Weldoordacht kapotgaan

Jotie T'Hooft verenigde ongeveer alles in zich waarmee jongeren zich in de jaren zeventig poogden te onderscheiden: Weltschmerz, overmatig drugsgebruik, afkeer van de consumptiemaatschappij en biseksualiteit. Maar zijn cultstatus ontleent de Vlaamse dichter vooral aan zijn vroege zelfmoord.
EIGENLIJK SLOEG de op 9 mei 1956 in het Vlaamse Oudenaarde geboren Johan (Jotie) T'Hooft pas echt aan het dichten nadat hij zichzelf in de nacht van 5 op 6 oktober 1977 van het leven had beroofd. Dat is althans de indruk die gewekt wordt door de verschijningsdata van zijn dichtbundels. Met de vlak voor zijn dood geschreven bundel Laatste gedichten, die door schoonvader en uitgever Julien Weverbergh al in de openbaarheid werd gebracht toen het lijk nog warm was, begon het pas goed. Daarna verschenen nog de bundels Poezebeest, In bossen op eenzame plekken, De beste gedichten en Verzamelde gedichten, en bovendien het Verzameld proza.

De rockhelden Jimi Hendrix, Janis Joplin en Jim Morrison waren al geruime tijd dood, maar hun namen lagen halverwege de jaren zeventig nog op ieders lippen. Het moet Weverbergh op het idee hebben gebracht dat zijn jonggestorven schoonzoon, wiens gedichten volgens velen rockteksten zonder muziek waren, hem een goudmijn zou opleveren. En ook de reputatie van tragische en vroeg heengegane dichters als Shelly, Keats en Jacques Perk zal hebben bijgedragen aan de beslissing om de niet eerder in druk verschenen gedichten van T'Hooft ter publikatie bijeen te garen.
Bovendien heeft ook de buitenissige levenswandel van de dichter de publiciteit rond hem flink opgestuwd. Op het gebied van drugsgebruik was zijn motto: alles en veel. Reeds op dertienjarige leeftijd slaagde hij erin van school geschopt te worden omdat hij in de pauzes sigaretjes uitdeelde waarin een mengsel van amfetamine, krijt en valium was gerold. Van uitdelen kwam dealen, en van dealen kwam het cachot: toen hij amper vijftien was, belandde hij in de jeugdgevangenis van Ruiselede.
IN ZIJN IN 1975 verschenen debuutbundel Schreeuwlandschap gaat T'Hooft tekeer tegen het kleinburgerlijke milieu waarin hij was opgegroeid: ‘Zitkamergieren zitten in hun kamers en azen op de magere, de makke buit der buren’ (uit: 'Mijn geboortestad’). De dichter dicht zichzelf de potentie toe om aan dat milieu te ontsnappen, maar vreest dat hij geen kans krijgt: 'Ik ontstond er: kleine granaat die nimmer tot ontploffing kwam en die men er duldt zoals de dorpsgek vroeger.’ De reis naar binnen, als alternatief voor de boze buitenwereld, biedt ook al geen soelaas, zo blijkt uit 'Over het verval’: 'Over inwendige vergezichten trekt mist in stoeten van lange droefenis.’ Niets rest dan behalve het gebruik van geestverruimende maar uiteindelijk tot de ondergang leidende middelen, 'een zoen van de dood’, want: 'Zo kwetsbaar slechts kan ik overleven tussen belagers en trawanten van de leugen.’
Verder manifesteert zich in de bundel een neiging tot het maken van droefgeestige taalgrappen ('begrenzingen zingen zelden’) en de behoefte om commentaar te leveren op het eigen dichterschap. In 'Een kamerfilosoof’ schrijft T'Hooft bijvoorbeeld: 'Men zegt dat ik hermeties schrijf terwijl woorden enkel ledenmaten zijn die ik schik tot ziel en lijf.’
T'Hoofts tweede bundel, Junkieverdriet (1976), leverde hem de Nederlandse Reina Prinsen Geerligsprijs op, die hij overigens moest delen met Oek de Jong (Opwaaiende zomerjurken). De gedichten van de net twintigjarige T'Hooft krijgen dan al titels mee die onafwendbaarheid verwoorden, zoals 'Halfweg de wandeling’ en 'Levensverhaal’. Alles is, zoals hij dat zelf noemde 'ondefinieerbaar definitief’. In 'Levensverhaal’ worden enerzijds met wellust de traditionele ouderlijke vermaningen jegens hun ondeugende kinderen in de wind geslagen, terwijl de dichter anderzijds laat merken dat hij zich al heel, heel oud voelt: 'Jullie moeten nu maar liever weggaan en opa rustig alleen laten.’
