Het offensief tegen ondermijning

‘Wegkijken is geen optie meer’

‘Ondermijnende criminaliteit’: een eenduidige definitie blijft uit, maar het buzzwoord is niet meer weg te denken uit media en politiek. Met een hoger budget voor politie en OM moet de ‘vermenging van de onderwereld en de bovenwereld’ een halt worden toegeroepen. Maar dit is niet zonder risico’s.

December 2017. In het buitengebied van Culemborg is een grote hoeveelheid xtc-afval gedumpt. Het zijn zo’n tweehonderd vaten van 25 liter © William Hoogteyling / HH

Een grote menigte op de Grote Markt in Haarlem roept: ‘Handen af van Jos Wienen.’ Die woorden worden herhaald door minister Kajsa Ollongren. Zij zegt vanaf een podium: ‘De bedreigingen aan het adres van Wienen waren zo erg dat hij heeft moeten onderduiken. Dat is in een democratische rechtsstaat onaanvaardbaar.’

Jos Wienen is de burgemeester van Haarlem die te maken heeft met aanhoudende bedreigingen. Zijn huis werd al bewaakt en voor het stadhuis stonden op een dag zwaarbewapende agenten, maar dat bleek niet genoeg om zijn veiligheid te waarborgen. Het motief? Dat is niet helemaal duidelijk, maar: Wienen sloot sinds zijn aantreden in 2016 het clubhuis van de Hells Angels, net als een illegaal gokhuis en woningen waar hennepplantages werden aangetroffen. Vorig jaar liet hij voor zes miljoen aan crimineel vermogen in beslag nemen in het gebied waar hij verantwoordelijk is, een vervijfvoudiging ten opzichte van een jaar eerder. Wienen is een bestuurder die de harde lijn heeft gekozen in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit.

Op de vraag van het Haarlems Dagblad of die strijd wel te winnen valt, zei Wienen in mei: ‘Er is geen andere optie. Je ziet in bepaalde landen – met name in het Oostblok – wat er gebeurt als vormen van criminaliteit een te grote omvang hebben gekregen. We komen echt niet terecht in een paradijs waar criminaliteit niet bestaat, maar we moeten wel de strijd aangaan.’

Dat past precies in het beleid van minister Ferdinand Grapperhaus van Justitie en Veiligheid. Hij schreef begin juli in een brief aan de Tweede Kamer: ‘Een breed offensief is nodig van de overheid én maatschappelijke sectoren, wegkijken is geen optie meer.’ Grapperhaus zette uiteen hoe het kabinet de aanpak van ‘ondermijnende criminaliteit’ de komende jaren ter hand wil nemen.

Ondermijnende criminaliteit is een term die de laatste jaren in zwang is geraakt. Hij wordt – bijvoorbeeld in de media en in de politiek – vaak in één adem genoemd met de wietteelt in woonwijken, de productie van synthetische drugs en het afval daarvan dat gedumpt wordt, het ronselen van jongeren op scholen die ‘niet meer in een supermarkt gaan werken als ze met drugs rondrijden een veelvoud kunnen verdienen’.

Maar ook met beruchte motorbendes en criminele organisaties. Het gaat over bedreigingen van burgemeesters en raadsleden, het witwassen van grote criminele vermogens en liquidaties in het criminele milieu. Met daarbij om de haverklap verwijzingen naar de reden voor hoe we op dit alarmerende punt zijn aanbeland: er zou jarenlang zijn ‘weggekeken’.

Maar waarvan dan? Voor wie wil weten wat ondermijnende criminaliteit precies is, biedt een ronde langs de opsporingsdiensten geen uitkomst. Volgens de politie is het ‘grofweg de vermenging van de onderwereld en de bovenwereld’, het Openbaar Ministerie (OM) rept over ‘misdaad die maatschappelijke structuren of het vertrouwen daarin schaadt’ en de rijksoverheid meldt op haar website dat ondermijnende criminaliteit ‘veel soorten criminaliteit omvat en daarmee samenhangende activiteiten’. Een eenduidige definitie is er niet, maar waar iedereen het wel over eens is: zoals het nu gaat, kan het niet langer.

