Weledelzeergeleerde werkloze!

‘Promoveren is een feest’, houdt de pedel zijn promotieklasje voor. Maar dan wel een feest dat vaak door een kater wordt gevolgd. Wat brengt al die jonge academici er nog toe zich op de wetenschap te storten? Vier promovendi gevolgd tijdens ‘de dag van hun leven’.
DE ACHT GRIJZE mannen van de promotiecommissie kijken ernstig. ‘Mevrouw de promovenda’, zegt de eerste vraagsteller, ‘met uw proefschrift is iets vreemds aan de hand.’ De ‘opponens’ meent een flinke rekenfout ontdekt te hebben en legt haar die met enige triomf voor. Dymph van Outersterp, dertig jaar jong en feestelijk gekleed in een vuurrode jurk, blijft er uiterlijk onbewogen onder. Ze denkt even na en antwoordt de hooggeleerde opponens niet zo snel te weten waar hun verschil in uitkomst vandaan komt. ‘Ik denk’, zegt de opponens uiteindelijk sympathiek, ‘dat wij samen een wonderbaarlijk verschijnsel hebben opgespoord.’ Een zucht van verlichting gaat door de zaal.

Maar de oppositie wordt voortgezet en Van Outersterp krijgt nog drie kwartier het vuur na aan de schenen gelegd. Rustig verweert ze zich, in een scheikundig abacadabra dat slechts aan de acht grijze, wijze mannen is besteed, hoe ingespannen en meelevend de vele familieleden ook luisteren. Ze zullen het vanmiddag beter kunnen volgen, als Dymph in diezelfde rode jurk gaat trouwen.
Dan, midden in een verhandeling over het absorptievermogen van moleculen die licht kunnen omzetten in energie, zwaait een deur achterin de zaal open. Fons Knebel, de pedel van de Universiteit van Amsterdam, schrijdt in vol ornaat door het gangpad van de Lutherse kerk. Zijn staf rinkelt zachtjes, zijn mantel ruist. Hij houdt stil voor de katheder en recht zijn rug. Met gepaste plechtigheid maar ook met een onmiskenbare twinkeling in de ogen - alsof hij wil zeggen: ik kom je verlossen, meisje - declameert hij: ‘Hora est!’
Het uur is gekomen. De commissie trekt zich terug voor beraad - over vijf minuten zal Dymph van Outersterp zich doctor in de anorganische chemie mogen noemen. De familie begint opgelucht te roezemoezen. 'Niet te begrijpen’, verzucht een nichtje tegen een neefje, 'he-le-maal niet.’
Van Outersterp krijgt haar bul overhandigd, 'door Rector en Secretaris ondertekend en met het grootzegel der Universiteit bevestigd’, en wordt toegesproken door haar promotor. De plechtige toon maakt plaats voor een persoonlijke. 'Je was een veelbelovende promovendus en dat heb je ook waargemaakt’, zegt hij. 'Ik vind het alleen belachelijk dat je nog steeds geen baan hebt kunnen vinden. Dat is eigenlijk een schande voor de maatschappij. Ze zouden in de rij moeten staan om jou in te lijven in een goed functionerend bedrijf!’
Hij moet zijn stem wat verheffen, want op de gang verdringen zich al weer de gasten voor de volgende promotie. Hun gesprekken zijn door de monumentale kerkdeuren heen hoorbaar. De agenda van de pedel is vol op deze vrijdag in mei; op het moment dat Van Outersterp elders haar jawoord geeft, zal Fons Knebel de derde promotie van vandaag verzorgen.
BINNENKORT VERDEDIGT de tienduizendste promovendus zijn of haar proefschrift aan de Universiteit van Amsterdam. Die mijlpaal is opeens snel in zicht gekomen, met de explosieve toename van het aantal promoties. Werden er in 1950 nog maar rond de vijftig proefschriften verdedigd aan de UvA, in de jaren tachtig was dat aantal verdrievoudigd, om vooral het afgelopen decennium razendsnel verder op te lopen. Inmiddels is de hoofdstedelijke universiteit goed voor bijna een proefschrift per kalenderdag: in 1994 werden er 360 doctortitels verleend. Gezamenlijk leverden de dertien Nederlandse universiteiten en onderzoekscholen dat jaar een slordige 2500 gepromoveerden af.
