De opkomst van het progressief nationalisme

Wel grommen, niet bijten

Nationalisme heeft zich opnieuw in het hart van Europa genesteld. En het is niet meer het exclusieve eigendom van rechtse partijen. Ook links heeft het nationalisme herontdekt, maar dan verschoond van etnische invloeden en revanchisme.

Medium groene links nationalisme 2 grootweek36

In het voorjaar van 1993 is de Canadese politiek-theoreticus Michael Ignatieff namens de bbc op bezoek in Belfast. Hij stelt een aantal vragen aan een jongen van een jaar of dertien. De twaalfde juli nadert, de dag waarop gevierd wordt dat de protestant Willem van Oranje in 1690 de rooms-katholieke koning James II in The Battle of the Boyne verslaat. De jongen helpt mee met het stapelen van zwerfhout voor het traditionele vreugdevuur. ‘Waarom is de twaalfde zo’n belangrijke dag?’ vraagt Ignatieff. De jongen antwoordt zonder met zijn ogen te knipperen: ‘Vanwege King Billy en The Battle of the Boyne. Hij was koning van Holland of Engeland, en zijn troepen, de williamites, vochten tegen de Jacobites, het leger van koning Charles. De katholieken en protestanten bevochten elkaar in Ierland óm Ierland zou je kunnen zeggen.’

‘Maar wat betekent het voor jou?’ dringt Ignatieff aan. ‘Overwinning’, zegt de jongen zonder aarzeling. ‘De overwinning op de katholieken.’ Dat het verhaal niet helemaal klopt, dat Willem van Oranje nauwelijks Engels sprak en bovenal nooit geïnteresseerd is geweest in Belfast doet voor de overtuiging van de jongen niet ter zake. Hier is nationalisme aan het werk, stelde Ignatieff. Niet de historische werkelijkheid is van belang, maar de glorieuze, gemystificeerde vertelling: de mythe en de voor het verhaal noodzakelijke tegenstelling tussen wij, de protestanten, en zij, de katholieken.

Met zijn reis naar Belfast eindigde Ignatieff de zesdelige documentairereeks Blood and Belonging, Journeys into the New Nationalism, die door de Volkskrant werd gerecenseerd als een ‘sombere zoektocht naar de wortels van het moderne nationalisme’. Naast Noord-Ierland deed Ignatieff ook Oekraïne, Kroatië, Servië, Koerdistan, Duitsland en Canada aan in een poging de betekenis van de nieuw opwellende nationale gevoelens te doorgronden.

Een paar jaar eerder maakte hij zich er nog niet druk over. Na de verlammende jaren van de Koude Oorlog leek de val van de Berlijnse Muur de definitieve overwinning van de liberale democratie in te luiden die geen nationalisme naast zich zou dulden. In de introductie van het boek dat hij naar aanleiding van zijn documentairereeks schreef, stelde Ignatieff over zichzelf en zijn generatie: ‘Met een montere lichtheid van geest gingen we ervan uit dat de wereldorde zich definitief voorbij het nationalisme bewoog, (…) op weg naar een geglobaliseerde wereldeconomie die ons nieuwe thuis zou gaan vormen.’

Ignatieffs tour door Europa bevestigde echter dat ook na twee wereldoorlogen, aan het ‘einde van de geschiedenis’, nationalistische gevoelens springlevend waren, ook al kwamen die gevoelens vooral voor aan de randen van Europa (of er net buiten): de Balkan, Noord-Ierland, Koerdistan en de dwergstaatjes in de verafgelegen Kaukasus. In Nederland boekten Janmaats Centrum Democraten begin jaren negentig een aantal kleine verkiezingsoverwinningen, maar de partij wist nooit grote aantallen kiezers aan zich te binden. In 1998 verdween de partij voorgoed uit de Tweede Kamer. Het poldernationalisme kreeg geen voet aan de grond.