Minister Grapperhaus is niet de enige die vindt dat de blik afwenden geen optie meer is. De burgemeesters van Eindhoven, Breda, Helmond, Den Bosch en Tilburg publiceerden in februari 2017 een brandbrief tegen ondermijning. ‘Er is te lang weggekeken van de verborgen criminaliteit en de enorme op export gerichte drugsindustrie die de afgelopen decennia in ons land is ontstaan’, schreven zij in hun pamflet Opstaan tegen ondermijning. Ook het OM is het beu. ‘Wegkijken is dat je vrij baan geeft aan criminelen’, zei een in het Algemeen Dagblad opgevoerde Haagse officier van justitie.

Bij de politie klinkt hetzelfde geluid. De politiechef Zeeland-West-Brabant, Hanneke Ekelmans, riep eind januari burgers op om ‘goed op te letten, sneller te bellen en informatie te delen’. Want: ‘Alleen zo kunnen we met elkaar de ondermijning echt terugdringen. Inwoners, bedrijven en organisaties kunnen en mogen niet wegkijken. Ieder hoort zijn verantwoordelijkheid te nemen en de wil en de moed te hebben om zaken te melden die verdacht zijn.’

Blijkbaar heerst bij de overheden het gevoel dat nu alle zeilen bijgezet moeten worden om te voorkomen dat de samenleving ten prooi valt aan goed georganiseerde criminele verbanden. ‘We hebben het allemaal laten gebeuren – nu pas gaan we het serieus aanpakken’, zei Peter Noordanus, de voormalige burgemeester van Tilburg van de zomer in De Groene. Hij is inmiddels voorzitter van het Landelijk Strategisch Overleg Aanpak Ondermijning dat adviseert over de inzet van de honderd miljoen euro uit het regeerakkoord. ‘We zijn laat. Maar niet té laat.’

Vorig jaar werd ondermijnende criminaliteit opgenomen in het regeerakkoord, waarmee het begrip een officiële categorie werd in het veiligheidsbeleid. Het kabinet beloofde naast de honderd miljoen euro voor dit jaar vijf miljoen euro uit te trekken voor de organisaties die ondermijnende criminaliteit samen met het OM en de politie bestrijden. Vanaf volgend jaar wordt dat bedrag verdubbeld; die tien miljoen euro zal vervolgens jaarlijks tot het einde van de huidige regeerperiode worden toegekend.

Ook de politie en het OM krijgen er geld bij. Bij de politie wordt dat met name geïnvesteerd in de aanstelling van rechercheurs die zich zowel op landelijk niveau als in de wijken gaan bezighouden met ondermijnende criminaliteit. Bovendien wordt er gewerkt aan ‘ondermijningswetgeving’, onder meer ter verruiming van de bevoegdheden voor het delen van informatie tussen instanties en om het makkelijker te maken criminele motorclubs te verbieden.

Al die daadkracht is uitvloeisel van een proces van tien jaar waarin de term ‘ondermijnende criminaliteit’ zich nestelde in het nationale discours over veiligheid en criminaliteit. De term werd geïntroduceerd door de Raad van Korpschefs in 2007, toen eveneens de Wet Damocles werd ingevoerd, waardoor burgemeesters ook drugspanden konden sluiten die geen overlast gaven.

‘Ondermijning is een heel fluïde term’, zegt Michel Vols, adjunct-hoogleraar openbare-orderecht aan de universiteit van Groningen. Hij zag de term zo vaak opduiken dat hij besloot hem nader te beschouwen. Samen met onderzoekster Mirjam Tuk publiceerde hij eind juni een artikel in het Nederlands Juristenblad waarin zij concludeerden dat ‘ondermijning’ een zeer succesvol ‘retorisch frame’ vormt, ingezet door politie en justitie ‘als katalysator voor intensievere en ruimere inzet van bevoegdheden’ en, zo vertelt hij, voor de verwerving van ruimere budgetten. Dat laatste is logisch, gezien de zware bezuinigingen in voorgaande jaren.

Ook in politieke kringen zijn de grenzen van ‘ondermijning’ vaag. Toen GroenLinks-parlementariër Kathalijne Buitenweg minister Grapperhaus afgelopen jaar tijdens een algemeen overleg vroeg om een heldere definitie zei hij ‘niet een vastomlijnde definitie’ te hebben. ‘Maar ik zie het zelf als zo ongeveer: criminaliteit die op georganiseerde wijze de bindingen van de samenleving, en dus ook de staat, ondergraaft.’

