Een pleidooi voor het trottoir

Wel vriendelijk, niet vriendschappelijk

In een dorpse omgeving woon je langs een stoep en ben je min of meer gedwongen alles met je buurtgenoten te delen. In een stedelijke omgeving is de stoep een trottoir. Daar kun je elkaar beschaafd ontlopen.

De straat waaraan ik woon is er een van een reeks vrij smalle zijstraten van een relatief brede laan, waarover ik graag een ommetje mag maken. Je loopt er frank en vrij, laat elkaar met rust en groet alleen mensen die je echt kent. In een van de zijstraten ben ik geneigd, voor de zekerheid, iedereen maar even te groeten. De stoep is daar ook smaller, weliswaar slechts één tegel, maar dat is een wereld van verschil. Om elkaar te passeren moet je toch even een ultrakorte blik uitwisselen, waarbij meteen de vraag opkomt of je moet groeten of niet. Het kleine beetje ‘spanning’ dat zo ontstaat lost zich meestal op door even vaag naar elkaar te glimlachen.

Het is niet alleen de breedte van de stoep die de stoep langs de straat anders doet aanvoelen dan die langs de laan. Zodra ik ‘mijn’ straat in loop, voelt dat prettig vertrouwd. Maar om dezelfde reden voel ik me soms wat ongemakkelijk als ik, zomaar omdat ik daar zin in heb, een eerdere zijstraat neem en via een iets andere route naar huis loop: dat is niet mijn straat. Al na een paar stappen vraag je je dan onwillekeurig af wat je er eigenlijk te zoeken hebt. Je voelt je bekeken: wat moet die hier?

Dat komt natuurlijk ook doordat het in de zijstraten stiller is dan op de laan, waar het relatief druk kan zijn. De brede middenberm met bomen is een veelgebruikte hondenuitlaatroute, er zijn bushaltes en brievenbussen. Zelfs als ik de enige op de stoep van de laan ben zijn er tal van redenen die mijn aanwezigheid kunnen verklaren, die mij een alibi verschaffen. Je kunt op de laan opgaan in de massa, zelfs als die er niet is. Je bent er kortom vrijer.

En zoals dat gaat met vrijheid is ook deze vrijheid niet zonder keerzijde. Je ‘eigen straat’ is vertrouwd, op de laan ben je onwillekeurig meer op je hoede, je moet altijd een beetje uitkijken. Ik vind dat trouwens een voordeel, ik vind het aangenaam dat ik mág uitkijken, sightseeë __n. Misschien is het beter te zeggen dat het in de zijstraten niet zozeer stil is als wel meer harmonieus, gelijkgestemd: men is er onder elkaar. Op de laan is het minder eenvoudig, minder eenstemmig. Daar is minder sprake van eensgezindheid en meer van veelheid. In de zijstraten zijn er maar twee soorten voorbijgangers: zij die er horen en zij die er niet horen. Op de laan is iedereen min of meer vreemd.

De laan is met andere woorden meer een ‘wereld van vreemden’, zoals (stads)socioloog Lyn Lofland dat genoemd heeft in haar boek A World of S_trangers_. Naast deze publieke sfeer, de wereld van vreemden, onderscheidt Lofland nog twee sferen: het privé-domein en een zogenaamd ‘parochiaal domein’. Om dat laatste gaat het natuurlijk, want een onderscheid tussen privé en openbaar is sinds lang gemeengoed: in de eerste sfeer speelt ons persoonlijke leven zich af en in de laatste het publieke leven. Het parochiale domein zit daartussen, het is een overgangsgebied.

‘Parochie’ wordt tegenwoordig eigenlijk nog alleen door katholieken gebruikt om de geloofsgemeenschap aan te duiden; het ‘parochiale domein’ is de ‘gemeenschapsruimte’. Het is de ruimte waar je de meeste andere vaste gebruikers en de gebruiken wel kent én waar je gekend wordt. Tegen mijn dochters kon ik tot voor kort – ze zijn inmiddels te oud – zeggen dat ze wel buiten mochten spelen, als ze maar op ‘onze’ stoep bleven, en dan wisten ze precies wat ik bedoelde – wat niet wilde zeggen dat ze zich er altijd aan hielden.

