Wel en niet

Marijke Hanegraaf
Proefsteen
De Arbeiderspers, 70 blz., € 17,95

‘Iets in de meeuw duurt een dag’ is het zwaartepunt in het gedicht Kapmeeuw van Marijke Hanegraaf (1946). De meeuw zit op de rand van een steiger. Hij zit stil. Het duurt te lang.

Is hij dood? Hij is dood.

Zit toch of hij slaapt.

En de kop van de kapmeeuw is heel.

Is de kop van de kapmeeuw geknakt?

Vloog hij tegen een ruit? En dan

dreef hij lam van de ruit naar de dood

is nog net op de steiger geland.

Is het ver van een ruit naar de dood?

De dichteres schept met de vragen een schemergebied voor de meeuw. De meeuw wordt door de opzettelijke onzekerheid van de vertelstem eerst iets minder dood, misschien is het dier slechts tijdelijk verlamd, om naarmate het gedicht vordert opnieuw te sterven in het besef van de dichteres en in de gedachten van de lezer. Deze regels die door de overmaat aan vragen onhandiger overkomen dan ze zijn, vormen de opmaat voor een dreun van een regel:

Iets in de meeuw duurt een dag.

Het is een stevige dreun, je kunt er zelfs even van duizelen. Maar wat betekent het precies? Afhankelijk van hoe je een dag beleeft zou ‘iets in de meeuw’ lang of kort kunnen duren. In het nauwkeurige kijken naar de meeuw waarin de dichteres de lezer meeneemt en waarin elk detail een gebeurtenis is op zich, duurt een dag lang. Een eeuwigheid misschien wel en dan lijkt het erop dat de meeuw definitief de dood in zich draagt.

Maar de volgende regels maken het ‘iets’ en de duur ervan bijna pijnlijk eenvoudig:

Op de eerste dag van zijn dood

komt geen eend in zijn buurt

maar de dag erna schuiven ze aan.

Zijn kop hangt nu over de rand.

De andere dieren in de buurt van de meeuw moeten nog wennen aan de aanwezigheid van de dood. Het ‘iets in de meeuw’ wordt dan het versmelten met zijn omgeving, de overgang van het dood zijn tot het niet meer meetellen.

Wanneer de eenden doorhebben dat het roerloze, grote, witte gevaarte geen bedreiging vormt, komen ze dichterbij en kan zijn aanwezigheid zelfs worden vergeten.

Proefsteen is de tweede bundel van Marijke Hanegraaf, die met haar debuut werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2002. De dichteres is alert met een wijze, kalme toon, terwijl de open, ongedwongen manier waarop ze waarneemt een kinderlijke kwaliteit heeft. Leeftijdloos, zou je kunnen zeggen als de ervaringen waarover Hanegraaf schrijft niet een lang leven verraadden. De dichteres maakt er geen geheim van dat ze een religieuze achtergrond heeft met titels voor gedichten als Kruiswegstatie en Het doodskleed, en haar pogingen om god een plaats en een vorm te geven.

In het gedicht Vorm schrijft Hanegraaf: ‘De aanzet van de dag, ik luisterde naar mijn kerkklokken./ Daar had je god. Dat iets traags zo wakker kon zijn’.

Ze maakt van god een vader, een zoon, ze wil er een doos omheen en er brood bij eten, ze stelt zich god voor als vrouw, en ten slotte ziet ze god in een wetenschappelijk model van de quantummechanica: ‘Tot voorlopig slot stopte ik god/ in de staartjes van alle supersnaartjes. Voor hen/ maakte het niets uit. God was onbestaanbaar goed’.

Omdat Hanegraaf net zo open staat tegenover religie als haar leven in het algemeen, is deze bundel op geen enkele manier opdringerig met godvruchtige gedachten. God heeft een plaats in het leven van deze dichteres zoals ook een meeuw of een feestje dat heeft.

In het gedicht Onwezenlijk laat de dichteres zien wat het gevolg is van haar open mentaliteit. Ze houdt er rekening mee dat ze wordt uitgenodigd op een feestje, maar ook is ze erop voorbereid niet te worden gevraagd. Het gedicht bestaat uit twee delen, waarvan het eerste opent met: ‘Mocht je me niet op je feestje uitnodigen/ ik zal aanwezig zijn’ en het tweede met: ‘Mocht je me uitnodigen op je feestje/ wat zal ik afwezig zijn’. Het eerste deel is dreigend van toon. De dichteres neemt bij voorbaat wraak:

Ik zal het gesprek sturen, want halverwege

een zin die lastig op mij toe liep

stokt iemand, ik ben het

waar jullie overheen praten

wat je niet zegt doet ook mee

het glipt in de stiltes die vallen

en die jullie met zijn allen haastig zullen vullen.

Vanwege mij kletsen jullie zoveel door elkaar

dat jullie het de hele avond over niets hebben

en lacherig zijn, waarbij ongetwijfeld iemand

denkt Hoe kan ik lachen als zij er niet is?

zodat ik zelfs tussen jullie gelach zit.

In het tweede geval voorziet de dichteres dat ze zich niet thuis voelt in de groep genodigden. Ze zou niet weten wat ze moest zeggen en verlangen naar wat ze zou doen als ze niet op het feestje hoefde te zijn.

Je komt er als lezer niet achter wie het feestje geeft. Het maakt niet uit. Het doet denken aan de lijsten die Kafka maakte met de voor- en nadelen van een huwelijk met een geliefde. Hij zorgde ervoor dat de lijst met nadelen altijd langer was dan de lijst met voordelen, zodat hij een zekerheid kon ontlenen aan de overtuigende meerderheid van nadelen. Niet de geliefde doet ertoe, niet de reden van het feestje, maar de onmogelijkheid om te kiezen is het werkelijke drama. Want wat als de dichteres zou worden uitgenodigd? Ze zou wel en niet willen gaan. Zoals god wel en niet bestaat, en de dode meeuw elke keer dat je het gedicht gaat lezen even levend is.