‘Mensen wisten inmiddels dat door de overheid niets gedaan zou worden. Ook niet als zij hun nek zouden uitsteken en aangifte zouden doen’

Ondermijning blijft een buzzwoord dat appelleert aan een onderbuikgevoel. Volgens Michel Vols heeft de term ‘een nog sterkere mobiliserende werking dan bijvoorbeeld het woord veiligheid’. Dat laat ruimte voor krachtdadige teksten, zoals blijkt uit een lezing van minister Grapperhaus in juni. ‘Ondermijnende criminaliteit, dat is misdaad die de burger bedreigt en de buurt besmet. Ondermijnende criminaliteit is misdaad die georganiseerd en welbewust gewone mensen in hun degelijke bestaan omstrengelt. De onderwereld die de bovenwereld aantast. Die ondermijnende criminaliteit gaan we met nog meer kracht keihard aanpakken. Samen.’

Terug naar het ‘wegkijken’. Daarmee moet het volgens de politie, het OM en de minister afgelopen zijn. Waar begon het en wie doen het? Het gebeurde in elk geval bij de politie zelf, vertelt criminoloog en cultureel antropoloog Frank Bovenkerk. Hij was een van de vier onderzoekers die, onder leiding van criminoloog Cyrille Fijnaut, een centrale rol speelden tijdens de irt-enquête. Een parlementaire commissie, onder leiding van pvda-Tweede-Kamerlid Maarten van Traa, onderzocht van 1994 tot 1996 de uit de hand gelopen opsporingsmethoden van het Interregionaal Rechercheteam (irt), waaronder het inzetten van criminele informanten en de gecontroleerde doorvoer van scheepscontainers vol hasj.

Haarlem, 14 oktober. Burgemeester Jos Wienen spreekt tijdens een demonstratie als steunbetuiging na bedreigingen aan zijn adres © Remko de Waal / ANP

Hoewel de IRT-enquête het gevaar toonde van de criminaliteit achter de soft drugs was bij de politie het wegkijken volgens Bovenkerk soms een bewuste strategie. Hij ging eens mee met een inval in een woonwagenkamp in Midden-Nederland. Bovenkerk: ‘De politie reed het terrein op en er werd heel ontspannen gereageerd; de huizen werden opengemaakt, de sfeer was gelaten. In acht van de tien huizen werd hennep aangetroffen. Ik zei tegen de politiecommandant: “Je gaat zeker weer terug als de volgende oogsttijd er is?” “Ik kijk wel uit”, antwoordde hij. “Wij hebben een modus vivendi met deze mensen. Ze weten dat we eens in de zoveel jaar komen. Maar we worden niet écht vervelend, want dan worden zij dat ook en dan zijn we constant met ze bezig.”’

Bovenkerk ging in 2009 met pensioen. We bezoeken hem in zijn woning in Amsterdam-Zuid, niet ver van het Italiaanse restaurant Ferilli’s Caffè op de Beethovenstraat. Daar werd in juli nog een Kroatisch-Nederlandse crimineel geliquideerd. Tijdens ons gesprek loopt hij herhaaldelijk naar zijn studeerkamer om rapporten en studies te halen voor het naslaan van feiten. In een jaar tijd schreven Bovenkerk en zijn collega’s 1100 pagina’s vol onderzoeksresultaten.

Daaruit blijkt dat veel van de praktijken die tegenwoordig opduiken in de beschrijvingen van ondermijnende criminaliteit al halverwege de jaren negentig bekend waren, zonder dat er actie tegen werd ondernomen. Van Traa wees reeds op de toenemende verwevenheid van onder- en bovenwereld omdat criminelen via legale makelaars en notarissen hun vermogens probeerden wit te wassen.

Bovenkerk en zijn collega’s lieten bovendien zien dat het mis zou lopen aan de achterdeur van de coffeeshops, waar momenteel zoveel over te doen is. Ook over de betrokkenheid van motorbendes bij zware misdaad was al volop kennis tijdens de irt-enquête. In 1995 had Cyrille Fijnaut reeds gepleit voor diepgaand onderzoek naar hun activiteiten. Dat kwam er niet.