Nu is het anders. Wie krachtig nationalisme aan het werk wil zien hoeft niet langer naar Noord-Ierland of de Balkan af te reizen. In een groot deel van de Europese staten wint het politieke nationalisme aan invloed. In Frankrijk is Marine Le Pens Front National bezig aan een renaissance en in het Verenigd Koninkrijk is ook de Labour Party ervan overtuigd geraakt dat nationalisme niet altijd eng of gevaarlijk is. In België geniet de nationalistische n-va grote populariteit. In juli waarschuwden prominente christenen in een open brief aan het Duitse parlement dat Duitsland steeds meer machts- en belangenpolitiek bedrijft sinds het land een dominante positie in Europa heeft verworven. Het is ‘de opmaat voor een nieuw nationalisme’, stelden de briefschrijvers. De Tsjechische oud-president Vaclav Klaus is het middelpunt van gefluister over een mogelijke terugkeer in de politiek: hij zou kandidaat worden namens de nieuwe partij Soevereiniteit.

Ook in Nederland is een verandering te bespeuren. De pvda tracht haar houding ten opzichte van nationalisme opnieuw te bepalen en laat zich daarbij inspireren door de Britse geestverwanten. vvd-premier Mark Rutte lijkt zich achter de Britse premier Cameron te scharen in diens poging om macht uit Brussel weer over te hevelen naar nationale staten. pvv-leider Geert Wilders, samenwerkend met andere Europese nationalistische partijen, beraamt inmiddels een verzetsdemonstratie tegen het kabinet en beschuldigt de regering in de media van ‘verraad’ aan Nederland wanneer er, in de poging de eurocrisis tot een einde te brengen, steun wordt verleend aan andere Europese landen. Nationalisme heeft zich (opnieuw) in het hart van Europa genesteld.

Interessant is dat dit nationalisme niet meer het exclusieve eigendom van rechtse partijen is. De terugkeer van de nationale vertelling werd ingeleid door kritiek op de multiculturele samenleving, de islam en, recenter, de groei van de Europese Unie en haar grip op de lidstaten. Tot zelfonderzoek aangezet door het succes van populistisch rechts heeft links het nationalisme herontdekt. Sociaal-democratische partijen hebben nu meer waardering voor de nationale identiteit en cultuur.

De vraag is of het nationalisme daarmee een nieuw, duurzaam perspectief krijgt. Is het een tijdelijke reactie op een zich vergalopperende globalisering waar het continent doorheen moet en keert Europa weldra terug in de schoot van het internationalisme? Of bepaalt nationalisme na de negentiende en de twintigste ook het aangezicht van de 21ste eeuw?

Op zoek naar een verklaring voor de opkomst van het nieuwe nationalisme en de aantrekkingskracht ervan voor links voerden we gesprekken met historici, schrijvers, journalisten en onderzoekers. Uit hun analyses komt een divers en complex beeld naar voren. De belangrijkste vraag is eerst: is het ‘nieuwe’ nationalisme eigenlijk wel zo nieuw?

Volgens historica en neerlandica Lotte Jensen, auteur van onder meer Verzet tegen Napoleon en De verheerlijking van het verleden, waarin de natievorming in de negentiende eeuw besproken wordt, moet de historische continuïteit niet uit het oog worden verloren: ‘Het nationalisme heeft een sterk historisch karakter en ook nu zie je veel elementen, bijvoorbeeld een hernieuwde interesse in taal en cultuur, die zijn terug te voeren op de Romantiek van de late achttiende en vroege negentiende eeuw.’

De (politieke) Romantiek waar Jensen over spreekt vormde de voedingsbodem voor het nationalisme van de negentiende eeuw. Europa verkeerde sinds de Franse Revolutie in crisis. De oude waarden hadden afgedaan en de Verlichting had de wereld onttoverd. Jean-Jacques Rousseau had in zijn Maatschappelijk verdrag al geschreven dat elke moderne staat die op het sociaal contract gebaseerd was niet buiten een religion civile kon. Deze burgerlijke godsdienst moest de gevoelens van maatschappelijke verbondenheid tussen de deelnemers aan het sociaal contract verstevigen. John Stuart Mill, niet iemand die snel met nationalisme in verband wordt gebracht, betoogde dat het bestaan van nationale gevoelens een aansporing was om staten op de schaal van naties te organiseren: het was, stelde Mill, domweg het (liberale) principe van volkssoevereiniteit in de praktijk.

