Weldenkende mensen ontbreekt het aan durf

Jacques de Kadt, Fascisme en de nieuwe vrijheid, € 20,-

PVV'er Martin Bosma noemt Jacques de Kadt zijn grote intellectuele held, terwijl hun ideeën over de elite versus de massa totaal niet met elkaar stroken.

Medium 9028204938 150x150

Begin jaren tachtig was het allesbehalve bon ton om auteurs als Karel van het Reve of Jacques de Kadt te lezen. Het waren niet alleen felle anticommunisten maar ook nog eens elitaire auteurs, met weinig vertrouwen in de smaak en het onderscheidingsvermogen van het brede publiek. Een kleine dertig jaar later is dat anticommunisme uiteraard een aanbeveling, maar nu het linkse populisme van de jaren zestig en zeventig heeft plaatsgemaakt voor rechts populisme, is ‘elite’ nog altijd een scheldwoord. Ronduit verrassend was het dus toen de rechterhand van Geert Wilders, Martin Bosma, in zijn vorig jarig verschenen boek De schijn-élite van de valsemunters uitgerekend Jacques de Kadt op het schild hief als intellectueel boegbeeld van de PVV.
In Socialisme & Democratie van december 2010 laat wetenschapshistoricus Floris Cohen, die bevriend was met de 49 jaar oudere De Kadt, zien dat Bosma’s gedweep met hem een gotspe is. Historicus Ronald Havenaar, in 1990 gepromoveerd op een intellectuele biografie van De Kadt, heeft in het laatste nummer van Tirade de verschillen tussen De Kadts denken en het xenofobe, nationalistische, cultuurloze populisme van de PVV haarscherp geanalyseerd. Vanwege de komende Provinciale Staten-verkiezingen heeft De Kadts uitgever Van Oorschot dit essay apart gepubliceerd als 'schotschrift’ onder de titel Te licht bevonden: Over PVV-ideoloog Martin Bosma en gratis verspreid.
Dat Bosma niettemin De Kadt naar voren schuift als zijn grote intellectuele held heeft wellicht te maken met het feit dat de PVV haar grote bête noire, de islam, vergelijkt met totalitaire bewegingen als het fascisme en het communisme, en De Kadt beide hartstochtelijk heeft bestreden. Hoe onterecht die vergelijking is, laat Havenaar in zijn pamflet zien. Eigenlijk is het alleen de politieke hartstocht, die ook bij De Kadt soms rabiate trekjes kreeg, die De Kadt en de PVV gemeenschappelijk lijken te hebben. In zijn taalgebruik was ook De Kadt niet altijd even fijnzinnig. Zo schreef hij over Kurt Schumacher, de leider van de Duitse sociaal-democraten die onder Hitler twaalf jaar in concentratiekampen had gezeten, dat diens 'intelligentie in die concentratiekampen blijkbaar eerder achteruit dan vooruit [was] gegaan’. Dit soort uitglijders moeten de bedenker van de term 'kopvoddentaks’ wel aanspreken.
Diep onder de indruk van de Russische Revolutie werd Jacques de Kadt (1897-1988) rond zijn twintigste communist. Hij bewonderde Lenin omdat deze vóór alles een realist en machtspoliticus was, die zich niet alleen liet leiden door de marxistische theorie maar haarscherp zag waar de politieke kansen lagen. Ook was Lenin ervan overtuigd dat een kleine, wilskrachtige elite de geschiedenis naar zijn hand kon zetten, en dat je daarbij over lijken moest gaan.
Binnen de minuscule Nederlandse communistische partij gold De Kadt als een belofte, maar omdat hij net als Lenin heilig overtuigd was van zijn eigen gelijk, kwam hij al snel in botsing met de partijleiding. Nadat hij geroyeerd was, heeft hij samen met Henriëtte Roland Holst nog een tijdje leiding gegeven aan de microscopisch kleine Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs, om zich in 1928 aan te sluiten bij de SDAP. Ook hier lag hij binnen de kortste keren overhoop met de partijtop, zodat hij er in 1932 weer uit gedonderd werd, waarna hij met enkele andere opposanten de Onafhankelijke Socialistische Partij oprichtte, waar hij na twee jaar weer uitstapte.