T'Hooft trouwde in 1975 met Ingrid Weverbergh, de dochter van zijn uitgever. Het gedicht 'Aan mijn prinses’ is aan haar gericht. 'Prinses, ik beschrijf wat ik bewonder, wat ik vrees, bemin of haat. Prinses, nu ik u ken kan ik niet zonder, gedoog niet dat ik u verlaat.’ Met haar lange, donkere haar, haar warme maar enigszins onpeilbare blik en haar pony die net niet over haar ogen viel, was Ingrid Weverbergh zo'n beetje het prototype van het meisje waar de gemiddelde jaren-zeventigjongen een moord voor deed. En alles wijst er op dat ze werkelijk gek was op Jotie. Maar waar geluk in de liefde opdoemt, is stompzinnige blijmoedigheid het noodlottige gevolg. Dus moest daar iets op gevonden worden. De relatie zomaar verbreken kan niet, want dan ben je geen slachtoffer. De oplossing waar T'Hooft in het gedicht op zinspeelt, is even eenvoudig als geniaal: weggaan en dan treuren over het feit dat ze het 'gedoogd’ heeft.
EEN ONDERBELICHT maar zeer belangrijk element van de in literatuur vervatte jeugdcultuur van de jaren zeventig is dat wat je het 'vreemdelingenperspectief’ zou kunnen noemen. Het verfoeide ouderlijke milieu werd niet meer ontvlucht door reizen naar India of The States - dat was iets voor onbenullen uit de jaren zestig. Men bleef waar men was, maar ervaarde de eigen omgeving als 'vreemd’ of beeldde zich in dat men zelf een 'vreemdeling’ was. Jotie T'Hooft schreef 'Een Marsman op Aarde’ en 'Een Aardman op Mars’: 'Ik heb niemand gekend en niemand kent mij.’
Dat dat 'vreemdelingenperspectief’ bij Jotie ’t Hooft veel te maken heeft met zijn drugsgebruik, is duidelijk. Toch is dat perspectief daar ook los van te zien. In de jaren-zeventigroman De verwording van de jongere Durer van Leon de Winter gaat de hoofdpersoon weliswaar op reis, maar de eerste vreemde plaats die hij aandoet is zijn geboortestad. Het loopt allemaal noodlottig af, maar zonder dat drugsgebruik daarbij een rol speelt. Ook het tamelijk lichtvoetige Heldenjaren van P. F. Thomese, nog kort geleden verschenen maar met duidelijk de jaren zeventig als achtergrond, is geschreven vanuit het vreemdelingenperspectief. De negentienjarige hoofdpersoon is een jongen die bij wijze van spreken nog te sloom en te schijterig is voor een reisje naar Zandvoort, maar zich toch voortdurend inbeeldt op doorreis te zijn en mensen die hij goed kent als vreemdelingen benadert.
Bij T'Hooft is het vreemdelingenperspectief nauw verwant aan zijn neiging andere gedaanten aan te nemen. Niet zelden, bijvoorbeeld bij het voordragen van gedichten, presenteerde hij zich als Charles Louis Dhaene. Dhaene was een ver en reeds lang voor zijn geboorte overleden familielid van T'Hooft, met wie hij zich om niet geheel duidelijke redenen sterk identificeerde. Bij de act hoorde een verkleedpartij en een bepaalde manier van spreken. Tevens maakte T'Hooft zich dikwijls op en verscheen hij soms in vrouwenkleren. Het waren verwijzingen naar travestie en biseksualiteit. Maar van een werkelijk biseksuele geaardheid blijkt verder niet zo veel. Hij was niet biseksueler dan de doorsnee jaren-zeventigjongere die probeerde te lijken op Lou Reed, David Bowie of Elton John.
DE DICHTER WAS PERSOON, de persoon werd personage, en het personage een typetje. Je kunt je zelfs afvragen of Jotie T'Hooft niet eigenlijk een stripfiguur was. In zijn Verzameld proza, waarin hij zich werkelijk een groot schrijver toont, die bovendien over veel humor beschikt, is een essay opgenomen met de titel: 'Het gebruik van verdovende middelen bij traditionele stripfiguren’. T'Hooft constateert dat er in de bravere strips van zijn tijd - Fritz the Cat dus even buiten beschouwing gelaten - een taboe rust op het tonen van seks en geweld, maar dat dat taboe allerminst geldt voor drugsgebruik. 'Met name op tienjarige leeftijd lezen van “De blauwe lotus”, waarin Kuifje in een weelderige opiumkit, onhandig vermomd met het ziekenfondsbrilletje dat bij alle gebruikers zo populair zou worden, met gesloten ogen aan opiumpijp ligt te lurken, heeft veel tot de verwoesting van mijn jeugd bijgedragen.’
Maar de voorbeeldfunctie die stripfiguren voor T'Hooft vervullen gaat verder. Want was het niet een sterk speed-zwamextract dat de graaf van Rommelgem in Er is een tovenaar in Rommelgem aan Kwabbernoot gaf, zodat deze een onoverwinnelijk hardloper werd? En 'tot slot zal de genante hang van Obelix naar het toverdrankje, waar heel Asterix’ dorp gewoon op leeft en als enig Gallisch dorp op ludieke, zelfbewuste wijze zich onttrekt aan de “Amerikaanse” invloed der Romeinen, als laatste wenk voldoende zijn.’ Hoewel de ironie er natuurlijk van afdruipt, ga je je werkelijk afvragen of T'Hoofts ongekende behoefte aan verdovende middelen misschien was ingegeven door de wens om uiteindelijk net als een stripfiguur 'onoverwinnelijk’ te worden.
