Weinrebs schimmenrijk

BEGIN 1968 KREEG Greet Hofmans op haar ziekbed in haar woning aan de Amsterdamse Kalkmarkt een van haar vele ‘doorgevingen’. Dit keer was het telepatisch advies bestemd voor Friedrich Weinreb, die op dat moment als economisch adviseur werkzaam was bij de verzekeringsmaatschappij Providentia. Hofmans en Weinreb waren innig bevriend geraakt, sinds de expert in getalsmystiek en bijbelexegese succesvol spreker was geweest op een van de Open Veld-bijeenkomsten in hotel Fiji in Zeist.

Daar belegde de kring rond Hofmans sinds de gedwongen ontbinding van de Oude Loo-groep rond Wilhelmina en Juliana in 1956 regelmatig hun mystiek-religieus getinte conferenties. Hofmans gaf Weinreb de ‘doorgeving’ op schrift: 'Elke verbondenheid wordt verbroken’, zo luidde de tekst. 'Het is uit. De raad is dat hij beter zijn koffers kan pakken en gaan - uit Nederland. Zijn gezag mist elke uitwerking in de wereld die strikken zet. Hij komt anders voor onhoudbare en niet te verwerken omstandigheden te staan die hem ongetwijfeld de nek zullen kosten.’ Een eerdere doorgeving aan Weinreb, gedateerd op 23 januari 1968, stelde dat Weinreb 'opgenomen is in een onafzienbare reeks van beschuldigingen. Onafzienbaar, want ze leveren hem uit aan de politie en wie weet wat ze dan zullen doen.’
Weinreb twijfelde geen moment. Hals over kop ontruimde hij zijn bureau bij Providentia en vertrok hij naar Antwerpen, waar zijn zoon woonde. In de joods-chassidische gemeenschap aldaar werd Weinreb met alle egards behandeld. Vandaaruit vertrok hij naar Zurich, waar hij tot zijn dood op 19 oktober 1988 zou blijven wonen.
AL SNEL BLEEK DAT Hofmans’ raadgeving terecht was. Op 18 april 1968 werd Weinreb door de rechtbank in Rotterdam veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en drie jaar proeftijd 'wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst en schennis van de openbare eerbaarheid’. Dit op grond van getuigenissen uit Vlaardingen, waar hij onder valse medische voorwendselen enkele vrouwen inwendig zou hebben onderzocht. Dat was blijkbaar een oude gewoonte; ook in de oorlogstijd had Weireb er een gewoonte van gemaakt om jonge joodse vrouwen die onder zijn patronage vielen, aan 'medisch onderzoek’ te onderwerpen. Weinreb deed die gebeurtenissen af als een kleine 'gekkigheid’ in zijn karakter. Hij tekende hoger beroep aan, maar dat leidde alleen maar tot een verdubbeling van de gevangenisstraf. In 1952 was Weinreb overigens al eens voor hetzelfde vergrijp veroordeeld.
Zoals alles bij Weinreb is ook de Vlaardinge zedenzaak met allerlei schimmigheden omkleed. Het in 1969 opgerichte Weinreb-comite, gericht op eerherstel voor de Scheveningse schriftgeleerde, trok de hele beschuldiging in twijfel, en beschouwde het als uiting van de permanente publicitaire klopjacht op Weinreb.
In november 1968 stierf zijn bescherm vrouwe Greet Hofmans, maar inmiddels had zich alweer een andere aangediend in de persoon van Vrij Nederland-journaliste Renate Rubinstein. Het was Rubinstein die Weinreb aanspoorde om zijn memoires over de oorlogstijd te publiceren. In 1969 verschenen die herinneringen onder de titel Collaboratie en verzet, voorzien van een nawoord van Rubinstein en haar toenmalige levenspartner Aad Nuis. Het was de opmaat tot een van de heftigste polemieken die zich ooit in Nederland hebben afgespeeld, een affaire die tot op de dag van vandaag de gemoederen in beweging brengt.
