ANDRÉ BRETON & PAUL ÉLUARD, ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

Wel de lusten, niet de lasten

André Breton & Paul Éluard, Onbevlekte ontvangenis, € 14,50

In 1924 verscheen het Eerste Manifest van de Surrealisten, behalve door de oprichter André Breton ondertekend door onder anderen Paul Éluard, Louis Aragon en Robert Desnos. De naam zegt het al: de surrealisten hadden van meet af aan grote belangstelling voor andere aspecten van de werkelijkheid; vandaar ook de interesse in andere bronnen van creativiteit. Dankzij Freud leek het onbewuste zo'n onuitputtelijke bron, zij het dat Freud zelf hun avances bot afwees. Gretig namen zij kennis van creatief werk dat in de jaren twintig met name uit inrichtingen te voorschijn kwam. Voor de psychiatyrie waren die uitingen, als ze al serieus werden genomen, voornamelijk van belang voor een betere diagnose. Door studies als die van Morgenthaler over Adolf Wölfli (1921) en Bildnerei der Geisteskranken (1922) van Prinzhorn maakten avant-gardekunstenaars kennis met tekeningen en schilderingen, voor hen verrassend nieuwe vormen. Kort voor publicatie van het boekje De onbevlekte ontvangenis, dat nu zeventig jaar na dato in vertaling verschijnt, waren er in Parijs twee tentoonstellingen van ‘kunst van gekken’ of 'zieke kunst’, zoals dat toen nog onbezorgd heette, met materiaal uit Franse verzamelingen van gekkenkunst - en daar was ook werk uit de Heidelbergse Sammlung van Prinzhorn te zien. Op latere surrealistische tentoonstellingen zou dat werk soms geëxposeerd worden als objets trouvés van de surrealisten zelf. De geesteszieke kunstenaars werden als voorlopers en voorbeelden beschouwd. Enige provocatie was daaraan niet vreemd. Zo waren op zo'n tentoonstelling hysterische geluiden van gekken te horen. De vraag is of de surrealisten niet veel van zichzelf in de makers van dat werk projecteerden en ermee deden wat hun goed uitkwam - nogal eenzijdig.
Waarom vertel ik dit erbij, terwijl de vertaler, Theo Festen (1936), psycholoog, psychotherapeut en al lang pleitvoerder voor surrealistische literatuur, zelf al een inleiding, aantekeningen bij de vertaling, een nawoord en een bijlage over het surrealisme heeft toegevoegd. Aanleiding tot het vertalen van dit boekje was behalve Festens belangstelling voor het surrealisme zijn bewondering voor het fenomeen 'Outsiderkunst, in het bijzonder de kunst van psychiatrische patiënten’. Hij definieert Outsiderkunst dan zelf als 'kunst die zich beweegt buiten het circuit van de gevestigde kunstorde en zich niet stoort aan de heersende wetten van de esthetica. Deze kunst brengt ons in contact met een wereld die gesloten blijft voor de door de logica gestuurde rede.’ Dit zijn de vaste formules die nu al een eeuw lang ritueel worden opgezegd. Maar het is op z'n minst vreemd dat de term 'Outsiderkunst’ wordt gebezigd die begin jaren zeventig voor de Angelsaksische wereld een vertaling wilde zijn van het begrip 'Art brut’. En dat begrip werd door de schilder Jean Dubuffet vanaf 1947 gebruikt voor beeldende kunst die volgens hem buiten de kunstwereld stond en haar waarde juist ontleende aan het buitenstaanderschap. Daar was ook Breton bij betrokken, tot de twee uit elkaar gingen, omdat Breton juist wél en Dubuffet geen kunst uit inrichtingen wilde tentoonstellen. Het is dan een anachronisme en begripsverwarrend om kunst van psychiatrische patiënten uit de jaren twintig Outsiderkunst te noemen.
Nog merkwaardiger is het omdat Breton en Éluard het in dit boekje helemaal niet over beeldende kunst van geesteszieken hebben maar over schrijven, over hun eigen teksten die simulaties zouden zijn van geschriften van schizofrenen. Simulaties, ze zeggen het zelf in hun inleiding bij Bezetenen: van zwakzinnigheid, van acute manie, hersenverweking, betrekkingswaan en dementia praecox. Het laatste begrip - in 1893 gemunt door de Duitse psychiater Kraepelin, bedoeld om alle (chronische) geestesziekten onder één noemer te brengen - was in 1930 al tientallen jaren vervangen door de termen schizofrenie en manisch-depressief. En de andere vier aandoeningen zijn weer van heel andere orde.