In het pas verschenen filosofische proefschrift De stad als interface van Martijn de Waal speelt het begrip ‘parochiaal domein’ een belangrijke rol (Tracy Metz interviewde hem voor De Groene Amsterdammer van 21 februari, hoewel het daar niet letterlijk ter sprake kwam). De Waals studie gaat onder meer over de invloed van de nieuwe media op de beleving van de stad en de openbare ruimte. Zo ben je met een van veel apps voorziene mobiele telefoon op straat als het ware nooit meer op jezelf, maar altijd onder elkaar. De Waal ziet daarin terecht kansen en bedreigingen. Uiteindelijk houdt hij een pleidooi voor ‘de republikeinse stad’, waar het er niet alleen om gaat bij welke groep (‘lifestyle’) je hoort, maar waar je je ook als zelfstandig individu kunt blijven inzetten voor de publieke zaak (res publica).

De Waal heeft het dus over nieuwe ontwikkelingen in de openbare ruimte, terwijl ik het nu eigenlijk over de ‘ouderwetse’, maar volgens mij bepaald nog niet achterhaalde openbaarheid wil hebben.

In een van de meest eerbiedwaardige van de oude media, de schilderkunst, zijn treffende verbeeldingen van de drie door Lofland onderscheiden leefwerelden te vinden. De privé-wereld is misschien wel het mooist verbeeld in de schilderijen van Pieter de Hoogh, in een huiselijke scène zoals De moedertaak, die zich in het Rijksmuseum bevindt en een moeder toont die thuis een kind ontluist. Er zal vast allerlei symboliek in zitten, maar ook de kijkers van toen kan toch niet ontgaan zijn dat dit een verbeelding is van huiselijkheid en intimiteit. Te denken valt natuurlijk ook aan de interieurstukken van Johannes Vermeer, bijvoorbeeld de keukenmeid die in opperste concentratie melk schenkt.

Het straatje van Vermeer is dan een prachtige verbeelding van een parochiaal domein: een vrouw zit in een deuropening wat handwerk te doen, terwijl op de stoep voor het huis kinderen knikkeren of iets dergelijks. Eigenlijk zou Het straatje beter Het stoepje kunnen heten.

In dezelfde zaal, de eregalerij van het Rijksmuseum, is ook een mooi schilderij van het publieke domein te zien. De bocht van de Herengracht van Gerrit Berckheyde toont vol trots een Amsterdamse gracht. Eigenlijk zijn beide soorten openbare ruimte op dit schilderij te zien, want behalve de gracht als ‘openbare weg’ zijn er ook die typische deftige stoepen te zien die tot een heus bordes zijn uitgegroeid. Zij vormen het parochiale domein, de overgang tussen de woonhuizen en de openbare weg.

Het is niet toevallig dat ik deze Hollandse zeventiende-eeuwse schilders noem, want zij gelden als de ontdekkers van het persoonlijke leven. Dat persoonlijke leven bestond natuurlijk al net zo lang als het openbare leven, maar werd meestal over het hoofd gezien en zeker niet voor vol aangezien. Het was gewoon geen onderwerp. Een klassieke geest richt zich op de Oud-Griekse agora of het Romeinse forum, waar de burgers van de polis of republiek samenkomen om te debatteren, terwijl de slaven, vrouwen en kinderen thuis blijven en zich bezighouden met oninteressante zaken.

Onlangs was op de tentoonstelling Langs de Amsterdamse grachten op verschillende tekeningen ook goed te zien hoe bij veel grachten langs de stoepen nog een voetgangerszone loopt met een andere bestrating dan de straat. Naar aanleiding daarvan bedacht ik dat je twee soorten stoepen kunt onderscheiden, wat in het Nederlands makkelijk kan omdat we er twee woorden voor hebben: ‘stoep’ en ‘trottoir’.

Op zich zijn ‘stoep’ en ‘trottoir’ synoniem en komen ze allebei van ‘trede’, zo legt taalkundige MaartenJan Hoekstra uit in zijn boek Huis, tuin en keuken en in zijn columns in Stedelijk Interieur: Het vakblad over de openbare ruimte, columns die binnenkort bewerkt en aangevuld worden tot een nieuw boek waar ik nu al reikhalzend naar uitzie: Dorp, stad en land. De kracht van Hoekstra is namelijk dat hij niet alleen taalkundige is maar ook bouwkundige: hij weet alles van woorden die met wonen, bouwen en dergelijke te maken hebben.