In veel opzichten bood het nationalisme de door volkssoevereiniteit gedragen staten daarom de burgerlijke godsdienst die ze nodig hadden. In zijn beroemd geworden lezing Wat is een natie? uit 1888 doopte de Franse historicus en filosoof Ernest Renan de natie en het bijhorende nationale bewustzijn terecht tot ‘solidariteit op heel grote schaal’. Nationalisme was het cement dat staten uit het tijdperk na het ancien regime hun stevigheid gaf. Jensen merkt op dat Europa dit ‘positieve, tijdloze nationalisme dat een beroep doet op waarden en cultuur’ nooit echt achter zich heeft gelaten. In Nederland manifesteert het zich in een gezond ‘oranjegevoel’.

Toch bevat het nationalisme in ons tijdvak duidelijk nieuwe elementen. Nieuw is op de eerste plaats de breuk met de internationaal georiënteerde Zeitgeist uit het recente verleden. De jaren negentig en de naweeën ervan in het eerste decennium na de millenniumwisseling hebben de naam een tijd van onstuitbare globalisering en internationalisme te zijn. Dat beeld is misschien een karikatuur van een veel complexere werkelijkheid, toch is het ook een idee dat tot de verbeelding sprak en dat correspondeerde met de beleefde realiteit.

Het nieuwe nationalisme markeert zo de omslag van vooruitblikkend globaliseringsoptimisme naar een diep beleefd wantrouwen tegenover de verkieslijkheid (en veronderstelde onvermijdelijkheid) van die toekomst. Het vertoog van de internationale vooruitgang – waar Pim Fortuyn nog sympathiek tegenover stond – heeft plaatsgemaakt voor een discours waarin het welzijn en voortbestaan van de nationale staat boven alles gaat.

Het internationalisme en het ideaal van een wereld waarin belangen van verschillende naties via intergouvernementele of supranationale organen worden geaccommodeerd maken plaats voor een politiek die expliciet het belang van de natie voorop stelt, als enig legitiem politiek doel erkent en in toenemende mate niet bereid is daarmee te marchanderen.

Er is nog een tweede nieuwigheid van het nationalisme uit onze tijd. Het accentueert niet primair een tijdloos ‘oranjegevoel’. Het is juist een kwestie van loyaliteit. Hoewel nationalisme en een ‘oranjegevoel’ veel gemeen hebben, zijn ze niet zomaar gelijk te stellen. ‘Oranjegevoel’ impliceert weliswaar een zekere nationale verbondenheid en cohesie, maar het heeft geenszins te maken met het streven de nationale identiteit tot een politiek project of wapen te maken. Nationalisme doet dat wel. Het plaatst een dwingende loyaliteitsvraag in het hart van de politiek en definieert scherp wie wel en niet recht heeft op solidariteit, politieke vertegenwoordiging, de voorzieningen van de rechtsstaat of de hulp van de verzorgingsstaat.

Nationalisme onderscheidt zich in de wijze waarop nationale vertellingen tot ideologie worden verheven. Het is de overtuiging die dicteert dat alle belangrijke vormen van politieke en statelijke organisatie binnen een gebied moeten samenvallen met de grenzen van de (culturele) natie, en dat de rechten en plichten die bij die politieke organisatie horen alleen voor leden van de natie toegankelijk zijn.

Na de lange naoorlogse periode waarin nationalisme op z’n minst als problematisch werd ervaren, en na een even zo lange tijd waarin opvattingen over identiteit vooral niet te exclusief mochten zijn, is de nationale identiteit als dominante vorm van identiteit gerehabiliteerd. Het belang ervan wordt niet meer op sleetse toon gerelativeerd door het gelijk te schakelen met het supporterschap van een voetbalvereniging. Politieke mobilisatie op grondslag van een duidelijk afgebakende, onderscheidbare nationale identiteit wordt veel minder dan vroeger met argwaan bekeken.