Eerst nog iets over de andere teksten van Breton en Éluard in dit boek. De mens heet het eerste deel en bestaat uit eveneens vijf stukjes proza over conceptie, leven in de baarmoeder, geboorte, leven, dood. Eenmaal uit het voorgeborchte begint de levenslange dood, is de conclusie, die even gratuit klinkt als de aaneenrijging van woorden en beelden waarmee de tocht naar de uitgang geëvoceerd wordt. Wie De zangen van Maldoror (1869) gelezen heeft zal bij het poëtische proza van veel surrealisten al gauw denken met een studentikoze versie van Lautréamont te maken te hebben. Ik ben er nooit zo'n liefhebber van geweest, dat is duidelijk; het is mij een te willekeurige vorm van vrije associatie van vooral grote en dichterlijk klinkende woorden. De laatste tekst Het aanvankelijke oordeel, weer zo'n omkering, bestaat ook uit spreuken, maar door witregels gescheiden lijken ze nog iets te betekenen.
In de vijf simulaties is telkens een andere persoon aan het woord in de geest van een bepaalde aandoening, in opklimmende graad van verwarring tot bij dementia praecox de stoornis uitloopt op echolalie: 'U elaïaïpi mouco drer hôdarca hualica-siptur. Oradaargacirog waluk… u feaïva drer kurmaca ribag nic javli.’
Dit is dus niet de tekst van een gestoorde - zulke teksten waren trouwens in 1930 nauwelijks uit de inrichtingen naar buiten gedrongen. Het verhinderde niet dat avant-gardistische teksten soms als krankzinnige wartaal werden afgedaan. Zelfs als een schrijver zich in een psychose kan inleven, zal wat hij dan schrijft, wil schrijven of met behulp van middelen simuleert, wezenlijk verschillen van iemand die niet anders kan en, dat vooral, niets liever zou willen dan verstaanbaar zijn. Niettemin beweert de vertaler in zijn inleiding dat Breton en Éluard met dit boek opgeroepen zouden hebben 'tot meer respect voor de uitingen van mensen met een psychiatrische stoornis’, wat hij in het nawoord nog eens herhaalt maar dan voor zijn eigen uitgave.
In al die tijd is er nooit een eensluidend antwoord gegeven op de vraag of een psychose creatief is - of ze onvermoede vermogens opwekt en bestaande creativiteit dempt dan wel bevordert. Het was surrealistisch wishful thinking dat te denken, zoals het vooral projectie was waardoor men in de eerste decennia van de vorige eeuw veronderstelde dat kinderen, primitieven en gekken juist in hun onnozelheid met hun creatieve uitingen inzage zouden geven in de bronnen van de algemene menselijke creativiteit. Dat cliché heeft zich sinds de Romantiek vermengd of verdubbeld met het idee van een niet door cultuur en beschaving bedorven vorm van creativiteit. In deze uitgave heet het al op de eerste pagina 'poëzie zonder smetten van de rede’ - dat is dan de overdrachtelijke betekenis van 'onbevlekte ontvangenis’ in de titel: als Maria zonder vlek van de erfzonde geboren was (hoewel ze gewoon verwekt was zoals later haar zoon), zou er een poëtische conceptie zijn zonder vlek van de rede die altijd alles verpest. Als dat waar was voor teksten van gestoorden, geldt het dan ook voor de simulaties van zulke teksten? Breton en Éluard beweerden dat wel toen ze hun voorwoord bij de vijf simulaties afsloten met de verwachting dat de “'poging tot simulatie” van ziekten die men opsluit’ wellicht een genre naast de ballade, het sonnet, het epos et cetera kon worden. Als ze het serieus meenden, waren zij met hun nabootsing verre in het voordeel vergeleken met de naar woorden happende gekken: van de gespeelde psychose hadden ze wel de lusten, maar niet de lasten.

ANDRÉ BRETON & PAUL ÉLUARD
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS
Uit het Frans (1930) vertaald en ingeleid door Theo Festen,
IJzer, 111 blz., € 14,50