Weinreb onschuldig

Het Weinreb-debat van de jaren zestig en zeventig kan helemaal opnieuw beginnen. De Leidse onderzoeker René Marres onderzocht de onderzoekers en stuitte op manipulatie van de feiten en pure kwaadwilligheid. ‘Weinreb is onrecht aangedaan’, schrijft hij.

BIJ HET NOEMEN van de naam van Friedrich Weinreb gaan in Nederland gewoonlijk alle luiken dicht. Er rust een vloek op. Dat is het resultaat van een jarenlange campagne die tegen hem is gevoerd. W.F. Hermans noemde hem ‘een van de allergrootste schoften die onder de Duitsers gecollaboreerd hebben’. Riod-onderzoeker A.J. van der Leeuw omschreef Weinreb als 'een ernstig criminele psychopaat’. De Leidse historica Regina Grüter promoveerde met een boodschap van dezelfde strekking en zag haar dissertatie Een fantast schrijft geschiedenis bekroond met de prestigieuze dr. L. de Jong-prijs voor het beste historische boek van 1998.
Wie kortom nu nog durft te tornen aan het officiële beeld van Weinreb als de ultieme verpersoonlijking van het Kwaad, heeft de wind behoorlijk tegen. Dat heeft de letterkundige en filosoof René Marres niet weerhouden van een grondige studie van het omvangrijke (Weinreb is wel eens met recht 'de best gedocumenteerde jood uit de wereldgeschiedenis’ genoemd) dossier. Marres publiceerde zijn bevindingen in zijn eerder deze maand verschenen studie Over Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Weinreb. Zijn bevindingen liegen er niet om. 'Weinreb is onrecht aangedaan’, schrijft hij. 'Men behoort hem als onschuldig te beschouwen.’
De studie van Marres zal wel nooit een bestseller worden. Daarvoor gaat hij te wetenschappelijk, eerder droog dan polemisch, te werk. Bovendien is zijn boek eigenlijk alleen te gebruiken wanneer men de boeken die hij aanvalt er ook bijhaalt, in eerste plaats het Weinreb-rapport van A.J. van der Leeuw en D. Giltay Veth. Ook Het monster in de huiskamer, het twintig jaar geleden verschenen pro-Weinreb-boek van Aad Nuis, dient gelezen om het betoog van Marres goed te kunnen volgen.
Marres borduurt voort op de lijn van Nuis, bewijst dat Nuis ten onrechte manipulatieve methodes zijn verweten, en vult hem op essentiële onderdelen aan.
HET IN 1976 verschenen Weinreb-rapport van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod), in 1981 nog aangevuld met een reactie op het boek van Nuis, wordt in brede kring nog steeds beschouwd als het laatste oordeel over Friedrich Weinreb. Marres noemt het 'een slinks smaadschrift’, 'verbijsterend bevooroordeeld’ en spreekt zijn verbazing uit over het feit dat dit werkstuk zo lang door zo velen als de 'definitieve waarheid’ wordt gezien: 'Het zal de verpletterende kwantiteit van het Rapport zijn waardoor de historici overtuigd zijn, maar door deze kwantiteit wordt de armoedige kwaliteit van bewijsmiddelen en argumenteren aan het oog onttrokken. Onder de bedrieglijke sluier van schijnbaar zakelijk maar in feite volkomen eenzijdig redeneren is het Rapport, in de woorden van Nuis, brutale bluf.’
Dat is een zwaar oordeel, maar Marres maakt het honderd procent waar. Het onderzoeksduo Van der Leeuw en Giltay Veth ging inderdaad 'verbijsterend bevooroordeeld’ te werk. Hun onderzoek was eigenlijk bedoeld om na te gaan of Weinreb wel een eerlijk proces had gehad toen hij direct na de bevrijding werd gearresteerd en tot zes jaar gevangenis veroordeeld. Dat nieuwe onderzoek was nodig omdat Weinreb met zijn in 1969 verschenen boek Collaboratie en verzet een geheel nieuw licht op zijn eigen activiteiten in de oorlog had geworpen. Hij had niet met de Duitsers gecollaboreerd, zoals zijn rechters meenden, maar een uiterst gecompliceerd spel met hen gespeeld, gebaseerd op list en bedrog, met als doel het redden van zo veel mogelijk joodse levens, dat van hemzelf en zijn familie - letterlijk - in de laatste plaats.
