Weldoeners

In het land waar het najagen van het eigen geluk als een recht is vastgelegd in de grondwet, is filantropie opvallend populair. Amerikanen geven graag aan liefdadigheid.

WASHINGTON – Angela is al in de zestig, maar met haar felblonde haar oogt ze aanzienlijk jonger. Monter en kwiek staat ze een gezette man te woord die zich heeft vervoegd aan haar balie in de ontvangsthal van vliegveld Dulles, even buiten Washington DC. Als hij niet het antwoord krijgt dat hem bevalt, schreeuwt hij op commandotoon nog eens het vluchtnummer.

Allemaal heel gangbaar, zeker in Amerika, waar klanten nog minder geduld kunnen opbrengen dan in Nederland. Opvallend is wel dat Angela niet betaald krijgt voor dit ondankbare werk. Angela doet het voor haar lol. «Ik houd nu eenmaal van vliegtuigen. En van de hectiek.» Dat geldt ook voor de man naast haar, die afgelopen maand 81 jaar werd. «Hij doet het om onder de mensen te zijn», zegt Angela op moederlijke toon.

Navraag leert dat op nagenoeg alle Amerikaanse vliegvelden de informatiebalie in de aankomsthal wordt bemand door vrijwilligers.

Mijn verbazing hierover vindt geen weerklank bij Angela. Ze vindt het de normaalste zaak van de wereld. Dit is niet belangeloos geven, krijg ik voortdurend te horen, want er is een beloning voor vrijwilligers: zelfrespect, afleiding en sociaal vertier. Het past in de huidige mode in de sociale wetenschap en moraalfilosofie, waarin nagenoeg al het menselijke gedrag wordt verklaard uit het zelfbegrepen eigenbelang. Want de mens is niet alleen een sociaal wezen, maar vooral ook een self-utility maximising man.

De theorie is een dooddoener, want het eigenbelang wordt in deze economische benadering van menselijk gedrag zo ver opgerekt dat het eigenlijk niets meer betekent. Als al het gedrag uit eigenbelang wordt verklaard, wat is eigenbelang dan nog anders dan alles? Als het verkrachten van vrouwen en het geven aan goede doelen uit hetzelfde motief worden verklaard, wat heb je dan nog aan zo’n verklaring?

Maar hoewel onbruikbaar, is de theorie natuurlijk niet onjuist. Warren Buffett zal zich niet slecht voelen over de 31 miljard dollar (meer dan de totale jaarlijkse ontwikkelingshulp van de Nederlandse overheid) die hij twee weken geleden uit eigen zak schonk aan het fonds van zijn vriend Bill Gates, de rijkste Amerikaan met de grootste liefdadigheidsinstelling ter wereld, de Bill & Melinda Gates Foundation. Maar dat maakt die gift niet minder waardevol. Buffett redt vermoedelijk het leven van duizenden malaria- en choleralijders, of hij zich daar nu goed over voelt of niet. Bovendien voegt hij met deze gift de daad bij het woord, want net als Gates heeft hij een enorme hekel aan geërfd inkomen. Beiden zijn ook verklaard tegenstander van de pogingen van de huidige president en zijn partij om de belasting op erfenissen af te schaffen.

Gates en Buffett vormen het topje van de ijsberg. In het land waar het najagen van het eigen geluk («the pursuit of happiness») als een recht is vastgelegd in de grondwet, is filantropie opvallend populair. Amerikanen geven graag aan liefdadigheid. Niet via de overheid natuurlijk, want dat vereist staatsdwang, maar uit de eigen portemonnee. In het afgelopen jaar ging het om een kleine tweehonderd miljard dollar. Bedrijven doen daar nog eens zestig miljard bovenop. Ook verricht een derde van de Amerikanen regelmatig vrijwilligerswerk, gemiddeld 134 uur per jaar.

Nederlanders geven per hoofd van de bevolking relatief ook veel weg. Toch zijn het opnieuw Amerikanen die de uitersten opzoeken. Zo waren er in 2005 drie personen die een nier schonken aan iemand die ze niet persoonlijk kenden. Dat is een opvallend altruïstische daad, omdat ook in de allerbeste ziekenhuizen de kans nog altijd één op vierduizend is dat de donor in de operatie overlijdt.

Een voorbeeld was de 51-jarige Zell Kravinsky, een weldoener (of idioot, het is maar hoe je het bekijkt), wiskundige, voormalig eigenaar van winkelcentra en handelaar in onroerend goed, die twee jaar eerder hetzelfde deed. Aanvankelijk stond hij in zijn woonplaats Philadelphia bekend om zijn sobere levensstijl en zelfs gierigheid. Maar na het bijna volledig weggeven van zijn fortuin, ter waarde van veertig miljoen euro, kon hij er geen genoeg van krijgen. «De redenen om een beetje te geven zijn dezelfde redenen om veel te geven en de redenen om veel te geven zijn dezelfde om weer meer te geven.» Zijn vrouw dacht er anders over en probeerde hem tegen te houden. Tevergeefs. Op een ochtend sloop hij om zes uur ’s morgens zijn huis uit – zijn vrouw en kinderen sliepen nog – om zijn nier af te staan aan een zwarte vrouw. Kravinsky’s vrouw las het dezelfde dag in de lokale krant.

Ook nu, maanden later, kan Kravinsky er nog altijd nauwelijks over praten omdat zijn vrouw dat niet wil hebben. Een journalist van het weekblad The New Yorker slaagde er toch in hem te spreken. In een bescheiden restaurant in een klein winkelcentrum tekende die uit Kravinsky’s mond op: «Ik dacht altijd dat je goed moest zijn, oprecht in hart en geest, om goed te kunnen doen. Maar het is juist andersom: als je goed doet, word je beter. Met elk ding dat ik weggaf, wist ik met grotere zekerheid dat ik meer moest weggeven.» En: «Als ik mijn nier niet zou hebben gegeven, zou dat betekenen dat ik mijn leven vierduizend keer zoveel waard vind als het leven van die vrouw.» •