvuldig als Wunderbaum in Venlo aanvankelijk zijn speelmiddelen heeft georganiseerd, zo slordig wordt met het materiaal omgesprongen vanaf het moment dat het hek van de dam is gesleurd. Neem de taal. Daar lijkt aanvankelijk iets raars, iets geheimzinnigs mee aan de hand te zijn, banaal taalgebruik mengt zich met een licht verheven woordkeus, zoals we dat kennen van Oostenrijkse auteurs als Gustav Ernst en Werner Schwab in de voorstellingen door De Trust. Maar als de personages het achterste van hun tong laten zien, zoals de lerares van de middelbare school die een filippica tegen de politiek afsteekt, waarvan het overduidelijk de bedoeling is dat de vonken er vanaf springen, dan hoor je de oneliners, de morele herbewapening en de rancune van kilometers afstand aan komen denderen. Als ze eenmaal zijn gearriveerd is alle kracht eruit. Ook zeer voorspelbaar zijn de grofheden van de bouwondernemer, die voor zijn kunstzinnige bijdrage van vijfentwintigduizend euro minimaal een wip met de wethouder en als het even kan nog een brok economische infrastructuur daar bovenop wenst, nee eist, en zulks omzet in wat weinig minder is dan een verkrachting plus een tirade van verbitterde verrechtsing. Dat de avond bijzonder ongemakkelijk zou gaan worden, dat hing van meet af aan in de lucht. Maar dit ongemak is wel erg gemakzuchtig bij elkaar gesprokkeld.
Daar moet, alvorens we weer uiteengaan, nog een pittige coup de théâtre overheen, zou je zeggen, en die komt er ook. De wethouder van kunst en cultuur, die aan alle kanten vernederd is en besmeurd met bier en huzarensalade, heeft het laatste woord. Zij leest, ‘lijdend aan de mythe van de hoop’, de opmars der rancuneuze horden de les: ‘Ik heb mijn oor al die tijd bij uw stinkende adem gelegd en nu word ik wakker en zie: u bent de slaapwandelaar die van onze democratie een nachtmerrie maakt.’ Echt helpen doet het niet meer. Zelden een ambitieuze en in aanzet spannende toneelonderneming zo in het gezicht van de makers zien ontploffen, ons achterlatend met een overdosis verschaald bier en lauwe worsten.

Venlo is in april en mei in ieder geval te zien in Utrecht en Delft, www.wunderbaum.nl. De verfilming van Murx den Europäer is op dvd te bestellen via www.volksbuehne-berlin.de. De tekst van De hoeksteen maakt deel uit van de bundel Gerardjan Rijnders Toneel, International Theatre & Film Books (1992)