Wat drijft al die mensen? Waarom wil iemand promoveren? Steek je jaren in een onderzoek uit idealisme, om de wetenschap en dus de mensheid verder vooruit te helpen, of doe je dat uit pragmatisme, om je kansen op een baan te vergroten?
'Voor mij geldt duidelijk dat laatste’, zegt Dymph van Outersterp. 'Het tragische is alleen dat het niet werkt. Ik zou graag toegepast onderzoek doen voor een bedrijf als Akzo of Shell. Daar nemen ze voor de research alleen gepromoveerden aan. Maar nu ik klaar ben, is de banenmarkt helemaal ingestort. Vorig jaar zijn er op het Shell-laboratorium nog tweehonderd arbeidsplaatsen verdwenen. En aan de universiteit is ook geen werk en geen geld.’
Natuurlijk vond ze onderzoek doen ook leuk, maar: 'De echte wetenschapper is iemand die aan niets anders denkt en zo ben ik zeker niet. Na vier jaar fundamenteel onderzoek wil ik wel eens wat anders. En ik vind het erg jammer dat ik niemand kan uitleggen wat ik al die tijd heb gedaan. Mijn moeder kan zich er niets bij voorstellen.’
Haar proefschrift, met de welluidende titel Photochemical and electrochemical radical formation from open and closed trinuclear metal-metal bonded complexes, zal vermoede lijk ook geen bestseller worden. Wereldwijd zullen misschien dertig mensen het werk lezen waarop Dymph van Outersterp vandaag tot doctor promoveerde, realiseert zij zich. Het onderwerp werd door haar promotor uitgezocht. 'Die weet precies wat nog braak ligt en wat van belang is om te onderzoeken. Ik heb symbolisch een puzzel op de kaft laten afdrukken, want er blijven altijd nog een paar stukjes open voor de volgende aio.’
EEN AIO OF OIO - assistent- of onderzoeker-in-opleiding - is een afgestudeerde doctorandus die een vierjarig arbeidscontract aan de universiteit heeft om een proefschrift te schrijven. Met de invoering in 1986 van het aio-stelsel werd beoogd meer mensen aan het promoveren te krijgen. Nederland moest kennisland worden en internationaal in de pas of liefst voorop gaan lopen. Door veel aio’s aan te stellen zou de wetenschap een relatief goedkope impuls krijgen. Bovendien was de vraag naar afgestudeerden op de arbeidsmarkt tanende. Ongeveer tien procent van hen mocht zich nog vier jaar in de wetenschap ingraven. Om vervolgens - ouder, duurder en overschooled - vaak alsnog werkloos te worden.
Want 65 procent van de promovendi mag dan denken met de doctorstitel de carrierekansen te vergroten, in werkelijkheid is er bijna geen verschil in arbeidsperspectieven tussen gepromoveerden en niet-gepromoveerden, zo blijkt uit een onderzoek van het ministerie van Onder wijs. Gepromoveerden met een baan verdienen bovendien nauwelijks meer, en een promotie biedt ook al geen grotere kans op een leidinggevende functie. 'Een promotie verlicht duidelijk niet de weg naar het grote geld, laat staan naar de directiekamer’, meldt het onderzoek.
De idealisten die de wetenschap willen dienen, komen er nog bekaaider af. Want waar nog relatief veel doctors werk vinden bij de overheid en enkelen in het bedrijfsleven, heeft de universiteit helemaal niets te bieden. In de jaren tachtig kon driekwart van de promovendi nog aan de slag bij de universiteit, maar voor al dat nieuwe aio-bloed dat zonodig in de wetenschappelijke wereld rondgepompt moest worden, is nu geen plaats meer. Bij de universiteiten moet almaar bezuinigd worden - geheel in de lijn van de paarse plannen om het onderwijs langzamerhand de nek om te draaien - en er gaan alleen maar mensen uit.
