Casus Kenia  

Wel hout, maar geen stoel

NAIROBI – Schoenenfabrikant Bata bloeit in Kenia. Dit merk geldt in Nederland bijna als tweederangs. Maar in Nairobi heeft Bata filialen op de meest prominente plaatsen, zoals pal naast het Hilton in het hart van het centrum. Het van oorsprong Tsjechische bedrijf heeft de turbulenties in de sector doorstaan. In tegenstelling tot veel kleine looierijen. ‘Door het dumpen van goedkope tweedehands schoenen uit Azië is de lokale markt in de loop der jaren kapotgemaakt’, verklaart exportmanager van Bata Wilfred Wangui. Wat boeren in Kameroen over melkpoeder vertellen, is het verhaal van Keniase schoenenverkopers over schoenen uit Azië. Niet voor niets werd begin dit jaar tijdens het World Social Forum geprotesteerd tegen verdergaande handelsliberalisering in Afrika. Recentelijk schaarden de jongerenorganisaties van icco en cnv zich in het kamp van de critici. Hun protest is vooral gericht tegen de zogenoemde Economic Partnership Agreements (epa’s), die bedoeld zijn ter liberalisatie van de handel tussen Afrika en de Europese Unie. Een Belgisch samenwerkingsverband van allerlei maatschappelijke organisaties, verenigd in de Noord-Zuidbeweging, ziet de epa’s zelfs als een nieuwe vorm van kolonialisme. En Oxfam/Novib waarschuwde al in een persbericht voor ‘desastreuze gevolgen’ van een op vrijemarktprincipes gebaseerde deal.

Vooralsnog genieten veel Afrikaanse landen een uitzonderingspositie. De Europese markten staan open voor hun producten, terwijl de Afrikanen andersom wel tariefmuren mogen opwerpen tegen Europese massaproducten. Maar deze verdragen – meest recentelijk die van Cotonou, in het West-Afrikaanse Benin – hebben voorlopig weinig uitgehaald. Afrikaanse landen hebben er in ieder geval nauwelijks van kunnen profiteren. Zo is het importaandeel van de armste 78 landen, in Afrika en elders, op de Europese markt sinds 1979 afgenomen van 6,7 naar 2,9 procent nu. Ter vergelijking: twintig procent van alle door de lidstaten van de EU geïmporteerde goederen komt uit China en Japan. Zuid-Korea exporteert in zijn eentje evenveel naar de EU als alle acp-landen bij elkaar. Een beroerde infrastructuur, lage arbeidsproductiviteit, fragiele markten, gebrekkige regelgeving en verouderde technologische kennis: de situatie lijkt hopeloos. Noopt de economische achterstand van Afrika inderdaad tot handhaving van een uitzonderingspositie voor het donkere continent?

De secretaris-generaal van het Keniase ministerie van Handel en Industrie, David Nalo, vindt van niet. Hij bepleit al langer een vrijere handelsrelatie tussen de EU en Afrika en schaart zich, net als zijn minister, achter de Wereldhandelsorganisatie, die per januari 2008 een einde aan de ‘scheve’ situatie wil maken. Die heeft het continent immers weinig gebracht. Nog steeds exporteert Afrika vooral veel grondstoffen, zoals olie, goud, diamanten, koper, koffiebonen, thee en hout. De afgelopen decennia zijn daar tuinbouwproducten zoals sperzieboontjes en bloemen bij gekomen. Dure dingen als machines, elektronische apparaten en consumentengoederen worden nog altijd geïmporteerd uit Europa, Amerika en in toenemende mate uit India en China. Reden voor president Museveni van Oeganda om vorig jaar in een cynisch getoonzette open brief aan de Britse minister voor Ontwikkelingssamenwerking Hilary Benn flink uit te halen. ‘Met iedere kilo geëxporteerde koffie’, schreef de president, ‘doneren we minstens negen dollar aan het Westen, thuisbasis van de Nestlé-fabrieken die de koffiebonen van de achtergestelde landen gebruiken om geld en werkgelegenheid voor hun eigen mensen te genereren. Wie blokkeert hier onze vooruitgang?’ Niet ik, schreef Museveni, die zojuist de grondwet had gewijzigd om nog weer langer aan de macht te blijven.

Kangumba Adyeri, handelsattaché bij de Oegandese diplomatieke vertegenwoordiging in Nairobi, zegt: ‘Het Westen blieft onze afgewerkte producten gewoon niet. Een Afrikaans land mag hout verkopen maar geen stoel. We mogen koffiebonen verhandelen maar geen kant en klaar pak koffie.’ Adyeri heeft weinig fiducie in de handelsbesprekingen over de epa’s. Want hoe kun je verwachten dat de Afrikanen hun markten opengooien voor Europese goederen, terwijl de EU hardnekkig vasthoudt aan de landbouwsubsidies en hoge kwaliteitseisen? De Oegandese diplomaat heeft een punt. Maar wie de lijst met EU-importtarieven erop naslaat zal moeten constateren dat er geen sprake is van zogenaamde ‘tariefescalatie’. acp-landen betalen het nultarief voor koffiebonen maar ook voor een pak gemalen koffie. Het is niet een kwestie van ‘mogen’. Niemand wil ze kopen, of Afrikanen krijgen het niet voor elkaar ze te fabriceren en te exporteren.