Medium groene links nationalisme grootweek36

Hoewel hij zichzelf niet ziet als een representant van nieuw nationalisme zegt de conservatieve essayist en denker Bart Jan Spruyt de opkomst ervan te kunnen begrijpen. Voor Spruyt duidt het nationalisme op een vorm van politieke en maatschappelijke overbelasting: ‘De structuren waarin mensen lang succesvol hebben gefunctioneerd komen onder druk te staan of vallen weg. Schaalvergroting leidt tot ongrijpbare processen – dat is de bron van nationalisme. Als bewindslieden en parlementen met lege handen staan en geen werkelijke macht meer hebben, is dat vernederend.’

Met de schaalvergroting doelt Spruyt op de Europese Unie. Een democratische unie om tegenwicht te bieden aan de nieuwe nationalistische opwelling acht hij geen optie: ‘Ik vind het moeilijk voorstelbaar dat het Europees Parlement ons ineens als een nieuw “demos” zou kunnen gaan vertegenwoordigen, en zelfs áls het democratisch tekort opgelost zou worden, dan nog denk ik dat het Parlement domweg te ver weg is.’

Een situatie waarin het volk (de natie) en de politieke organisatie op grote afstand van elkaar staan, kán niet werken, stelt Spruyt. ‘De aantrekkingskracht van het conservatisme is het besef dat politiek niet kan zonder nabijheid. Dat is ook het gelijk van mensen die zeggen dat democratie alleen werkt binnen de grenzen van een natiestaat. Spinoza had het in de zeventiende eeuw al over een soort contract waarin een volk voor zichzelf zijn politieke organisatie kiest. De Nederlandse parlementaire democratie is het resultaat van een lange historie, daar moet je zuinig op zijn.’

Spruyt is niet de enige die nieuw nationalisme ziet als een reactie op de Europese Unie. Ook Lotte Jensen ziet een verband. Anders dan Spruyt spreekt ze echter van een ‘Napoleon-effect’ dat de Europese Unie heeft op de lidstaten. De poging om binding en cohesie via economie of politiek te creëren doet nieuwe nationalistische gevoelens ontwaken, stelt ze. ‘Napoleon poogde begin negentiende eeuw ook eenheid te creëren door zich te richten op economische en politieke uniformiteit’, stelt Jensen, ‘maar het nationalisme kreeg hierdoor juist een enorme impuls. Het toont aan dat culturele verbondenheid essentieel is, anders mondt het streven van de Unie naar eenheid uit in verdeeldheid.’

Spruyt is het met haar eens: ‘Het conservatisme bezit een gezonde afkeer van de vloek van eenvormigheid.’ Er is een mooi citaat van de Ierse conservatieve criticus C.S. Lewis dat goed illustreert wat de essentie van het hedendaagse nationalisme is, zegt Spruyt: ‘In het hart van ieder beschaafd mens leeft het diepe verlangen om zijn eigen leven te leven, zijn huis zijn kasteel te noemen, van de vruchten van zijn werk te genieten, zijn kinderen op te voeden zoals zijn geweten hem ingeeft, en te sparen voor zijn nakomelingen na zijn dood.’

Volgens Spruyt staat nationalisme voor het verlangen van mensen naar gevoelens van loyaliteit, autonomie en beheersbaarheid: ‘Europeanen hebben geleerd om het nationalisme bij voorbaat te associëren met allerlei ellende, maar dat is niet altijd terecht. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was dat nog niet zo. Het nationalisme bleek juist goed in staat om in een liberale samenleving een gevoel van eenheid te creëren.’

Precies die gevoelens van eenheid zijn het kruispunt voor rechtse en linkse ideeën over natie en nationalisme. René Cuperus, als ideoloog verbonden aan de Wiardi Beckman Stichting, de wetenschappelijke tak van de Partij van de Arbeid, sluit zich in veel opzichten aan bij wat Spruyt en Jensen zeggen. Cuperus waarschuwt: ‘Verwar Europa niet met Brussel. Europa is Barcelona, Riga, Stockholm, Amsterdam en Zagreb. Dat is wat anders dan Brussel only.’

