Weinreb

In De Groene van 29 september volgt René Zwaap klakkeloos de redenering van René Marres in diens pas verschenen publicatie over Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Weinreb. Beiden betogen, in woorden die er niet om liegen, dat Weinreb onschuldig was en dat het ongunstige beeld van hem grotendeels is te wijten aan de manipulaties en slinkse methoden van enerzijds Hermans en anderzijds het omvangrijke rapport van A.J. van der Leeuw en D. Giltay Veth, waarop op haar beurt Regina Grüter in haar Leidse dissertatie (die Zwaap eveneens kraakt) steunde. Marres, met instemming aangehaald door Zwaap, noemt het zeer omvangrijke Riod-rapport zelfs ‘een slinks smaadschrift’. Dit is overigens niet de eerste maal dat Zwaap een felle aanval doet op Van der Leeuw.

Zwaap en Marres verzuimen echter een aantal vragen te beantwoorden die een heel wat minder gunstig licht op Weinreb werpen. Bijvoorbeeld:1. Hoe verklaren zij het dat Weinreb voor registratie door hem op zijn eerste lijst een bedrag van honderd gulden per persoon vroeg? Daar honderden zich lieten registreren maakte dit destijds een behoorlijk bedrag uit. En wat deed hij met dit geld? 2. Waarom was het nodig dat Weinreb - die ten onrechte beweerde dat hij ook arts was en in Wenen medicijnen had gestudeerd - voor registratie op zijn lijst een aantal vrouwen en meisjes gynaecologisch onderzocht? 3. Waarom ging hij, nadat de Duitsers hadden ontdekt dat zijn lijst een verzinsel was, begeleid door de Nederlandse leden van de SD, Bolland en Krom, naar België om alsnog joden die daar waren ondergedoken zich op zijn lijst te laten plaatsen en daarvoor op te duiken - hetgeen vaststaat, ook door verklaringen van betrokkenen in België? 4. Waarom vroeg hij, zelf in Westerbork beland, joden daar die een voorlopige Sperr bezaten, zich op zijn - tweede - lijst te laten registreren, waardoor zij hun oorspronkelijke Sperr zouden verliezen? 5. Hoe is het te verklaren dat Weinreb die, na zijn veroordeling en gevangenisstraf na de oorlog door aanbeveling van zijn oud-hoogleraar professor Tinbergen een aanstelling had gekregen eerst aan de universiteit van Jakarta en vervolgens aan die van Ankara, achtereenvolgens beide posities moest opgeven op beschuldiging van onzedelijke handelingen met vrouwelijke studenten? 6. Hoe is het te verklaren dat hij, teruggekeerd in Nederland, via een bijbelcursus die hij in Vlaardingen gaf aan niet-joodse dames, met enkelen van hen onzedelijke handelingen pleegde - waarvoor hij ten slotte ook werd veroordeeld? Vóór het vonnis werd uitgesproken wist hij echter naar Zwitserland te ontkomen.
Verder overschatten Zwaap en Marres de rol van Hermans in het beschuldigen van Weinreb ten zeerste. Hermans ging zich pas voor de zaak-Weinreb interesseren vele jaren nadat anderen hem schuldig hadden verklaard. Zo wenste de joodse gemeenschap in Den Haag-Scheveningen, net als die in Bussum, waar hij in de laatste helft van de jaren vijftig en de eerste jaren van zestig woonde, geen contact met hem.
Hermans ging op slechts enkele aspecten van zijn schuldig handelen in, zonder zich in andere daarvan te verdiepen. Van der Leeuw en Giltay Veth daarentegen hoorden tientallen getuigen die met Weinreb te maken hadden gehad, en gingen in hun rapport zeker niet lichtvaardig te werk. In tegenstelling tot Renate Rubinstein en Aad Nuis, die niet eens de moeite namen dit te doen en, net als Presser, lichtvaardig en ten gunste van Weinreb bevooroordeeld puur op hun ingefundeerde ‘overtuiging’ afgingen. Als er dus mogelijk sprake is van een strafrechtelijke vervolging wegens laster geldt die niet, zoals Zwaap suggereert, Van der Leeuw en Grüter - zowel Hermans als Giltay Veth zijn inmiddels overleden - maar Marres en Zwaap.