Er is nog een probleem. Afrikaanse landen leggen ook handelsbelemmeringen op aan elkaar. De broodnodige investeerders blijven weg zolang Afrika een onoverzichtelijk geheel is van separate handelsblokken. De epa’s beogen ook het proces van economische integratie te versterken, zo beweren de voorstanders. De onderhandelingen werken, denken ze, als katalysator bij het opheffen van interne handelsbelemmeringen. En één hecht handelsblok met een grote interne markt is nu eenmaal veel aantrekkelijker voor investeerders dan allemaal eilandjes.

Maar de onderhandelingen vlotten niet. Onder meer omdat de Europese Unie met onderling ongelijkwaardige spelers om de tafel zit: developing countries, landen in ontwikkeling, zoals Kenia, de Seychellen en vreemd genoeg Zimbabwe, zitten naast Tanzania, Eritrea, Oeganda en Zuid-Soedan, die de status hebben van minst ontwikkeld land (mol). Voor deze hekkensluiters heeft de wto een belangrijke uitzondering gemaakt: zij mogen tot in lengte van dagen alles behalve wapens exporteren naar de Europese markt tegen een nultarief. Maar waar Oeganda en Tanzania ‘lekker lui in hun mol-zetel’ denken te kunnen blijven zitten, zoals een westerse diplomaat het uitdrukte, daar begint Kenia juist ongemakkelijk op de stoel te schuiven. Als er geen nieuw akkoord wordt bereikt met de EU gaan de huidige nultarieven voor bijvoorbeeld bloemen en sperziebonen per januari 2008 waarschijnlijk omhoog. De Nederlandse bloemenboeren in Kenia houden hun adem in.

Vlakbij de Bata-fabriek in Kenia staat Limuru Milk Processors Limited, in de buurt van de glinsterend groene theevelden van de plaats Limuru. Kenianen zijn fanatieke melkdrinkers. Volken als de Masai en de Kalenjin leven op een dieet van melk en bloed. Ze zijn ook melkproducenten. Marketingmanager Njuguna van de melkfabriek onderstreept het economische belang van zuivel voor de regio: ‘Elk huishouden hier heeft minstens één koe. Melk brengt geld binnen.’ De markt openen voor Europese zuivelproducten ziet de bedrijfsleiding niet zitten: ‘Komen er goedkope mooi verpakte pakjes en wij kunnen onze handel opdoeken.’ Hij vertolkt de mening van veel kleine boeren, die, net als in Kameroen, de import van poedermelk uit Nederland hekelen. Een vertegenwoordiger van de Keniase organisatie voor kleine boeren noemt de epa’s een one man show: ‘De Europese Commissie probeert ze door onze strot te duwen.’

Maar niet alle boeren denken als de marketingmanager en de vertegenwoordiger van kleine boeren. ‘Als de regering eindelijk beleid gaat maken en er positieve prikkels komen waardoor we onze bedrijfsvoering kunnen verbeteren, concurreren we over twintig jaar met de buitenwereld’, aldus Isiah Chukuna, die met zijn vrouw naar een speciale boerenlanddag in Limuru is gekomen. Hij blijkt niet de enige te zijn die er zo over denkt. John Mucheru houdt koeien en geiten. Deze ondernemer produceert melk en kaas en voor boter volgt hij een cursus: ‘Over een paar jaar kunnen we de concurrentie aan met Zuid-Afrika. Daarna volgt Europa.’ En het goedkope melkpoeder dan uit Nederland, dat straks misschien de markt gaat bederven? ‘Weet u’, zegt Mucheru, ‘we zijn nogal seizoensafhankelijk. In het droge seizoen kunnen we minder produceren, dan importeren we meer. Maar in het natte seizoen consumeren we zelf minder en produceren we veel.’

Kippenboer Moses in het nabijgelegen Kikuyu is minder zelfverzekerd: ‘Ik heb liever niet dat onze markten opengaan. Hoewel, Kenianen houden van verse producten, dus voor de bevroren pakjes uit de EU ben ik niet zo bang.’ Ook melkhandelaar Titus is niet bevreesd. Iedere morgen klimt hij op zijn fiets. Op de bagagedrager zijn kratten met pakjes melk tot anderhalve meter opgetast. Van het acroniem epa heeft hij nog nooit gehoord. Een mening heeft hij wel: ‘Vrijhandel zal onze geest scherpen en ons dwingen om nog beter te produceren. We zullen de kwaliteitsstandaard moeten verhogen.’

Deelt de minister voor Oost-Afrikaanse samenwerking Koech het optimisme dat bij sommige boeren en buitenlui valt te beluisteren? Op de achttiende verdieping van het ministerie valt even een stilte. ‘Totale liberalisering is niet wijs’, zegt de bewindsman dan, ‘maar binnen een periode van vijftien tot twintig jaar kunnen we een hoop bereiken. We moeten erin slagen onze productiekosten te drukken. Onze wegen zijn nog steeds te slecht en energie-efficiëntie hebben we ook nog niet in de vingers.’

Met een zachte overgangsperiode en de nodige investeringen in ontwikkeling, wil Koech maar zeggen, kan Afrika zich mengen in de globalisering. Als figurant op dat toneel blijft het vermoedelijk sappelen geblazen.