Politie, justitie en zelfs de rechterlijke macht keken sinds de irt-affaire vaak weg. Dat werd ingegeven door allerlei factoren: capaciteitsgebrek, de nadruk op ‘high impact aangiftecriminaliteit’ (met name overvallen en inbraken) en huiver bij het inzetten van bijzondere opsporingsmethoden: een erfenis van de irt-affaire. Aan het terugdringen of indammen van de georganiseerde misdaad werd na de enquête weinig gedaan. Zo was de aanpak van de uit zijn jasje groeiende wietteelt geen prioriteit en iets dat als redelijk onschuldig werd gezien, terwijl het geld dat ermee werd verdiend werd gebruikt om legale ondernemingen te starten. Volgens experts was ook de omvang van bijvoorbeeld de productie van synthetische drugs nog onduidelijk. In 2003 werd weliswaar de Wet Bibob ingesteld, om middels screeningen en een strakker vergunningenbeleid te voorkomen dat criminelen legale instituties voor hun karretje spannen, maar sindsdien is herhaaldelijk geconstateerd dat de wet tekortschiet.

Ook veel burgemeesters wendden de blik af. Het bestrijden van zware criminaliteit is nu eenmaal niet hun taak. In maart zei burgemeester Wil Houben van de Limburgse gemeente Voerendaal in NRC Handelsblad dat 25 jaar lang werd ‘weggekeken, gedoogd en aangemodderd’ en niet alleen in zijn gemeente. Hij kwam begin dit jaar in het nieuws omdat hij door een gemaskerde man met een pistool werd bedreigd. Dat gebeurde nadat hij zijn gemeente had doorgelicht en actie ondernam tegen drugspanden en xtc-labs. Nieuwsportaal 1Limburg ging te rade bij oud-burgemeesters van de gemeente. Waarom hadden zij niet eerder ingegrepen? Houbens directe voorganger zei dat eerder enkele invallen waren gedaan, maar dat die nu eenmaal niet de publiciteit hadden gehaald. Een andere oud-burgemeester weigerde elk commentaar.

En de burgers in den lande, keken zij ook weg? Daarover lopen de meningen uiteen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat mensen in de wijken en dorpen vaak wel wisten dat er wiet, xtc of speed werd geproduceerd, maar dat ze niets zeiden. Vaak uit angst, soms uit afkeer van het gezag. Volgens Marnix Eysink Smeets, lector publiek vertrouwen en veiligheid aan de Hogeschool Inholland en voorzitter van de Landelijke Expertisegroep Veiligheidspercepties, werd ook vaak weggekeken omdat mensen inmiddels het vertrouwen kwijt waren dat melden iets zou veranderen.

Dat merkte hij toen hij onderzoek deed naar ‘de onaantastbaren’, straatjongeren met een machtspositie in de wijken, die bekend waren bij de instanties maar nooit echt werden aangepakt. ‘Mensen wisten inmiddels dat door de overheid niets gedaan zou worden. Ook niet als zij hun nek zouden uitsteken en aangifte zouden doen.’ Is dat wegkijken? Nee, vindt Eysink Smeets. ‘Hun houding is een gevolg van de opstelling van de overheid. Het waren niet de burgers die wegkeken, maar de overheid.’

In de periode na de irt-enquête tot ver in het nieuwe millennium ontstond zo een klimaat van machteloosheid en verloedering in veel stadswijken. ‘Dat het met de drugscriminaliteit uit de hand ging lopen wisten we al heel lang’, zegt Eysink Smeets. Hij vertelt over een collega die in opdracht van justitie onderzoek deed in de wijken en ontdekte dat de wietteelt op zolders het onschuldige stadium ver voorbij was. ‘Er zitten criminele netwerken achter’, zei de collega. Hij kon die informatie echter niet kwijt binnen de opdracht waarmee hij op pad was gestuurd. Dus maakte hij er melding van in een begeleidend schrijven, dat vervolgens werd genegeerd. ‘De bestuurders wilden er niet aan. Het kwam ze niet uit’, zegt Eysink Smeets. ‘Uncomfortable knowledge’ heet dat verschijnsel, legt hij uit. De wietzolders en de complexe problematiek erachter, pasten niet in het gevoerde beleid. ‘En dan negeren bestuurders die kennis liever. Dat is helaas een veel voorkomend euvel.’