FRIEDRICH (OOK WEL: Fryderyk, Freek of Fischel) Weinreb werd op 18 november 1910 geboren in Lemberg, in de provincie Gallicie van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie (later Polen). In 1916 verhuisde zijn familie naar Scheveningen, waar zijn vader zich vestigde als grossier in rokersbenodigheden. In 1927 verkreeg de familie Weinreb de Nederlandse nationaliteit.
Freek was een wonderkind. Op driejarige leeftijd kon hij al lezen, op vijfjarige leeftijd maakte hij eigenhandig een krantje waarin het wereldnieuws werd samengevat. Na de HBS studeerde Freek aan de Nederlandse Handelshogeschool in Rotterdam, waar hij in 1938 het doctoraal examen aflegde. Inmiddels was hij getrouwd met de Antwerpse Esther Gutwirth, dochter uit een ortodox-joods gezin. Na zijn studie werkte Weinreb bij het Economisch Instituut in Den Haag, een functie die hij als gevolg van de etnische zuiveringen in 1941 kwijtraakte.
'Wie in de administratie, de bureaucratie gelooft, zal door de administratie vergaan’, was Weinrebs overtuiging, zoals hij schrijft in Collaboratie en verzet. Terwijl de Duitsers een begin maakten met de deportaties van de joodse Nederlanders naar het doorgangskamp Westerbork, zag Weinreb naar eigen zeggen met lede ogen aan hoe de Joodse Raad onder leiding van Asscher en Cohen kozen voor zoveel mogelijk medewerking aan de bezetter. Weinreb besloot tot sabotage van de destructieve bureaucratie.
In zijn memoires beschrijft hij hoe hij met behulp van wat vals briefpapier en dito stempels een geheel gefingeerde luitenant- kolonel van de Wehrmacht, een zekere dr. Herbert Joachim von Schumann, in het leven riep. Deze generaal zou Weinreb hebben aangewezen als intermediair om een aantal Nederlandse joden in ruil voor deviezen een veilig heenkomen te bezorgen. Aan Weinreb nu de taak om lijsten met de uitverkorenen op te stellen, hetgeen gepaard ging met een betaling van honderd gulden per ingeschrevene. Tot zijn eigen verbazing hoorde Weinreb via de Joodse Raad dat hoge nazi’s in Nederland, zoals Fischer, geheel op de hoogte waren van het initiatief van generaal Von Schumann. Na het begin van de deportaties van Westerbork naar Polen, op 15 juli 1942, kwam er een gigantische run op de 'Weinreb-lijst’. Een plaats op die lijst leidde in veel gevallen tot uitstel en soms zelfs ontsnapping aan de dood. Het mocht niet verhinderen dat de Duitse vernietigingsmachine bleef doordraaien: in plaats van joden van de Weinreb-lijst werden er minder fortuinlijken aangewezen voor de tranporten naar Auschwitz.
In september 1942 werd Weinreb door de Sicherheitspolizei gearresteerd, maar kort daarna weer vrijgelaten. Dit sterkte vele joodse Nederlanders in de overtuiging dat Weinreb over goede relaties met de bezetter beschikte. Steeds groter werd de vraag om een plaatsje op de Weinreb-lijst. Enige honderden joden verkregen zo uitstel, tot de Weinreb-lijst begin 1943 in Westerbork zijn waarde verloor.
In diezelfde tijd werd Weinreb weer gearresteerd en naar Westerbork gezonden, waar zijn vrouw en kinderen ook reeds opgesloten zaten. Zijn zoontje David was daar inmiddels overleden. Op miraculeuze wijze mocht de familie Westerbork weer verlaten, en Weinreb begon weer met zijn lijsten, dit keer gesteund door een echt bestaande General-Oberst Von Kleist. Op 3 februari werd ook deze lijst door de Sicherheitspolizei waardeloos verklaard. Diezelfde week dook Weinreb met zijn gezin onder.