Cuperus beschouwt de EU, in ieder geval wat betreft haar ambitie, in de kern als iets goeds. Maar hij is niet zonder meer overtuigd van de idee dat de enige weg die van meer integratie is: ‘Ik denk dat je zeer voorzichtig moet zijn met het totaal uit handen geven van nationale macht. Het bewijs dat een bovennationaal parlement de macht van uitvoerende organen kan beteugelen is vooralsnog niet erg overtuigend geleverd.’

Het is vooral de weinig bedachtzame manier waarop nu vorm wordt gegeven aan het Europese project die hem tegen de borst stuit: ‘Ik keer me tegen de laconieke zelfopheffing van natiestaten. Er bestaan geen kwantumsprongen in de geschiedenis, alsof we van een eeuw van natiestaten naar een eeuw van continenten gaan.’

Voor Cuperus mag de eenwording van Europa nooit een doel op zich worden. Voor hem is de vraag van belang of politieke instituties de trend moeten volgen of die juist moeten dempen en accommoderen. ‘Als de wereld in hoog tempo globaliseert – ik ontken niet dat dit gebeurt – moeten alle vormen van politieke organisatie dan vanzelfsprekend megalomaan mee globaliseren, of moeten die op de bestaande schaal versterkt worden als tegenkracht?’

Cuperus ziet dat de wereld ‘platter’ wordt, zoals Thomas Friedman in zijn boek The World Is Flat betoogt. ‘Maar nationale samenlevingen worden daardoor meer divers, meer complex, meer turbulent. In zo’n tegenstrijdige wereld moet je niet angstig doen over nationale identiteit’, betoogt hij. ‘Hoe meer turbulentie, hoe steviger je moet vasthouden aan bestaande en geteste instituties.’

We spreken de Brit David Goodhart, journalist en directeur van de denktank Demos. Sinds de publicatie van zijn essay Too Diverse? in 2004, waarin hij zich afvroeg of een te diverse en multiculturele samenleving een gevaar vormt voor de verzorgingsstaat, geldt Goodhart als pleitbezorger van progressief nationalisme. Het essay riep in het Verenigd Koninkrijk heftige reacties op. ‘Sympathieke mensen doen ook aan racisme’, sneerde Trevor Phillips, toen voorzitter van de Commission for Racial Equality.

Bijna tien jaar later is er veel veranderd. ‘Het nationalisme heeft weer een plaats gekregen in het politieke discours’, vertelt Goodhart, die deze ontwikkeling ook in Nederland bespeurt. ‘Het wordt niet langer primair geassocieerd met massamoord en genocide. Je zou kunnen stellen dat het gefeminiseerd is. Nationalisme is tegenwoordig milder en minder stereotiep. Het heeft zich ontwikkeld tot een progressieve vorm.’

De manier waarop Goodharts recent verschenen boek The British Dream, Successes and Failures of Post-war Immigration werd ontvangen is tekenend voor de omslag. De grote commotie die in 2004 bij de verschijning van zijn eerste essay ontstond bleef uit. Bovendien staan op het omslag van het boek nu de lovende woorden van – inderdaad – dezelfde Trevor Phillips: ‘Geen intelligent mens kan het zich veroorloven dit boek niet te lezen.’

In zijn werk pleit Goodhart voor strengere immigratie- en integratieregels en voor een nieuwe ‘nationale vertelling’ om het gevoel van nationale binding te versterken. Progressief nationalisme trekt een harde grens bij de vraag wie wel en wie niet recht heeft op solidariteit, politieke vertegenwoordiging, het lidmaatschap van de rechtsstaat of de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Het in stand houden van de verzorgingsstaat gaat alleen als er een gevoel van verbondenheid en verantwoordelijkheid is voor collectieve voorzieningen. Op de voorkant van het pamflet Progressive Nationalism (2006), uitgegeven door Demos, staat het kernachtig: ‘Nu de bindende werking van religie, klasse en etniciteit verzwakt is, zou nationale identiteit wel eens het beste middel kunnen zijn om de collectieve idealen van links te behouden.’

