Wegwijzer

Het enige gesprek dat ik ooit met Harry Mulisch voerde duurde twintig seconden en vond plaats op het Leidseplein. Ik was zestien jaar en liep daar samen met mijn eerste vriendinnetje (15) dat op dat moment nog niet eens officieel mijn eerste vriendinnetje was, al zou daar snel verandering in komen.
Eigenlijk zouden we met een grotere groep klasgenoten van onze school in Leiden naar de Grote Stad gaan, maar door allerlei toevalligheden, deels door mijzelf gearrangeerd, deels door de schikgodinnen, waren zij en ik de enigen die die dinsdag in de kerstvakantie op de trein stapten.
Net buiten het Centraal Station pakte zij ineens mijn hand vast. ‘Zo raken we elkaar niet kwijt’, luidde haar excuus. Ze droeg een rode wollen jas met een capuchon. Wat we wel kwijtraakten was ons oriëntatievermogen. Zonder te weten waarom wilden we naar het Rembrandtplein, dat we slechts van naam kenden, maar we belandden op het Leidseplein.
Op de kaart van een tramhokje probeerde ik de weg te vinden, maar zij opperde: 'We vragen wel iemand de weg.’
Ik hield daar niet van, en nog steeds verdwaal ik liever dan mezelf afhankelijk te moeten maken van de adviezen van derden, die bovendien toch nooit te onthouden zijn. Maar zij begon al om zich heen te speuren naar iemand die als een betrouwbare Amsterdamse inwoner oogde. Haar keuze viel op een magere heer, diep in zijn kraag weggedoken tegen de vrieskou, die in gedachten verzonken langs kwam.
'Meneer? Weet u de weg naar het Rembrandtplein?’ vroeg het vriendinnetje.
De meneer keek op uit z'n kraag. Wenkbrauwen verontwaardigd en geamuseerd omhoog, alsof we hem in de maling namen. Na een korte stilte begon hij aan zijn uitleg - hij stuurde ons via de Bloemenmarkt - waarbij hij met wijs- en middelvinger samengedrukt wat bewegingen maakte alsof hij schaakstukken verplaatste boven een denkbeeldige plattegrond.
Even leek hij daarna verbaasd dat dit het enige was wat wij van hem verlangden. Pas toen hij verder liep na ons bedankje, keken wij elkaar aan, verbluft, opgewonden, bij elkaar bevestiging vindend van wat gedurende die twintig seconden steeds duidelijker tot ons was doorgedrongen: 'Was dat niet… HARRY MULISCH!!! Ja! Dat was… HARRY MULISCH!!!’
Die avond zoenden we voor het eerst met elkaar (ik en dat vriendinnetje bedoel ik dus; met Mulisch bleef elk contact beperkt tot bovengeschetst onderhoud). We bleven zeven jaar samen. Ik wil niet suggereren dat Mulisch daar de hand in heeft gehad, maar anderzijds weet je dat maar nooit.
Ineens zie ik ons ook weer zitten met warme chocolademelk in een café bij de Blauwbrug. Menschen heette het. En blijkbaar had de verschijning van Mulisch zo'n indruk gemaakt dat we ook achter het toeval van die gelijkenis (Menschen - Mulisch) hogere machten vermoedden.
Reconstructie leert me dat dit alles plaatsvond in december 1992. De ontdekking van de hemel was dus twee maanden eerder verschenen en Mulisch moet in een storm van publiciteit hebben gestaan. Desondanks leek hij bereid op alles antwoord te willen geven wat we hem maar zouden vragen. Heb je eindelijk de kans om Harry Mulisch alles te vragen, vraag je hem de weg naar het Rembrandtplein.
Voor mij als scholier was hij een monument. Ik had bij Nederlands een werkstuk over De elementen geschreven en er een 10 voor gekregen. Ik leerde de kracht van mythologische vertellingen kennen dankzij Het zwarte licht.
Als student pluisde ik zijn werk nog veel verder uit. Mulisch bleek een van de zeldzame auteurs wiens boeken daartegen bestand waren. Zijn oeuvre is een raadsel dat raadselachtiger, complexer, rijker, betekenisvoller wordt, als je het min of meer systematisch analyseert.
Toen ik zelf ging schrijven, meer dan tien jaar na die Leidseplein-scène, was Mulisch nog steeds een referentiepunt. 'Beter een dag slecht schrijven dan een dag niet schrijven’, is een credo dat ik regelmatig herhaal.
Zoals ik bij aanvang van elk concert met orkest aan dit terloopse beeld moet denken uit De ontdekking van de hemel: ’(…) en terwijl de ruimte zich geleidelijk vult met de gedempte kakofonie van alle instrumenten, rondscharrelend rondom de a, als mussen en meeuwen en spreeuwen en lijsters om een homp brood (…)’
De laatste jaren was ik een paar keer in dezelfde ruimte als Harry Mulisch (presentaties, borrels, boekenbal) en de laatste keer, tijdens een verjaardagsbijeenkomst ter ere van Gerrit Komrij, stond ik zelfs even in hetzelfde groepje als hij. Toch: ik durfde hem niet aan te spreken. Wat kun je zeggen tegen zo iemand als Harry Mulisch? Je kunt toch moeilijk over iets banaals beginnen.
Misschien school onder mijn lafhartigheid ook het verlangen om die ene herinnering intact te houden. Het verlangen om oprecht en naar waarheid te kunnen zeggen: ik heb maar één keer met hem gesproken. Harry Mulisch heeft me op mijn zestiende de weg gewezen.