DIRECT NA DE BEVRIJDING werd Weinreb gearresteerd op beschuldiging van collaboratie en verraad. Het is een gebeurtenis die hij blijkens zijn memoires al zag aankomen. Zijn blufpoker met de Duitse autoriteiten had kwaad bloed gezet bij de vele mensen voor wie hij de laatste strohalm was maar die in hem teleurgesteld waren, zo meende hij.
In 1948 kwam hij op vrije voeten - gratie in het kader van de troonsoverdracht. Hij vestigde zich in Rotterdam als onafhankelijk economisch adviseur, en kreeg later op voorspraak van Jan Tinbergen een professoraat aan de Universiteit van Djakarta en later Ankara. Ook was Weinreb nog korte tijd verbonden aan het bureau van de Verenigde Naties in Zwitserland, om vervolgens als adviseur bij scheepsbouwmagnaat Verolme en de verzekeraar Providentia te werken.
Over zijn rol in de oorlog was het lang stil. Totdat historicus Jacques Presser in 1965 zijn boek Ondergang het licht deed zien. Presser zegt in dit in opdracht van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie geschreven boek over de genocide op de Nederlandse joden: 'De Jood Weinreb is de zondebok geworden, heeft voor het tekortschieten van talloze niet-Joden geboet. Hij moest gefaald hebben, ook gefaald, omdat zij gefaald hadden. Niet alleen zij hadden hun plicht verzaakt, ook hij. Als er geen joodse verraders waren, moest men ze uitvinden. De paar, die men na de oorlog berechtte, betekenden te weinig. Hier nu was er een van het formaat dat voldeed.’
Presser was overtuigd van de onschuld van Weinreb. Natuurlijk, veel had diens geschutter met de verzonnen generaal en de lijsten niet uitgehaald, maar het was in ieder geval een poging tot sabotage, en dat was aanzienlijk meer dan dat men van andere Nederlanders kon zeggen. Weinreb had een paar zandkorreltjes kunnen gooien in de machinerie van de georganiseerde volkerenmoord. Geheel in de lijn van Presser schreven Renate Rubinstein en Aad Nuis hun nawoord bij Collaboratie en verzet. Zij noemden Weinrebs veroordeling direct na de oorlog 'onvergefelijk’, en waren ervan overtuigd 'dat zijn relaas de volle waarheid bevat, dat hij de grootste bewondering verdient, - en dat Nederland een monsterlijk onrecht aan hem heeft begaan.’
IN HET REVOLUTIONAIR-anarchistisch gestemde klimaat van Nederland in de jaren zestig wordt Weinreb niet minder dan een idool, een symbool van verzet tegen de verschrikkingen van de bureaucratie. De Amsterdamse Provo-beweging loopt met hem weg, beschouwt hem als het boegbeeld van de anti-autoritaire beweging. Een op zich niet van ironie gespeende keuze, want de orthodoxe Weinreb is met zijn strenge opvattingen over zaken als vrije seks en de pil niet direct de meest aangewezene voor zo'n voortrekkersrol in de hippiebeweging.
Het hernieuwde enthousiasme voor Weinreb bereikt een voorlopig hoogtepunt als de gemeenteraad van Amsterdam hem in 1970 voordraagt voor de prozaprijs die de stad heeft uitgeschreven. Naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer heeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie onder leiding van dr. L. de Jong echter inmiddels een onderzoek ingesteld naar de praktijken van Weinreb tijdens de oorlog, en het college durft een prijsuitreiking hangende dat onderzoek niet aan. Harry Mulisch onderneemt nog pogingen om Weinreb dan maar een alternatieve literaire prijs te schenken, maar dat loopt op niets uit.