Hij ondervond het zelf toen hij in 2011 samen met anderen een rapport publiceerde over ‘de onaantastbaren’. Eysink Smeets: ‘Degenen die op straat werken, zeiden: “Wat goed dat dit eindelijk eens wordt gezegd.” De strategen en beleidsmakers zeiden: “Klopt niks van. Niemand is onaantastbaar in Nederland.” Maar uit dit soort groepen kwam wél de Mocro-maffia voort.”’

Ook op andere terreinen bouwde zich uncomfortable knowledge op die de opsporing en vervolging jaren later als een boemerang in het gezicht zou slaan. Zo verdween in 2011 het alarmerende onderzoek Recherchetoestanden over opleidingsniveau, motivatie en sterkte van de recherche in een bureaulade. Hetzelfde gebeurde met een explosief rapport over de wietteelt in Tilburg uit 2012, die met een jaarlijkse bruto omzet van tussen de 728 en 884 miljoen euro ongeveer gelijk zou zijn aan de begroting van die gemeente.

Vanaf 2007 verschijnen de eerste scheurtjes in het wegkijkbastion. Het begint met het beleid ter verheffing van achterstandswijken, in 2007 ingezet door minister Ella Vogelaar met haar lijst van veertig Nederlandse probleemwijken. Het wordt steeds moeilijker voor beleidsmakers om te negeren wat straathoekwerkers en inwoners al lang weten: de wietteelt op zolders is stevig gevestigd en maakt gebruik van legale monteurs, growshops, makelaars en advocaten.

‘Het is niet goed als de burgemeester de rol van crime fighter gaat vervullen. Dat is aan politie en justitie. Burgemeesters moeten vooral normen stellen’

In 2008 wordt de Taskforce Aanpak Georganiseerde Hennepteelt opgericht. Politiecommissaris Max Daniel, commandant van de taskforce, geeft interviews aan landelijke dagbladen en verschijnt in praatprogramma’s. Hij vertelt over ripdeals en onwillige telers die ‘de knieën kapot worden geschoten’; het afbreken van het onschuldige imago van de wietteelt is een expliciet doel van de taskforce. Dus gaat het niet meer over tante Ans die met een paar plantjes op zolder haar vakantie naar Mallorca bij elkaar klust, maar over gewelddadige criminele organisaties die hun bloedgeld investeren in de bovenwereld; bewustwording om het wegkijken te stoppen. Het heeft nog weinig effect.

In datzelfde jaar worden ook de eerste ‘Regionale Informatie- en Expertisecentra’ (riec’s) opgetuigd die burgemeesters ‘gevraagd of ongevraagd’ van informatie voorzien over de georganiseerde misdaad in hun gemeenten. Zij kunnen nu niet meer zeggen dat ze van niets wisten. Uit het eerste jaarverslag van de riec’s, gepubliceerd in 2010, blijkt dat inmiddels een ‘integrale aanpak’ op lokaal niveau is ontstaan. Wordt een xtc-lab of een wietplantage gevonden, dan laat de burgemeester het pand sluiten, leggen de Belastingdienst en het energiebedrijf vorderingen op en start het OM bij genoeg bewijs een strafzaak. Als de burgemeester van Helmond in december 2010 moet onderduiken omdat hij met de dood wordt bedreigd, waarschijnlijk omdat hij een coffeeshop liet sluiten, beheerst dat dagenlang het nieuws. Het is de eerste burgemeestersbedreiging in een nog steeds lopende reeks die grote aandacht krijgt.

Een andere nieuwsstroom wordt gevormd door de acties van de in 2010 opgerichte Taskforce Aanpak Georganiseerde Criminaliteit. Aanvankelijk is die actief in de vijf grootste steden in Brabant (‘B5’), maar wegens succes breidt het operatiegebied zich uit naar heel Brabant en Zeeland. De taskforce verspreidt een gestage stroom berichten over het oprollen van wietplantages en xtc-labs. In 2013 duikt daarin de term ‘ondermijnende criminaliteit’ steeds vaker op; vanaf 2014 heeft de term zich definitief in het journalistieke jargon gevestigd. Dat is het jaar waarin Peter Noordanus, op dat moment nog burgemeester van Tilburg, het explosieve rapport over de wietteelt in zijn stad uit de bureaula opdiept. Het wordt breed uitgemeten in de landelijke media.