Over ‘trottoir’ merkt hij op dat het woord in Nederland een relatieve nieuwkomer is, het is pas rond 1800 uit Frankrijk (Parijs) gekomen waar langs de steeds drukker wordende boulevards behoefte was ontstaan aan een veilige, afgescheiden voetgangersstrook: het trottoir.

En Hoekstra maakt nog een interessante opmerking: ‘In de negentiende eeuw zou de Franse invloed aanwezig blijven. De steden zouden in die honderd jaar echter voorgoed van karakter veranderen, zowel in stedenbouwkundige als in architectonische zin. Het is immers in de negentiende eeuw dat de moderne “hedendaagse” stad ontstaat.’ Ik denk dat die moderniteit en het trottoir veel met elkaar te maken hebben. Maar ook dat er iets klassieks in het trottoir zit: kunnen we het trottoir niet beschouwen als de moderne agora?

Het trottoir is in elk geval meer een publiek domein en de stoep meer parochiaal. De stoepen langs de (zij)straten bij mij in de buurt zijn meer echte stoepen, terwijl de stoep langs de laan meer een trottoir is.

Het trottoir, publiek domein in het algemeen, is een vaak verwarrende, ingewikkelde ruimte, je weet daar nooit helemaal zeker waar je aan toe bent. Onzekerheid en vrijheid vormen de keerzijden van dezelfde medaille. De stoep wordt als parochiale, veilige en vertrouwde omgeving dan ook meer gewaardeerd. Terecht, al was het maar omdat kinderen er veilig kunnen spelen. Toch lijkt het me geen goed idee de trottoirs dan maar op te heffen en er stoepen van te maken. Ze moeten juist, liefst ook letterlijk, naast elkaar blijven bestaan. Steeds vaker klinken pleidooien voor ‘collectief beheer’ en ‘privatisering’ van de openbare ruimte. De consument moet ook hier ‘co-producent’ worden en ‘mede-eigenaar’. Dat zou niet alleen goedkoper en efficiënter zijn, het zou van buurtbewoners ook weer werkelijk buurtbewoners maken: ze zouden zich weer betrokken voelen bij hun directe woonomgeving, ze gaan weer banden aan met die omgeving en met elkaar. Kortom, het is goed voor de ‘sociale cohesie’.

De openbare ruimte zou een huiskamer voor de buurt moeten worden. Maar cultuurpsycholoog Jos van der Lans heeft al eens terecht gewaarschuwd voor de ‘huiskamerisering’ van de openbare ruimte. Het is weliswaar heerlijk om in een buurt te wonen, om een stoep voor de deur te hebben, maar eerlijk gezegd zou het er wat mij betreft niet uit te houden zijn als ik niet heel eenvoudig een luchtje kan scheppen en een ommetje kan maken, als er dus geen trottoir in de buurt is te vinden waarop je je vrijer kunt bewegen, met een afstandelijke betrokkenheid en vrijblijvende verplichting.

Natuurlijk is het mooi als gebruikers en bewoners zich ontfermen over de openbare ruimte bij hen in de buurt. Het is prima dat zij die zich toe-eigenen, zolang er maar trottoirs overblijven. Eigenlijk is het heel eenvoudig: zoals de socioloog Anton Zijderveld al eens opmerkte is stedelijkheid verrassend makkelijk te definiëren: van stedelijkheid is sprake als je kunt flaneren. Dat nu kan niet op de stoep, maar slechts op het trottoir.

In de pleidooien voor ‘parochialisering’, voor het ‘teruggeven van de straten aan de mensen’, klinkt meestal vaag op de achtergrond Jane Jacobs door. Haar boek Dood en leven van grote Amerikaanse steden uit 1961, in 2009 nog vertaald naar het Nederlands, is immers een lofzang op de stoep.