W. F. Hermans, de literaire aartsvijand van Mulisch, beweegt ondertussen hemel en aarde om de cultus rond Weinreb te ondermijnen. Hermans heeft al een aangeboren aversie voor het soort religieuze mystiek waar Weinreb voor staat, en de verheerlijking van zijn persoon ziet hij bovendien als een verlengstuk van de linkse gesel waaronder Nederland zucht. In zijn anti- Weinreb-stukken, gebundeld in Van Wittgenstein tot Weinreb, laat Hermans niets heel van de joodse mysticus. Als in 1976 het vernietigende, 1700 honderd bladzijden tellende Riod-rapport over Weinreb verschijnt, reageert Hermans in Het Parool met satanisch genoegen: 'In 1970, toen de golven van de Weinreb-razernij torenhoog opliepen, vertelde een mijner (laatst overgebleven) vrienden me al iets dergelijks. Hij had in de oorlog een joodse onderduikster in huis gehad. Dit meisje kwam toen met een verhaal dat ze misschien legaal naar Portugal zou kunnen vertrekken. Een joodse meneer, Weinreb, mocht dat voor enkele uitverkorenen organiseren, want die meneer Weinreb vertelde dat hij een goede kennis was van Goering en Goering vond het goed, want meneer Weinreb had Goering eens een dienst bewezen. Mijn vriend hoorde de naam Weinreb destijds voor het eerst. Maar omdat hij zijn onderduikster erg aardig vond en er dus helemaal geen behoefte aan had dat ze naar Portugal zou afreizen, zei hij op goed geluk: Wat vertel je nou? Een jood die aan Goering een dienst bewezen heeft? Dan begrijp je toch zeker wel dat die man onmogelijk kan deugen? De onderduikster liet zich overreden en beleefde zonder ongelukken de bevrijding.’
HET RIOD-RAPPORT over Weinreb maakt bijna twintig jaar na dato nog steeds een overdonderende indruk. Dr. L. de Jong stelde er twee krachten voor vrij, die er gezamenlijk zes jaar aan werkten. Het waren A. J. van der Leeuw, staflid van het Riod, en mr. D. Giltay Veth, voorheen advocaat te Amsterdamn en raadsheer van het hoofdstedelijke gerechtshof. Men zou zich wensen dat een dergelijke ijver aan de dag was gelegd in de kwestie-Menten of de King Kong-affaire. Het hele rapport getuigt van een diepe afkeer jegens Weinreb. 'Het is nog steeds bijzonder moeilijk te begrijpen hoe zovelen hebben kunnen voorbijzien aan dit element in Weinrebs boek: aan de rancune, de zelfverheffing en de mensenverachting die op bijna iedere bladzijde duidelijk aanwezig zijn.’ Wellicht dat een deel van de rancune van de Riod-medewerkers was doorgegeven door hun directeur De Jong, wiens antipathie jegens Weinreb overigens geheel wederzijds was. Giltay Veth en Van der Leeuw waren in hun conclusie vernietigend. Volgens hen was Weinreb louter met zijn lijst gestart om 'zijn eigen behoeften aan macht, geld en seksuele lust te bevredigen’.
Het Riod-rapport was bedoeld als definitieve ontmaskering van Weinreb. Sommigen van zijn sympathisanten, zoals Aad Nuis, kozen de weg van de minste weerstand en lieten hem vallen. Anderen toonden meer ruggegraat en bleven Weinreb beschouwen als een verzetsheld, die keer op keer met karaktermoord werd geconfronteerd omdat hij het opnam tegen een te machtige tegenstander, wiens machinaties ook na de bevrijding nog doorwerkten.
Ironisch mag heten dat zijn naam nu vooral nog in Duitsland voortleeft als een van de boegbeelden van de New Age-beweging. De meer dan twintig religieuze en mystieke verhandelingen die Weinreb schreef, gaan daar nog altijd grif van de hand. In Nederland kan men minder makkelijk leven met een man van zoveel tegenspraken.