Een jaar later komt ook het weggestopte rapport over de wantoestanden bij de recherche boven water. Het zal een belangrijke rol spelen in het brede, succesvolle verzet tegen nóg meer bezuinigingen op politie en OM, die sinds 2011 al ruim een half miljard hebben ingeleverd. Met Prinsjesdag 2016 volgt de omslag: voor het eerst sinds jaren krijgen politie en OM er structureel geld bij.

Ontruiming van een hennep­-kwekerij in een Tilburgse woonwijk, november 2016 © Joyce van Belkom / HH

In 2016 publiceert Volkskrant-journalist Jan Tromp, samen met de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde Pieter Tops, tevens lector aan de Politieacademie, het boek De achterkant van Nederland over de ondermijnende gevolgen van de drugscriminaliteit in het zuiden van het land. Het boek, een uitvloeisel van een artikelenreeks uit 2015 in de Volkskrant, maakt veel los. Burgemeesters worden er in voorgesteld als ‘frontsoldaten’ in de strijd tegen de ondermijnende criminaliteit.

In 2017 is het wegkijkbastion binnen de overheid volledig ingestort. Sindsdien verschijnt een gestage stroom rapporten, steeds gefinancierd door politie en justitie, die in verband staan met ondermijning. Daaruit blijkt onder meer dat één op de vier burgemeesters wordt bedreigd, maar lang niet altijd door drugscriminelen. Uit een ander rapport blijkt dat het erg meevalt met de infiltratie van het openbaar bestuur. In hoogstens acht procent van de gemeenten zou sprake kunnen zijn van ‘ondermijnende effecten’ door omkoping en infiltratie, maar hard bewijs daarvoor ontbreekt.

Het meest recente rapport dat de gemoederen beroerde was dat over de productie van synthetische drugs in Nederland, gemaakt onder leiding van Pieter Tops in opdracht van de Politieacademie. De Nederlandse productie van xtc, mdma en speed in 2017 zou goed zijn geweest voor een wereldomzet van 18,9 miljard euro. De auteurs bekritiseren de Nederlandse regering omdat drugsbestrijding jarenlang geen ‘topprioriteit’ was.

Tegenwoordig behoort wegkijken niet meer tot het repertoire van de misdaadbestrijders. ‘Als je onze aandacht hebt, houd je die ook. Vroeger gaven we harde klappen, met driehonderd man een kamp binnen. Dan wisten ze dat ze de twee volgende jaren veilig zaten. Nu komen we om de haverklap, tot ze het kotsbeu zijn. We zijn niet te stoppen’, zei een programmaleider van de Taskforce Brabant-Zeeland in april tegen verslaggevers van het Eindhovens Dagblad.

De doorbraak van het ‘ondermijningsperspectief’ is zo volledig dat het steeds moeilijker wordt om er kritiek op te leveren. ‘Ik sprak een verbaasde politieagent die me vertelde dat zijn team opeens werd omgedoopt tot “ondermijningsteam”’, zegt Michel Vols. Er is nauwelijks verzet binnen de diensten en zelfs niet in de politiek. ‘Je krijgt onmiddellijk het verwijt dat je Brabant laat vallen. Je partij zal niet blij zijn met je kritiek.’

Er zijn risico’s. ‘Ondermijning’ is zo veelomvattend dat het volgens Eysink Smeets een ‘levensgevaarlijke term’ is die wel eens negatief op de overheid zou kunnen terugslaan. Als je geen ondermijning meer duldt, hoe leg je dan aan de burgers uit dat je de slagkracht van je eigen organisaties hebt ondermijnd door reorganisaties en bezuinigingen? Ook het relatief ongemoeid laten van grote bedrijven die zich bedienen van illegale strategieën, zoals ing, Uber, en Volkswagen met zijn diesel-sjoemelsoftware is volgens Eysink Smeets problematisch. ‘Wat doet Nederland? Dat schaft de Audi A6 aan voor de politie. Dat is pas ondermijnend voor het vertrouwen van burgers in de overheid.’ Audi behoort tot het Volkswagen-concern. In februari werden op last van justitie in Duitsland invallen gedaan bij de fabriek waar de V6-3-liter-dieselmotoren worden geproduceerd: dat zijn de motoren in de nieuwe A6 tdi’s van de Nederlandse politie.