Die indruk wordt nog versterkt doordat T'Hooft zichzelf als langzaam ten onder gaand individu helemaal niet serieus leek te nemen. In het verhaal 'Zes januari negentienhonderddrieenzeventig’, waarin de hoofdpersoon zich weer nadrukkelijk als onbekende in een overbekende plattelandsomgeving bevindt, verzucht deze ineens: 'Ik moet terug, morgen al terug naar de stad om er op een weldoordachte wijze kapot te gaan.’
'Weldoordacht kapotgaan’, het klinkt even dramatisch als pathetisch.
JOTIE WAS VROEG RIJP en vroeg oud. Tussen zijn dertiende en zijn eenentwintigste doorleefde hij alle stadia van het mensenleven. Dat was in ieder geval wat hij het publiek wilde doen geloven. En als literator bereikte hij in recordtijd de slotfase, waarin de schrijver op afstandelijke toon over de eigen literaire drijfveren filosofeert. In het door velen als sleutel tot zijn leven en werk aangegrepen Heer van de poorten is er geen sprake van de bekende T'Hooft-poses. Maar vreemd genoeg maakt juist dit verhaal van alles wat hij geschreven heeft de meest onechte indruk. Hier manifesteert zich op hinderlijke wijze het alwetende jongetje dat zijn Freud kent en eens even zijn zwaarmoedigheid en doodsverlangen zal verklaren aan de hand van zijn vroegste jeugdherinneringen. Het wemelt van plechtstatige zinnen als: 'Het duurde geruime tijd voor de dood opnieuw op beslissende wijze in mijn leven optrad’, en: 'Hoe vreemd en ijzingwekkend of onrechtvaardig de dood mij daarna ook toescheen, stilaan werd hij zacht en aanvaardbaar.’
De beschrijving van de dood van zijn beide grootouders, die hij als kind van zeer nabij heeft meegemaakt, is supersentimenteel. 'Ik herinner me mijn grootmoeder, in een met kanten bezet doodskleed opgebaard: blauwe oogleden, blauwe lippen, blauwe glans onder de huid van de in elkaar verstrengelde vingeren. Het in schuine stralen door de blinden vallend zonlicht had haar wang voor mij warmgehouden, opdat ik zou schrikken toen ik haar ten afscheid streelde, want doden zijn toch koud. Nog steeds, onverminderd in hevigheid, maakt het zien en vooral ruiken van paarse en roze reukerwten - waar haar doodsbed mee was opgesmukt - mij week en droef.’
Als je je als lezer weet te wapenen tegen dergelijke overdoses sentimentaliteit, grijpt Heer van de poorten je uiteindelijk toch bij de keel. Dat komt omdat T'Hooft, voordat je het goed en wel in de gaten hebt, op dezelfde gezwollen en gedragen toon zijn eerste zelfmoordpoging begint te beschrijven. 'Ik nam een douche, trok mijn mooiste geborduurde hemd aan, schminkte me op in goede decadente traditie en parfumeerde me overdadig met het oog op eventuele doodsontlasting. Vervolgens zette ik me in lotushouding op de matras: van de slaappillen had ik een shot gebrouwen dat ik maar meteen in een slagader patste. Bij de eerste tonen van het liedje dat ik a dieu had opgezet (“This is the Room” van Lou Reed) tuimelde ik om: moeizaam kroop ik overeind terwijl de tekst zich verdersleepte door mijn hoofd (“where she took the razors…”) Ik nam het scheermesje op, het glom zo volmaakt in altijd datzelfde grijze namiddaglicht, snikte kort maar hevig over mijn verloren leven en zag toen met perverse fascinatie hoe onder de fikse snede mijn huid zich opende op een duimbrede, ondiepe en frisrood glanzende snede waar pas na enige tellen bloed begon uit te sijpelen.’
IN DE NACHT van 5 op 6 oktober 1977 pleegt Jotie T'Hooft in Brugge werkelijk zelfmoord. Of hij dat deed met een overdosis heroine, cocaine of speed is nog altijd niet helemaal duidelijk. Zijn Laatste gedichten zijn gewoon afscheidsbrieven die je, ook al zijn ze uit macht der gewoonte op rijm gezet en ook al heeft zijn schoonvader ze gepubliceerd, toch maar liever niet op hun kunstzinnige waarde beoordeelt. Tragisch was Jotie T'Hooft zeker. Maar de traumatische jeugd noch het lijden aan de wereld bevredigen helemaal als verklaring. T'Hoofts tragiek was deel van zijn pose en zijn pose was deel van zijn tragiek. Wie al een fenomeen is voor hij goed en wel mens is, kan ook eigenlijk niet meer terug.