Voor een aanzienlijk deel van de zevenduizend aio’s en oio’s die momenteel aan hun dissertatie werken, zal het Hora est dan ook het startschot zijn voor een periode van wachtgeld, de werkloosheidsuitkering van de universiteit. 'Met het oog op de steeds slechtere kansen van gepromoveerden op de arbeidsmarkt is de term “wachtgeld” onderhand misleidend’, zo luidde laatst een cynische stelling bij het proefschrift van een kersverse doctor.
Ook Dymph van Outersterp zit op wachtgeld. Ze solliciteert zich onderwijl suf. Tevergeefs: 'Geen werkervaring.’ 'Werkgevers zien zo'n aio-periode als een verlengstuk van je studie’, verzucht ze. 'Terwijl ik keihard heb gewerkt en aan allerlei analisten en studenten leiding heb gegeven.’ Nu volgt ze dan maar, met zestig andere aio’s, een cursus loopbaanorientatie aan de universiteit. Daar leren ze 'op een andere manier de arbeidsmarkt te benaderen’, bijvoorbeeld door - jawel - te 'netwerken’. Van Outersterp: 'De cursisten worden in contact gebracht met een wervings- en selectiebureau dat werk voor ze gaat zoeken. Voor mij hebben ze nog niks gevonden, maar voor mensen van 45 jaar en ouder zoeken ze zelfs niet meer: die worden als onbemiddelbaar gezien. Dat bureau heeft nu een groot aantal bedrijven aangeschreven om ze academici aan te bieden, de eerste drie maanden gratis.’
Het is dan ook niet alleen vanwege de romantiek dat ze haar promotie om half tien ’s ochtends en haar huwelijk om een uur ’s middags heeft gepland. 'De dag van mijn leven he’, zegt ze ironisch. 'Maar we doen het vooral om financiele redenen. Mijn promotie kost zo'n tienduizend gulden - dit scheelt een receptie.’
'DRUK?’ LACHT Fons Knebel. 'Nou, als je bedenkt wat een pedel 350 jaar geleden allemaal moest doen… Ieder college aan de universiteit werd toen aan- en afgekondigd door de pedel. Voordat Vossius en Barlaeus, de eerste hoogleraren aan de Universiteit van Amsterdam, in toga de collegezaal binnengingen, waarschuwde de pedel de studenten dat ze moesten gaan staan. En na afloop idem dito. Nu zou je een soort Jezus moeten zijn om de ontelbare colleges aan te kondigen. De promotie is het laatste ritueel dat nog uit die tijd stamt.’
Hoe wordt men eigenlijk pedel? 'Solliciteren’, zegt Knebel laconiek. De nu zestigjarige universiteitsbode 'komt uit de delicatessen’, zoals hij vertelt. Dat werk ging hem vervelen. De toenmalige pedel van de universiteit was klant in de delicatessenzaak, zodoende. Knebel ziet wel een verband tussen zijn werkzaamheden vroeger en nu: service verlenen. 'Ik ben er voor de promovendus.’
Inmiddels heeft hij zijn vijfentwintigjarig jublieum als pedel van de Universiteit van Amsterdam achter de rug en zag hij 4500 promovendi langs trekken. Toch heeft hij er nog altijd moeite mee om zo binnen te vallen met dat Hora est: 'Sommige promovendi zijn heel druk bezig en dan kom ik er opeens doorheen roepen. Ze schrikken zich vaak een ongeluk. Maar ja, het moet. Zoals de pedel ergens anders in Nederland, ik geloof in Twente, zegt: ’ ’t Is tied.’
Een keer, memoreert Knebel, is hij onderuit gegaan, en ook kwam hij eens een kwartier te vroeg binnen. 'Dat was geen ramp hoor, de voorzitter zei: “Nou, kom straks maar even terug.” Maar ’s nachts zijn alle katjes zwart, dus in mijn dromen hoor ik de mensen dan heel hard lachen.’