Goodhart legt uit hoe nationale identiteit en geborgenheid in het Verenigd Koninkrijk vanaf de jaren zeventig min of meer als irrelevant werden bestempeld. Links zag weinig in een gemeenschappelijke nationale identiteit als basis voor een gezonde samenleving. In plaats daarvan domineerde de opvatting dat de nationale identiteit maar beter zou kunnen worden ingeruild voor een wereldburgerschap. Wie niet net zo solidair was met de inwoners van Burundi als die van Birmingham bevond zich in de ‘foute hoek’.

Inmiddels zijn de begrippen ‘natie’ en ‘nationale identiteit’ voor links min of meer genormaliseerd. Een goed voorbeeld is Labour, dat campagne voert met de nieuwe slogan ‘One nation’. Een paar decennia geleden zou zo’n slogan uit den boze zijn. ‘Het nationale verhaal is lang onbelangrijk geweest voor links en nog steeds ligt het onderwerp moeilijk’, zegt Goodhart. ‘Maar er is iets veranderd. De natie is niet meer alleen van rechts.’

In augustus publiceerde Lodewijk Asscher, naast vice-premier en minister van Sociale Zaken tevens voorzitter van de Wiardi Beckman Stichting, samen met Goodhart een brief in The Independent en de Volkskrant. Asscher en Goodhart bepleitten maatregelen om de toestroom van migranten uit Oost-Europa te beperken: goedkope arbeidskrachten hebben een negatief effect op de welvaart van de autochtone onderklasse, en hun aanwezigheid heeft daarmee een ontwrichtend effect op de samenleving.

De nationale oriëntatie van Cuperus, die ook met Goodharts ideeën sympathiseert, en Asscher is onderdeel van een langere zoektocht van de pvda naar haar wortels. Wouter Bos pleitte in 2009 al voor een beschaafd nationalisme. ‘De term trots hoort niet alleen bij rechts thuis’, stelde hij op een partijbijeenkomst in Utrecht. Aanleiding was een zeer kritische integratienota waarin de pvda haar nieuwe houding ten opzichte van immigratie en integratie trachtte te verwoorden. Andersom citeerde Goodhart Bos met instemming in zijn Progressive Nationalism.

De huidige onomwonden keuze voor het nationale verhaal lijkt een voorlopig eindpunt te zijn. Links nationalisme heeft geleerd van de cultuurkritiek uit de rechtse hoek en de nationale vocabulaire van een eigen politieke invulling voorzien. Links nationalisme polariseert de loyaliteitsvraag minder, heeft geen revanchistische agenda en kent een open karakter. In die zin verschilt het van het rechts nationalisme; het blijft verschoond van etnische of raciale invloeden, definieert burgerschap in culturele termen die nieuwkomers de kans geven tot de politieke gemeenschap te behoren en de wraakzucht van rechts heeft plaatsgemaakt voor idealen van verheffing en solidariteit. Links nationalisme wordt gedragen door positieve waarden.

Maar hoe duurzaam is het? Voor de sociaal-democratie is de vraag extra pikant. Links is van oudsher een belangrijke bondgenoot in de politieke integratie van Europa. Het Europese en het nationale perspectief bijten elkaar. Wat gebeurt er als de twee in botsing komen? En belangrijker: is het nationalisme wel zo solide als het lijkt?

De Vlaamse historicus Olivier Boehme neemt een nationalisme waar dat een wezenlijk ander karakter kent dan de gedachten over verbondenheid die Goodhart en anderen eraan geven. In zijn recente boek De welvaart trots van naties: Een geschiedenis van het economisch nationalisme betoogt hij dat nationalisme in onze eeuw uitgesproken economisch is en maar weinig te maken heeft met de ‘duistere of irrationele kracht’ die het nationalisme in de negentiende en twintigste eeuw doordesemde. ‘Het nationalisme wordt hoofdzakelijk gevoed door economische neergang en de voor de verzorgingsstaat bedreigende globalisering van de economie. Samenlevingen zijn in het tijdperk van de welvaartsstaat veel materialistischer dan vroeger’, stelt hij. ‘Met idealisme kom je tegenwoordig niet meer zo ver. Daarom zien we dat getracht wordt om grote politieke projecten met economische argumenten te stutten.’