Bijna zeven jaar lang groeven Riod-onderzoeker A.J. van der Leeuw en oud-rechter D. Giltay Veth zich in in het verleden van Weinreb, om uiteindelijk in 1976 met hun overdonderende rapport te komen. Dat rapport was in het geheel geen evaluatie van de rechtsgang, maar een nieuw requisitoir. Van der Leeuw en Giltay Veth meenden dat door hun onderzoek glashard was aangetoond dat Weinreb in ieder geval 118 mensen door verraad in Duitse gevangenschap had gebracht, van wie er zeventig als gevolg van dat verraad de dood vonden.
Marres controleerde iedere door Van der Leeuw en Giltay Veth aangebrachte verraadzaak. In geen enkel geval, zo oordeelt hij, is er sprake van bewijs dat het bij behandeling door een rechtbank zou houden. Sterker nog, het onderzoeksduo gaat in zijn ogen 'bijna perfide’ te werk. In iedere verraadzaak duiken diverse namen op van mensen die de boel konden verraden dan wel zouden kunnen zijn 'doorgeslagen’. Telkens kiezen Van der Leeuw en Giltay Veth voor Weinreb. Niet zozeer door het bewijs, als wel door hun overtuiging. Erger nog, als zij menen een verraadzaak aan Weinreb te hebben gekoppeld, gebruiken ze die om het aantal (dodelijke) slachtoffers zo hoog mogelijk op te voeren. Voorbeeld: iemand die door Weinreb zou zijn verraden, Walt van Praag, ontsnapt na zijn arrestatie aan de Duitsers. Die trekken daarop naar zijn huis en treffen daar onder andere een joodse onderduiker aan. Nu ze toch in de buurt zijn, controleren de Duitsers ook andere huizen en pakken nog twee gezinnen op, negen mensen in totaal. Die negen worden in het Weinreb-rapport ook tot Weinrebs slachtoffers gerekend. Giltay Veth en Van der Leeuw, schrijft Marres, 'hebben door hun extreme vooringenomenheid een karikatuur gemaakt van hun historisch onderzoek. Hun Rapport lijkt door de omvang een indrukwekkend monument, maar het gebouw achter de façade is, wat het hoogst belangrijke deel van de verraadzaken betreft, wrak en hol.’
DE BESCHULDIGINGEN in het Weinreb-rapport worden bijna exclusief gedragen door verklaringen van drie leden van de Sicherheitsdienst, de Nederlanders Bolland en Krom en de Duitser Koch, werkend voor de Sicherheitspolizei. Bolland werd na eerste verhoren krankzinnig verklaard. Krom trok later alles in. Koch, die geen Nederlands sprak, ging slechts op de verklaringen van zijn ondergeschikten af. Alledrie waren zij in oorlogstijd plichtsgetrouwe, in het geval van Koch ook fanatieke 'jodenjagers’. Toch worden zij door het Riod-duo als betrouwbare kroongetuigen inzake Weinreb ten tonele gevoerd. De historicus Schöffer, die het Weinreb-rapport verdedigde tegen de aanvallen van Nuis, kreeg het zelfs voor elkaar de drie SD'ers te prijzen vanwege hun 'striktheid en correctheid’ in hun verklaringen in de Weinreb-zaak.
In werkelijkheid draaiden de drie SD'ers er in hun naoorlogse verklaringen lustig op los. Aangezien zij te verstaan hadden gekregen dat zij niet zouden worden vervolgd in zaken waar Weinreb mee gemoeid was, was het in hun belang dezelfde Weinreb zo zwart mogelijk af te beelden. Zo redden zij hun eigen hachje. Maar ook dan verkregen de naoorlogse Weinreb-jagers niet altijd het gewenste resultaat. Koch, Bolland en Krom trokken nogal eens verklaringen in. Krom draaide zoals gezegd zelfs geheel om, en besloot zijn anti-Weinreb-verklaringen geheel in te trekken op advies van zijn rooms-katholieke biechtvader, die meende dat hij schoon schip moest maken. Voor Van der Leeuw en Gilthay Veth was dat geen aanleiding om zijn getuigenis te herzien. De door Krom ingetrokken verklaring hielden zij staande als het juiste relaas, terwijl zijn nieuwe verklaring werd afgedaan als niet terzake doende leugens, ingegeven door contact met Weinreb.
Volgens Marres zijn Van der Leeuw en Giltay Veth 'zo bevooroordeeld dat je goed doet geen woord van hen op voorhand te geloven’. Hij concludeert: 'Van der Leeuw noemde Weinreb een “criminele psychopaat”. Hijzelf is, misschien door verblinding, een van de sluwste demagogen die zich ooit als onderzoeker hebben vermomd. Want al is het Rapport als onderzoek erger dan waardeloos, als misleidingsmanoeuvre is het knap en geslaagd. Mocht iemand iets over Nederland in de Tweede Wereldoorlog willen weten, dan kan hij beter het betrouwbare boek van Weinreb lezen.’