Ik pakte het boek er nog maar eens bij en genoot weer van de prachtige passages over de stoep en over het alledaagse leven dat zich voor Jacobs’ huis in Manhattan afspeelt. Jacobs wijdt tientallen bladzijden aan het fascinerende verschijnsel dat ze beschrijft als een ‘ballet’ van passanten. Beroemd is ook haar pleidooi voor ‘ogen op de straat’: veiligheid en vertrouwdheid op straat ontstaat vanzelf als de huizen met het gezicht naar de straat toe staan – daar kan geen cameratoezicht tegenop, dat wekt juist argwaan op.

Maar het zou overdreven zijn om Jacobs te beschouwen als een soort beschermheilige van het (informele) buurtwerk. Al lezend viel mij juist op dat ze zich vaak afzet tegen het buurtdenken, tegen het ‘parochialisme’. Het boek wordt nogal eens gelezen als een pleidooi voor gezelligheid en knusheid op straat, voor leuke buurtwinkeltjes en authentieke cafeetjes. Heel Amsterdam één grote ‘Negen Straatjes’. Alsof een buurt een dorp in de stad is, met de stoep als dorpsplein. Het tegendeel is het geval, Jacobs doet dat soort gemijmer af als sentimenteel: ‘Buurt is een woord dat de klank van een valentijnskaart heeft gekregen.’ En wat betreft ‘sociale cohesie’, Jacobs schrijft met de haar kenmerkende vinnigheid: ‘Saamhorigheid is een toepasselijke, misselijkmakende naam voor een oud ideaal in de planologie.’

Met de nodige overdrijving zou je kunnen zeggen dat volgens Jacobs het trottoir de stadsbewoners juist bevrijdt van sociale cohesie. Dit is natuurlijk niet de plaats om het hele boek samen te vatten, maar ik wil wel benadrukken dat Jacobs het straatleven zo belangrijk vindt omdat daar iets wonderbaarlijks, want paradoxaals plaatsvindt. Twee tegengestelde menselijke behoeften worden tegelijkertijd bevredigd. Een goed functionerende straat brengt een balans tot stand tussen zowel onze behoefte aan privacy als aan contact. Aan zowel intimiteit en vertrouwdheid als aan anonimiteit en afstand.

Op het trottoir gaan voorbijgangers een ongedwongen verplichting met elkaar aan, ze zijn vrijblijvend toegewijd aan elkaar. We willen wel gezien worden, maar niet tot in onze ziel. Je bent zichtbaar, maar kunt desgewenst onzichtbaar blijven, door in de massa op te gaan.

De stoep-als-dorpsplein is, zo wil het cliché, een ontmoetingsplek. Als zodanig is het ook wel waardevol, maar bepaald niet zaligmakend. Naast de stoep moet er ruimte zijn voor trottoirs, waar het ontmoeten eerder uitzondering is en ontlopen regel. Dat is juist de kracht van een trottoir, dat het ruimte biedt aan al die mensen en dat het dan niet een oorlog van allen tegen allen wordt, maar een ‘ballet’. Het trottoir is een ‘ontwijkingsplaats’ waar je elkaar op een beschaafde, respectvolle manier kunt ontlopen. Op de stoep is sprake van betrokken onverschilligheid, of: achteloze zorgzaamheid.

In een dorpse omgeving ben je min of meer gedwongen alles met je buurtgenoten te delen. In een stedelijke omgeving bestaat het gevaar dat mensen niets meer met elkaar te maken hebben en dat ook niet willen: dat is het bekende gevaar van de anonimiteit van de grote stad, waar de publieke ruimte een no-go area wordt. In de praktijk ontstaat echter in steden meestal wel degelijk een vorm van samenleven die toch niet gericht is op saamhorigheid. Stadsgenoten willen en kunnen niet altijd alles delen, maar sóms sómmige dingen. Op het trottoir hoef je eigenlijk niets met de ander te delen, behalve algemene, publieke belangen. Iets minder abstract: op het trottoir draait het om vriendelijkheid die nooit vriendschappelijk wordt.

Er zijn weliswaar parochiale ruimtes nodig waar mensen kunnen samenkomen, waar de neuzen dezelfde kant op staan, maar daarnaast moeten er ook ruimtes zijn waar mensen kriskras door elkaar kunnen bewegen. Waar ieder zijns weegs kan gaan. Mensen zijn immers zowel kuddedieren als alleengangers: soms willen we op de stoep rondhangen en samenklitten, soms willen we een ommetje maken over het trottoir.