Weinig nieuws voor de flexiwerker

Er zijn dingen die al lang bekend zijn, maar die toch ineens als ‘nieuws’ de krant halen. Zoals bijvoorbeeld de mededeling dat Nederland de meest flexibele arbeidsmarkt van Europa heeft. Nederlanders wisselen vaker van baan dan hun mede-Europeanen, we hebben het hoogste percentage deeltijdwerkers en de verst ontwikkelde cultuur van flexibele contractvormen. Naast loonmatiging en Melkertbanen is verregaande flexibilisering de belangrijkste oorzaak van het feit dat het aantal banen in Nederland blijft groeien terwijl het aantal gewerkte uren nauwelijks toeneemt.

Flexibilisering is dus een van de steunpilaren van het werkgelegenheidsbeleid. Daarmee gaat het nog steeds niet erg naar wens en dus bedacht de vorige minister van Sociale Zaken, Bert de Vries, aanvullende flexi-maatregelen: het ontslagrecht moest versoepeld, uitzendbureaus zouden zonder toestemming aan de slag mogen, en cao’s zouden alleen nog gelden voor werknemers in georganiseerde bedrijven.
Zijn opvolger Melkert is uit iets ander hout gesneden. Hij heeft behalve voor de zegenrijke gevolgen ook aandacht voor bijvoorbeeld het feit dat de flexiwerkers het vrijwel zonder sociale zekerheid moeten stellen. Geen pensioen, geen inkomen bij ziekte en doorgaans ook geen werkloosheidsuitkering. En dus kwam de minister eerder dit jaar met voorstellen die de zaak wat meer in balans moesten brengen: de vergunning voor uitzendbureaus mocht vervallen, de ontslagprocedures konden vereenvoudigd en de proeftijd mocht van twee maanden worden verlengd naar zes. Maar tegelijk wilde hij de rechtspositie van flexiwerkers verbeteren. Een uitzendkracht die een half jaar heeft gewerkt, krijgt recht op tijdelijke loondoorbetaling. Oproepkrachten krijgen dat recht ook als zij drie opeenvolgende maanden wekelijks hebben gewerkt, of elke maand minstens twintig uur. Ze moeten bovendien per afroep minstens drie uur uitbetaald krijgen.
Het liberale deel van het kabinet (VVD en D66) voelde echter niets voor een ‘bodem’ in de flexibilisering. En dus schoof Melkert de hete aardappel door naar werkgevers en werknemers. Als zij het eens werden, zou het kabinet zich daarbij aansluiten. Inmiddels is het zover. Kern van het akkoord is dat de proeftijd voor vaste werknemers twee maanden blijft, maar dat de opzegtermijn wordt ingekort tot een maand voor wie korter dan vijf jaar bij dezelfde baas werkt, tot maximaal drie maanden voor dienstverbanden van vijftien jaar of langer. De ruil is duidelijk: beperking van de flexibiliteit aan het begin van het contract wordt 'gekocht’ met een versnelde aftocht aan het eind. Dat geldt ook voor zieke werknemers, voor wie nu nog een ontslagverbod geldt.
Wat stelt deze ruil in de praktijk voor? De versnelde ontslagprocedure lijkt vooral problematisch voor zieken; in het licht van de zojuist geprivatiseerde ziektewet is het voor de werkgever verleidelijk zo snel mogelijk van zieke werknemers verlost te raken. Het behoud van de proeftijd weegt daar niet tegen op. De klassieke proeftijd van twee maanden is in de praktijk al vervangen door aanstellingen voor een half jaar of een jaar, waarna eventueel een vaste aanstelling volgt. Nederland hoeft niet bang te zijn voor zijn Europese koppositie.