Voor de goede orde: Marres, docent aan de Universiteit van Leiden, is geen 'blinde Weinrebbiaan’, zoals de weinigen die nog openlijk durven te twijfelen aan Weinrebs schuld in de regel worden aangeduid. Hij is alleen maar een wetenschapper die prefereert teksten eerst te lezen alvorens hij zich een oordeel aanmatigt. Eerder publiceerde Marres de studie Zogenaamde politieke incorrectheid in Nederlandse literatuur: Ideologiekritiek in analyse, waarin hij onder meer Du Perron met succes verdedigde tegen aantijgingen van Mieke Bal als zou diens meesterwerk Het land van herkomst bolstaan van oud-koloniaal racisme c.q. vrouwvijandige stereotyperingen. Een andere recente studie van Marres, Over de interpretatie van 'De donkere kamer van Damokles’ van Willem Frederik Hermans, werd door Herman Verhaar in Vrij Nederland (3 april 1999) geprezen als 'nuttig, zorgvuldig en geheel aan hoofdzaken gewijd’.
MARRES KWAM IN de troebele wateren van de Weinreb-affaire terecht via zijn fascinatie voor het werk van W.F. Hermans. Dat is een gangbare entree, want geen polemist in Nederland heeft zo veel werk gemaakt van de strijd tegen Weinreb als Hermans. Na zijn analyse van Hermans’ bemoeienissen inzake Weinreb is Marres’ bewondering voor Hermans als polemist echter behoorlijk gedaald: 'Ik bewonder hem nog steeds evenzeer als romancier en verhalenschrijver, maar niet als polemist. Hermans had invloed, hij behaalde met zijn polemiek in de ogen van velen een overwinning, maar ten onrechte. Hij had ditmaal gedeeltelijk nu eens niet gelijk.’
Marres verwijt Hermans dat deze in zijn campagne tegen Weinreb in feite verraad pleegde aan zijn eigen principes. In romans als De donkere kamer van Damokles en De tranen der acacia’s ging Hermans diep in op het 'onkenbare’ van de mens, een gegeven dat ook in tal van essays en interviews aan de orde kwam. Al in 1963 schreef Hermans dat 'de waarheid van de historicus in vergelijking met die van een natuurkundige, niet veel meer is dan een fabel, een mythe of een waansysteem van een paranoialijder’. Die principiële onkenbaarheid, waarmee Hermans in De donkere kamer van Damokles zo'n intrigerend spel speelde, verdween echter als sneeuw voor de zon zodra Hermans Weinreb in het vizier kreeg. Net als Van der Leeuw en Giltay Veth bijt Hermans zich vast in ieder miniem detail dat ten nadele van Weinreb kan uitpakken.
Als hij tijdens zijn onderzoek iets ten gunste van Weinreb ontdekt, verdonkeremaant hij dat. Waar die pathologische haat van Hermans versus Weinreb vandaan komt, kan ook Marres niet met zekerheid zeggen. Misschien was het literaire broodnijd, omdat Weinreb met Collaboratie en verzet nu eenmaal een boek over de oorlog had geschreven dat Hermans’ meesterwerk De donkere kamer overtroefde. Gevraagd waarom de Weinreb-zaak hem zo bezighield, antwoordde Hermans: 'Omdat hier iemand werd uitgeroepen tot een betekenisvol schrijver, een man die een fraai beeld gaf van de omstandigheden onder de Duitse bezetting, terwijl die man een van de allergrootste schoften is geweest die onder de Duitsers hebben gecollaboreerd.’ Ook die verklaring is hoogst merkwaardig. Waarom zou Hermans het boek van Weinreb niet kunnen verdragen vanwege diens veronderstelde foute gedrag tijdens de oorlog? Dezelfde Hermans brak toch telkens weer een lans voor het literaire genie van Louis-Ferdinand Céline, een man aan wiens foute oorlogsverleden toch zeker niet kan worden getwijfeld?