Samen met Sal Tas richtte hij in 1934 het tijdschrift De Nieuwe Kern op en tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog schreef hij een grote reeks essays en boeken - waaronder zijn felle afrekening met het communisme, Van Tsarisme tot Stalinisme (1935) - die getuigden van een oorspronkelijke en onafhankelijke wijze van denken. Na de oorlog, die hij grotendeels in Japanse interneringskampen had doorgebracht, werd hij Tweede Kamerlid voor de PVDA, waar hij als buitenlandspecialist opviel door zijn ongemeen felle anticommunisme. Uit onvrede met de opkomst van Nieuw Links verliet hij in 1969 de partij, waarna hij zich concentreerde op het schrijven van essays en boeken.
Zijn roem dankt De Kadt vooral aan zijn in 1939 verschenen Het fascisme en de nieuwe vrijheid. De Kadt probeerde na te gaan waarom fascisme en nationaal-socialisme zo'n aantrekkingskracht uitoefenden en was van mening dat de opkomst van deze politieke ideologieën niet los te zien was van het falen van de socialistische arbeidersbeweging. Onder invloed van het marxisme was het socialisme veel te materialistisch en deterministisch geworden, en was het bovendien exclusief gericht op de arbeidersklasse. Het fascisme daarentegen liet zien dat de mensen niet uitsluitend verlangden naar materiële zaken, maar ook naar een mythe die zin gaf aan het leven. Wilde het socialisme een vrije samenleving van vrije persoonlijkheden tot stand brengen, dan moest men streven naar de verdediging en voortdurende vernieuwing van de cultuur, en niet kiezen voor een 'spontaan aanvaarden van de vulgaire rangorde der varkensvreugden’. In dit 'cultuursocialisme’, dat gedragen zou worden door een kleine elite, behoorden de waarden van de westerse beschaving centraal te staan.
Oppervlakkig gezien lijkt dit elitaire socialisme een voortzetting van Lenins voorhoedetheorie, maar bij Lenin bestond die voorhoede uit politieke commando’s of mariniers die snel en meedogenloos de bevelen van hun commandant uitvoeren. De elite van De Kadt bestond juist uit non-conformisten, dwarsliggers en dissidenten. De Kadt werd in de jaren dertig steeds meer beïnvloed door Nietzsche, wiens kruistocht tegen de Philister - de bekrompen burgermannetjes - hem bijzonder aansprak. Nietzsche’s levensdrift was in zijn ogen een heilzaam tegengif voor een zelfgenoegzame, decadent geworden samenleving. In zijn in 1938 verschenen boek over Georges Sorel, een al even ongemakkelijk en ongrijpbaar denker als Nietzsche, schreef De Kadt: 'De cultuur berust op inspanning en op spanning, en een hogere cultuur is er een van mensen die méér lust hebben om zich inspanningen te getroosten en die in staat zijn hogere spanningen te verdragen. Er is geen cultuur mogelijk, uitgaande van een huppelende en springende, lanterfantende mensheid wier doel genot en orgasme zijn.’
Hoe De Kadt over de elite van zijn tijd dacht, blijkt uit het citaat uit Het fascisme en de nieuwe vrijheid waaraan Bosma de titel van zijn boek ontleend heeft: 'De werkelijke toestand onzer cultuur is hierdoor gekenmerkt, dat men in de topleidingen van wetenschap, kunst, politiek, economie, moraal, hier en daar een enkele élite-mens aantreft, omringd door een aantal valse munters, en dat men verder een aantal élite-mensen in de lagere regionen vindt, waar ze in een staat van dienstbaarheid belangrijk werk doen, maar toch niet tot hun recht komen, omdat ze moeten gehoorzamen aan de schijn-élite van de valse munters.’
Tot de 'echte’ elite behoren volgens De Kadt alleen zij die in staat zijn tot 'leven in het raadsel’. De 'schijn-elite’ wordt gevormd door 'lieden die een intellectuele of artistieke of andere training hebben gehad, hetzij door opvoeding, hetzij door het leven in een cultureel milieu’. Hoewel ze op een bepaald terrein deskundig kunnen zijn, worden ze over het algemeen gekenmerkt door een 'ontstellende intellectuele luiheid en lafheid’. Volgens De Kadt zijn deze conformistische elites veel te gematigd en ontbreekt het hen aan de 'vermetelheid’ om zich te richten op 'de eeuwige vraag, de onvoldaanheid, de openheid, en de poëzie van het nog niet verwezenlijkte’.