Boehme ziet dat bijvoorbeeld Vlaamse nationalisten, zoals de Nieuw-Vlaamse Alliantie (n-va) van Bart De Wever, en overtuigde Europese federalisten, zoals Guy Verhofstadt, zich van een dergelijk nationalisme bedienen: ‘Ze hebben een politiek project voor ogen, de Vlaamse natie, de Europese federatie, dat ze met economische argumenten rechtvaardigen.’ De n-va van De Wever kiest voor het economische beleid dat de meeste kiezers oplevert en zo dienstig is in het verkrijgen van politieke macht. Dit economisch nationalisme waar Boehme over spreekt is in elke opzicht opportunistisch. Het lijkt de nationale vertelling soms in de eerste plaats als gelegenheidsargument te zien. De n-va is niet alleen pleitbezorger van de losmaking van Wallonië, maar ook van verdere Europese integratie, met een sterk politiek Europees bestuur. Nationalisme dus, maar niet altijd.

Boehme memoreert instemmend de woorden van Bruno Tobback, voorzitter van de Socialistische Partij Anders (sp.a), die nationalisme tot de tijgerbalsem van de Vlaamse politiek doopte: ‘Het wordt als tovermiddel tegen alles aangeprezen. Het is geen toeval dat elementen van het verhaal van de n-va worden gedeeld door andere partijen.’

Misschien dat de suggestie van zuiver economisch nationalisme vooral kenmerkend is voor het Vlaamse perspectief. Samen met het noorden van Italië, de Catalanen en de Schotten behoort Vlaanderen tot een groep Europese regio’s waarin een aanzienlijk deel van de kiezers zich, gebruik makend van de nationale vocabulaire, los zou willen maken van het moederland. De pleitbezorgers van autonomie en soevereiniteit hameren nadrukkelijk op het economische argument.

In alle gevallen geldt onvrede over financiële afdrachten aan andere delen van het land als voornaamste ergernis. Catalanen zijn nettobetaler aan de rest van het Spaanse koninkrijk, net als de Vlamingen en de inwoners van de Po-delta in respectievelijk België en Italië. In Schotland worden optimistische berekeningen gemaakt over de olierijkdom die voor de kust ligt en die men het liefst niet deelt met de rest van Groot-Brittannië. En net als de n-va van Bart De Wever wensen de Schotse en Catalaanse nationalisten op te gaan in de Europese Unie. De Scottish National Party (snp) had tot aan de eurocrisis zelfs als standpunt dat de Britse pond ingeruild moest worden voor de euro.

Maar de kleinere naar autonomie strevende regio’s zijn zeker niet de enige die gebruik maken van de taal van het economisch nationalisme. Recent haalde de socialistische Franse minister van Industrie Arnaud Montebourg tijdens een radio-interview stevig uit naar de Europese Commissie en haar voorzitter José Manuel Barroso. Met hun globaliseringsagenda waren zij de ‘olie op het vuur’ van extreem-rechts, stelde hij. ‘We hebben een voorzitter van de Europese Commissie die betoogt dat je iedereen die tegen globalisering is reactionair kunt noemen.’

De botsing legt een schurend dilemma bloot. De vertrekpunten die tegenover elkaar staan, de nationale van Montebourg en de Europese van Barroso, zadelen lidstaten met een loyaliteitsprobleem op dat economisch nationalisme in de hand werkt. Aan de ene kant staan formele afspraken met de Unie. Aan de andere kant staat het gevoel van verantwoordelijkheid voor en verbondenheid met de eigen nationale staat.

De onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie over een nieuw vrijhandelsverdrag zijn tekenend voor dit dilemma. Frankrijk wilde zijn filmindustrie buiten het verdrag houden om haar te beschermen tegen de concurrentie uit Hollywood. De Commissie zag dit als een mogelijke belemmering voor de onderhandelingen. Barroso stelde dat Frankrijk (en landen met een gelijksoortige ‘antiglobaliseringsagenda’) ‘niet begreep welke voordelen globalisering met zich meebrengt’.