Harde noten ook kraakt Marres over het gelauwerde Weinreb-boek van Regina Grüter: 'Haar “betoog” bestaat uit vaardig napraten, zoals gehaaste journalisten dat doen, en kromredeneren, dat de naam van redeneren nauwelijks verdient.’ Grüters aanval op Aad Nuis acht hij een wanprestatie: 'Schöffer schoffelde Nuis’ geschrift handiger onder de grond, zij het even redeloos, dan Grüter, die probeert argumenten te geven, hetgeen haar povere krachten te boven gaat.’ Marres geeft inzake Grüter ook nog eens een schot voor de boeg voor een groot intern conflict op de Universiteit van Leiden, waar hij zoals gezegd zelf doceert. Hij vindt het namelijk onbegrijpelijk dat Grüter met haar Weinreb-boek is gepromoveerd aan diezelfde universiteit: 'De kern van haar boek, waarop het grootste gedeelte van haar boek steunt, is gebaseerd op lege pretentie, die goedgekeurd is door een promotiecommissie. De domheid kraait victorie, onder applaus van het wetenschappelijk publiek. Het wetenschappelijk systeem werkt kennelijk nog steeds niet. Men laat zich leiden door oppervlakkige indrukken en door de wens Weinreb als een verrader te zien - dat is het gemakkelijkste - maar aan bestudering van iets moeilijks komt men niet toe. Het lijkt erop dat de Nederlandse geschiedkunde in de Weinreb-zaak opnieuw heeft gefaald.’
Dat Grüters boek ook nog eens werd gelauwerd met de dr. L. de Jong-prijs vermeldt Marres niet. Gegeven zijn oordeel over Grüter zal hij dat wellicht als een absurde grap hebben gezien. Dat was het natuurlijk ook, al dachten de prijsuitreikers, te vinden in en rond het tot Niod omgedoopte Riod, daar natuurlijk anders over. Grüters boek is in zoverre een aanvulling op het door haar zo diep bewonderde Weinreb-rapport, dat zij de door Van der Leeuw aangedragen analyse van Weinreb als 'criminele psychopaat’ verder uitwerkt.
Grüter over Weinreb: 'De dikste draad, die als een verbindingskabel door zijn bestaan loopt, is de fantasie, het conflict tussen droom en daad, wens en werkelijkheid. De problemen die Weinreb zich in de loop van de tijd op de hals haalde, zijn te herleiden tot zijn onvermogen de werkelijkheid te accepteren zoals die was: de realiteit van de omstandigheden waarin hij moest leven en die van zijn eigen persoon en functioneren.’
Het staat er zo parmantig, maar in feite staan we hier oog in oog met een perfide universum. Natuurlijk had Weinreb een 'conflict tussen droom en daad, wens en werkelijkheid’. Hij was een chassidische jood, stammend uit een Oost-Europees geslacht dat al eeuwen niets anders had gekend dan vervolging. Zijn broer Edmond, opgepakt na de Februaristaking, was al in 1941 vermoord in Mauthausen. Zijn zoontje David stierf twee jaar later in Westerbork. Hij zag talloze vrienden en bekenden richting kamp verdwijnen. Kennelijk had Grüter liever gezien dat Weinreb de 'werkelijkheid accepteerde’ en zich gewillig mee liet voeren door de beulen. Door op zijn eigen wijze in verzet te gaan, gebruikmakend van zijn creatieve capaciteiten, heeft hij in de ogen van Grüter afgedaan. Hij 'accepteerde de werkelijkheid niet zoals die was’.
HET ITALIAANSE holocaustdrama La vita è bella van Roberto Benigni werd onlangs met een Oscar bekroond. Benigni speelt daarin een joodse vader die samen met zijn zoontje op de trein naar een nazi-vernietigingskamp wordt gezet. De vader besluit dan zijn zoontje stelselmatig voor te liegen: hij vertelt hem dat het hier een spelletje betreft, de beulen zijn eigenlijk speelkameraadjes, het kamp een soort pretpark. De vader overleeft het kamp niet, zijn zoontje wel, al die tijd in zalige onwetendheid gehouden. Het verhaal is natuurlijk een sprookje, maar benadert in zekere zin het spel dat ook Weinreb in de oorlog heeft gespeeld. Als Benigni’s personage door Van der Leeuw en Giltay Veth voor de rechter zou kunnen worden gedaagd, zou hij ongetwijfeld zijn veroordeeld vanwege stelselmatig bedrog van een familielid, terwijl Regina Grüter harde noten zou hebben gekraakt over zijn tragische staat als 'pathologische pseudoloog’, kampend met een of ander onverwerkt freudiaans trauma.
Precies dat maakt het Weinreb-werk van Grüter, en dat van Hermans, Van der Leeuw en Giltay Veth zo onverteerbaar: bij hen ontbreekt ieder begrip voor de omstandigheden waarin Weinreb zich bevond. In de figuur van René Marres heeft Weinreb, elf jaar na zijn dood, dan eindelijk een wetenschapper gevonden die wel beschikt over de primaire menselijke emotie van het begrip. Door zijn boek staat niet langer Weinreb, maar zijn stoet fanatieke vervolgers in het volle licht. De consequenties - op wetenschappelijk gebied, maar ook politiek en mogelijk zelfs strafrechtelijk als het inderdaad om laster gaat - zijn voor hen.