Een ander probleem is het gebrek aan verifieerbaarheid. Veel rapporten over ondermijnende criminaliteit zijn noodgedwongen gebaseerd op schattingen. In de discussie zie je dat vaak niet meer terug. Soms worden schattingen opeens feiten, zoals bij de export van nederwiet. Een schatting van ‘20 tot 90 procent’ van de wietteelt die bestemd zou zijn voor de export werd door de Taskforce Aanpak Georganiseerde Hennepteelt verbasterd tot een feitelijke ‘90 procent’.

Hetzelfde dreigt nu te gebeuren met het rapport van de Politieacademie over synthetische drugs dat volledig op schattingen is gebaseerd. Het astronomische bedrag van 18,9 miljard euro is vooral wat buitenlandse criminelen verdienen met drugs die in Nederland zijn geproduceerd. Het bedrag dat daadwerkelijk in de zakken vloeit van Nederlanders – en dus waarschijnlijk ‘ondermijnend’ zou kunnen werken – ligt tussen de 610 miljoen en vijf miljard euro. In media en politiek staan die 18,9 miljard centraal. Pieter Tops, de belangrijkste auteur, bevestigt dat de 18,9 miljard niet is wat in Nederland terechtkomt. ‘Er zit een enorm gat tussen wat nationale en internationale criminelen verdienen.’

Tops’ collega Toine Spapens was ook betrokken bij het explosieve rapport over de wietteelt in Tilburg. Het radioprogramma Argos kreeg het onlangs in handen en bracht het nieuws dat het was gebaseerd op de verklaringen van één informant die mensen uit de drugswereld achter de tralies wilde hebben omdat hij zich bedreigd voelde. Tops: ‘Over de informant wordt al vijf jaar openlijk gesproken. We hebben zijn uitspraken niet voor zoete koek aangenomen en gecontroleerd, voor zover dat mogelijk was. Er zullen altijd mensen zijn die dit soort cijfers in twijfel trekken.’ Dergelijke onderzoeken tonen volgens hoogleraar Michel Vols het gevaar van het dwingende ondermijningsframe. ‘Laten we het nu eens echt goed uitzoeken. Hoe groot is de omvang van die ondermijning nu precies? Het huidige onderzoek is verbrokkeld en te veel gebaseerd op schattingen. Bovendien wordt het vaak uitgevoerd door instanties die belang kunnen hebben bij het aantonen van ondermijning.’

Maar het grootste risico van het offensief tegen ondermijning is het mogelijke gevaar voor de rechtsstaat zelf. Langzaam maar zeker verschuift de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit van het strafrecht naar het bestuursrecht, met de burgemeester in de hoofdrol.

Michel Vols wijst erop dat het strafrecht meer waarborgen biedt ter bescherming van een onschuldige dan het bestuursrecht, waarbij maatregelen zoals het sluiten van iemands woning pas achteraf kunnen worden aangevochten. ‘Een sluiting kan drie maanden duren, maar ook vijf jaar. Als huurder kom je op een zwarte lijst. Als je eigenaar van het pand bent eist de bank de hypothecaire lening direct terug. We geven de burgemeesters dus in feite verregaande bevoegdheden om mensen dakloos te maken. Ik vraag me af of dat slim is. Mijn inschatting is dat je dan verder zult gaan in de criminaliteit.’

Ook Pieter Tops heeft zijn bedenkingen. ‘Het is niet goed als de burgemeester de rol van crime fighter gaat vervullen. Dat is aan politie en justitie. Burgemeesters moeten vooral normen stellen, laten zien wat wel en niet kan in de stad.’

Jos Wienen is niet de eerste burgemeester van Haarlem die te maken heeft met bedreigingen en intimidaties. Zo werd de auto van zijn voorganger Bernt Schneiders in 2016 in brand gestoken, iets waar een beruchte Hells Angel lange tijd van werd verdacht. Schneiders vindt dat burgemeesters niet meer het boegbeeld moeten zijn van de strijd tegen ondermijnende criminaliteit, zo zei hij onlangs op Radio 1 als reactie op de massale steunbetuiging op de Grote Markt aan Wienen. ‘Burgemeesters komen steeds meer in beeld als crime fighters en zijn ontzettend zichtbaar en daarmee ook kwetsbaar. Een officier van justitie staat betrekkelijk anoniem in een zwarte toga in de rechtszaal, de burgemeester voor iedereen vindbaar en zichtbaar in het telefoonboek.’