De Franse politiek, van links tot rechts, denkt hier heel anders over. Montebourg vindt brede steun bij zijn Parti Socialiste, zo bleek uit reacties van andere ministers en vertegenwoordigers op zijn opmerkingen. En op de (uiterst) rechtse flank klinkt eenzelfde geluid. Het partijprogramma van Le Pens Front National roept op tot een ‘herbewapening van Frankrijk tegen de globalisering’. De centrum-rechtse ump, ten slotte, ziet zich onder druk van Le Pen gedwongen verder naar rechts op te schuiven.

De manier waarop Olivier Boehme tegen het nationalisme aankijkt heeft iets cynisch en geeft het nationalisme – duizenddingendoekje voor opportunistische politici – als trotse ideologie weinig krediet.

Als we het nationalisme van vroeger vergelijken met dat van vandaag valt bovendien een tweede fundamenteel verschil op. Het tijdperk van het nationalistische momentum uit de negentiende eeuw was ook een periode van maatschappelijke mobilisatie en de opkomst van grootschalige massabewegingen. Die tijd ligt nu achter ons, fermenterend en schimmelend in het voortrazende proces van individualisering.

De socioloog en schrijver Dick Pels muntte in zijn boek Het volk bestaat niet de term ‘nationaal-individualisme’, ‘ons individualisme’. Individu en nationale identiteit lijken een pact te zijn aangegaan, schreef Pels: ‘Ieder voor zich, en Nederland voor ons.’ Maar of het nationalisme ook krachtig kan zijn als individu en natie botsen is daarmee niet bewezen: nationalisme is au fond steeds die loyaliteitsvraag. Het individualistische en materialistische karakter van de 21ste eeuw infecteert en verzwakt de sterkte van het nationale verhaal. Nationalisten kunnen, zoals alle politici, nog zelden aanspraak maken op onvoorwaardelijke loyaliteit.

In dit opzicht doen de nieuwe, progressieve en reactionaire vormen van nationalisme machteloos aan. Het is niet, zoals in de negentiende eeuw, een belofte voor de toekomst, of een groot en meeslepend project van een volk dat in de collectieve lotsbestemming, geformuleerd door zijn leiders, een zalige toekomst tracht te bewerkstelligen. De collectieve idee in de natiestaat beperkt zich tot het beschermen van wat er was; het strekt zich niet uit tot het verlangen naar wat kan of zou moeten zijn. Achter het soms kwade taalgebruik gaat een futloosheid en vermoeidheid schuil die het nationalisme soms ironisch, soms knorrig, maar altijd tandeloos lijkt te maken: in staat tot verdedigen, maar niet meer tot echte aanval. Het nieuwe nationalisme komt parasitair over, niet in staat een nieuw collectief ideaal te stutten. Het is een nationalisme dat in staat is om te grommen, maar dat niet bijt.

Het nationalisme van rechts kent wel de klacht, maar raakt niet voorbij de reactie en bezit niet de punch om verschil te maken. Het rechtse nationale vertoog creëert eenheid noch geborgenheid en blijft een kroniek van ressentiment. Het nationalisme van links worstelt om zich aan de schijn van reactie te onttrekken en het bewijs te leveren dat het meer kan zijn dan lippendienst aan dat wat vertrouwd is. De argwaan waar nationalisme vroeger op stuitte verdwijnt, maar de rehabilitatie ervan in het politieke landschap garandeert geen solide basis op de lange termijn: correspondeert de taal met het politieke handelen, en kan het nationale idee meer zijn dan een bezweringsformule?

Dat de vocabulaire is hervonden garandeert niet dat er in materieel opzicht veel zal veranderen of dat de altijd aanwezige loyaliteitsvraag van het nationalisme op de spits wordt gedreven, bijvoorbeeld in oppositie tegen het Europese project. Of het hervonden nationalisme in staat zal zijn het continent een nieuwe richting in te sturen, valt zeer te betwijfelen. Groter is de kans dat het, zoals Ignatieff stelde, een taal blijft die vooral zichzelf wil overtuigen.