Weinreb (2)

Dat Weinreb geen gehoor vond in de theologie heeft uiteraard ook te maken met het feit dat hij tot de misdadigers werd gerekend. Zal hierin verandering komen na de publicatie van René Marres? (De Groene Amsterdammer, 29 september) Dat ziet er niet naar uit! Want erkennen dat men met de beoordeling van Weinreb fout zat betekent gezichtsverlies, niet alleen voor de historici en journalisten die de conclusies van het Weinreb-rapport onderschreven, ook voor de religieuze autoriteiten en theologen die maar al te graag Weinreb als zijnde een religieuze charlatan hebben genegeerd. Ook voor Schillebeeckx, ‘de grootste nog levende theoloog’ (De Groene van 13 oktober). En natuurlijk voor Henriëtte Boas, die door het Historisch Nieuwsblad al werd uitgeroepen tot kampioene van de Weinreb-affaire. Haar reputatie staat of valt inmiddels met Weinreb. Ook al zijn het verraad en bedrog van Weinreb niet goed te bewijzen geweest, moet zij hebben gedacht, hij was toch wel een zedendelinquent. Hij werd immers om onzedelijke handelingen tot tweemaal toe veroordeeld? Van zo'n vies mannetje is alles te verwachten, maar zeker geen wijsheid of mensenreddende activiteiten! Maar wat weet zij er in feite van? De praatjes over gynaecologische onderzoeken door Weinreb kwamen pas op gang na de publicatie van een ingezonden brief in het NIW van 16 juli 1965, naar aanleiding van de opwinding over het hoofdstuk dat Presser aan Weinreb wijdde in Ondergang.

Enschede, GEERT VAN DEN BOS Een merkwaardige parallel is er met het evangelieverhaal omtrent Jezus van Nazareth, van wie Edward Schillebeeckx zegt zo veel te houden. Ook Jezus werd ten onrechte tot de misdadigers gerekend. En de aanleiding voor zijn vriend Judas, één van de twaalf leerlingen, om Hem over te leveren aan hen die Hem wilden liquideren, was het onbetamelijk geachte gedrag van een als zondares bekendstaande vrouw, dat Jezus zich liet welgevallen. Toen Jezus het brood had genomen, de dankzegging had uitgesproken en het brood had gebroken en aan zijn leerlingen gegeven, had hij er bij gezegd: ‘Neemt, dit is mijn lichaam’, waarmee hij onder andere bedoeld moet hebben: 'Mijn lichaam dat door de vrouw werd gezalfd met het oog op mijn begrafenis.’ De Weinreb-affaire lijkt zo inderdaad op een hedendaags evangelieverhaal, waarin Henriëtte Boas zeker ook een hoofdrol speelt: 'Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.’ (Mk. 14:9)