Televisie

Weinig kans op Van Gogh-tv

Televisie: Studiedag Stimu leringsfonds Culturele Omroepproducties

In maart kwam ik langs het be sneeuwde Van Gogh Museum. Het duurde even voor ik door had wat daar, buiten de fraaie lichtval, anders dan anders was: geen lange rijen. Ik greep mijn kans. Leeg was het niet bepaald door horden scholieren uit gans West-Europa, maar het merendeel hield zich in de souvenirwinkel op en met wat geduld kon je je favorieten ongehinderd bekijken. Ze bleken ge weldig. Ik ken Van Gogh vanaf mijn geboorte want hij hing thuis aan de muur: de brug bij Arles en de vissersbootjes op het strand. Kunst in het arbeidersgezin, sociaal-democratisch behang. En be hang zie je niet.

Op school kwam er een verhaal over een oor bij, broer Theo en de tragedie van «nooit iets verkocht». En toen liet ik, puber, Vincent los voor oudere meesters en Cobra, zoals ik Verdi en Tsjaikovski, mijn vaders favorieten, inruilde voor Bach en Bartók. Deels was dat smaakontwikkeling onder in vloed van bewonderde leraren, deels rebellie en distinctiedwang. Lijn zit er ook al niet in, want behalve getourmenteerdheid heb ben Vincent en Pjotr Iljitsj weinig gemeen – en van getourmenteerdheid was ik bepaald niet vies. Hoe dan ook, Van Gogh werd object van dom dédain, mede omdat te veel mensen het mooi vonden, boven wie ik me zodoende verhief.

Langs de omweg van de literatuur kwam ik bij en op hem terug: het lezen van zijn brieven was een geweldige ervaring, die ik ieder aanraad. Zijn schilderijen veranderden er niet door, maar ik wel: ik keek beter en zag een gigant. (Van giganten houd je niet, je bewondert ze.) Laatst kocht mijn vrouw een mapje bloeiende kersenboompjes voor de correspondentie: een doorbraak, al sturen we ze niet naar cultureel hoogontwikkelden.

Cultuurspreiding leidt tot cultuurdaling, schreef De Swaan en zei Paul Schnabel hem na op een studiedag van het Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties. Van hem begrijp ik dat we die kersentakken heel goed naar onze niet-bestaande Japanse kunstvrienden kunnen sturen, die daar niet over zouden slikken, noch er een dubbele bodem in zouden ontdekken. Bij «ons soort mensen» kom je er niet mee aan, tenzij echte trendsetters en smaakmakers er weer cachet aan geven. En daar is niet eens Kwaliteit voor nodig. Schnabel wacht op het moment dat André Rieu, maar dan in kleine zaaltjes, door een artistieke voorhoede tot crème de la crème wordt uitgeroepen.

Dallas (weer te zien bij BNN) en het Songfestival gingen trouwens voor, en überhaupt heb ik de indruk dat een kunstzinnige elite op televisie meer kijkt naar wat ergerniswekkend is of naar kitsch die door eigen uitverkiezing camp wordt dan naar dat wat ernstig schoonheid en waarheid poogt te bieden en zijn. Met als gevolg dat dat minder en minder gemaakt wordt, ook al omdat het duur is, en dat het weinig overblijvende als elitair wordt verketterd. Met andere woorden: weinig kans op Van Gogh-televisie. Voor geniale makers is er zelfs niet het troos tend vooruitzicht van postume erkenning, van omarming door de massa. Hun broer kan hun wel geld geven voor een doek en verf maar niet wat nodig is voor een tv-productie.