Hoewel De Kadts beschrijving van de taak van de elite vaag blijft, valt er wel iets te zeggen voor zijn stelling dat het veel weldenkende mensen ontbreekt aan durf. In feite geeft hij een accurate schets van het geestelijk klimaat van het Nederland in 2011: 'De vermetelheid van de onbekwamen en de traagheid van de bekwamen, hebben tengevolge dat we in een soort gekkenhuis leven, maar dan in een gekkenhuis met bang geworden artsen en bewakers.’ De echte, onafhankelijk denkende elite dient dus de massa’s op te voeden tot matiging. Je vraagt je af hoe Martin Bosma dit kan rijmen met de politiek van zijn partij.
Voor veel mensen die De Kadt bewonderden, bleef zijn elitetheorie als een graat in hun keel steken, omdat die zich niet zou laten verenigen met een democratische politiek. Havenaar noemt, in zijn boek uit 1990, De Kadts elitisme het resultaat van een 'fundamenteel misverstand over het functioneren van het democratische stelsel’, dat teruggaat 'tot het Romantische idee dat niet het modale, maar het uitzonderlijke, niet de massa, maar de elite de loop van de ontwikkelingen dient te bepalen’. In Het democratisch verschil: Jacques de Kadt en de nieuwe elite keerde socioloog Dick Pels zich tegen die opvatting, omdat deze De Kadt-bewonderaars hun held ten onrechte probeerden te confectioneren tot een brave sociaal-democraat en geen oog hadden voor zijn gevaarlijke kanten. Juist de affiniteit die De Kadt had met gevaarlijke denkers als Nietzsche, Sorel, Lenin en ook Mussolini, maakte hem in de ogen van Pels aantrekkelijk. Voor hem was De Kadt in de eerste plaats een hartstochtelijke individualist, die een belangrijke impuls zou kunnen geven aan wat Pels toen een 'sociaal liberalisme’ noemde. Wel wees hij De Kadts idee dat die elite van non-conformisten de politieke macht moest krijgen af, en vond hij dat er een wisselwerking moest zijn tussen de politieke en de intellectuele elites.
Dat het niet zo verstandig is om een intellectuele einzelgänger als De Kadt de politieke macht toe te vertrouwen, bewijst zijn eigen levensloop. Begonnen als fanatiek communist die vond dat tegenstanders van het communisme het recht op leven 'verbeurd’ hadden, kapittelde hij later Nixon en Kissinger omdat die in de strijd tegen het communistische Noord-Vietnam niet stevig genoeg wilden doorpakken. Wie dergelijke zwenkingen maakt, en daarbij dezelfde fanatieke geestesgesteldheid blijft houden, diskwalificeert zich als politiek leider.
Maar dit maakt De Kadts kritiek op de conformistische en opgewonden massa en op het conformistische en zelfgenoegzame establishment niet minder relevant. De vraag is alleen of er een alternatief is. Wat bij de strenge rationalist De Kadt opvalt, is dat hij weinig gevoel had voor de irrationele drijfveren van mensen. Materiële belangen, en zelfs hebzucht, zijn voor veel mensen belangrijker dan idealen en mooie ideeën over cultuur. Bovendien voelen veel mensen behoefte om 'ergens bij te horen’, zodat conformisme een tamelijk wijdverbreide menselijke eigenschap is. Hoeveel mensen zijn eigenlijk in staat om, zoals De Kadt het formuleerde, te 'leven in het raadsel’?
Altijd een kleine minderheid. Die moet wel de ruimte krijgen, omdat hun ideeën stimulerend en innoverend kunnen zijn, maar ze hoeven niet per definitie politieke macht uit te oefenen. In een democratie bestaat altijd spanning tussen de massa van de 'modale’ of 'middelmatige’ mensen en degenen die erboven uitsteken omdat ze over bijzondere kwaliteiten beschikken. Deze spanning kan stimulerend werken, en de meerderheid aanzetten tot betere prestaties, maar vaker leidt het tot woede en rancune. Populisten als Bosma en Wilders mobiliseren deze rancune en momenteel zie je dat veel mensen die tot een van de maatschappelijke elites behoren geneigd zijn het hoofd te buigen en te doen alsof men eigenlijk heel 'gewoon’ is. In de beeldspraak van De Kadt kun je dus spreken van capitulerende bewakers, die de sleutels van het gekkenhuis aan de patiënten willen overhandigen. Dat lijkt een slecht idee.

Ronald Havenaars pamflet ligt gratis in diverse boekhandels en is te lezen op www.vanoorschot.nl