Knebel houdt wel van de promotiepoespas, van hoogleraren in toga’s en met baretten op. 'Ik merk wel dat men steeds meer uit dit soort gebruiken raakt. Het publiek moet bijvoorbeeld gaan staan als het cortege, de stoet van leden van de promotiecommissie, binnenkomt. Veel mensen hebben niet in de gaten dat dat hoort en voelen zich achteraf opgelaten. Dat wil ik voorkomen, dus waarschuw ik ze daarvoor. Het protocol is er om de plechtigheid te vergemakkelijken. Toen er nog ongeveer honderd promoties per jaar waren, lichtte ik elke promovendus apart in, maar dat is geen doen meer. Nu houd ik een keer per week een praatje - dat is nog gezellig ook.’
IEDERE WEEK heeft Knebel zijn 'promotieklasje’ - ook vandaag, tussen de bedrijven door. Zo'n vijftien jonge mensen hebben zich verzameld rond de grote tafel in de senaatskamer. Ze kijken een tikje gespannen naar hem op als Knebel het draaiboek van hun aanstaande promotie doorneemt. 'Promoveren is leuk’, staat op het blocnote met aantekeningen dat voor hem ligt, en dat benadrukt hij wel drie keer. 'U zult verbaasd zijn hoe goed u het doet’, zegt hij geruststellend. Knebel geeft ook praktische tips: 'Als u de bul overhandigd krijgt, is het zaak even te aarzelen voor de fotograaf. Doet u maar of u verrast bent door die geste.’ En kledingadviezen: niets is verplicht, zegt hij, maar een rokkostuum voor de heren en lang of cocktail voor de dames is wel zo leuk. 'De promotie is een feest en dat moet getoond worden.’
'Toen ik aantrad in 1969, begon aan de universiteit net de democratisering’, vertelt hij na afloop. 'Mensen promoveerden in spijkerbroek of hingen tegen de katheder om vooral te laten zien dat het ze niets kon schelen. Het grappige is dat ik van sommigen achteraf heb gehoord dat ze daar spijt van hebben - je haalt toch een beetje de saus van de bloemkool af.’
Ondertussen staat de volgende promovendus - in rokkostuum - ontspannen te wachten bij de katheder en stroomt de zaal weer langzaam vol. Thomas Langerak (45) lijkt eerder college te geven dan een proefschrift te verdedigen. Met overwicht beantwoordt hij de vragen van de opponenten, die stuk voor stuk kritiek hebben op het 'hybride’ karakter van zijn boek. Langerak, slavist, schreef een biografie over de Russische schrijver Andrej Platonov; een ongebruikelijk genre in de wetenschap dat - zeker door slavisten - vaak niet helemaal voor vol wordt aangezien.
'Als u mij vraagt: wie was Platonov’, antwoordt Langerak droogjes op een vraag uit de promotiecommissie, 'dan kan ik slechts zeggen: hij was een lange en zwijgzame man en hij schreef steeds.’ De zaal lacht, en de commissie eindigt met de promovendus te prijzen voor het unieke feit dat hij zijn dissertatie in het Russisch schreef.
'Platonov is mijn favoriete schrijver’, vertelt Langerak, zelf ook lang en niet zo spraakzaam. 'Toen ik zijn roman De bouwput las, dacht ik: dit is het. Het is zo'n verpletterend boek - ik kon niet meer dan vijf bladzijden per dag lezen omdat het me zo aangreep. Hij is een schrijver die mij mateloos boeit; van hem wilde ik gewoon alles weten. Het is van begin af aan mijn eigen idee geweest en dat is bij veel aio’s niet het geval. Hun onderwerp komt vaak uit de koker van de hoogleraar en soms geloven ze daar zelf niet erg in. Terwijl je volgens mij onderzoek moet doen vanuit een zekere gedrevenheid, anders wordt het niets.’
Een jaar lang deed Langerak on derzoek in de Leninbibliotheek in Moskou en de laatste zeven jaar werkte hij - naast zijn halve baan als universitair docent bij Slavistiek - aan zijn proefschrift. 'Je moet je soms wel heel erg afsluiten, en vooral het laatste half jaar was zwaar. Het is zo lastig om in een vreemde taal te schrijven. Na honderd bladzijden dacht ik: ik kan nu toch niet weer diezelfde wending gebruiken?’
Nu Langerak gepromoveerd is, verandert er eigenlijk alleen iets op zijn salarisstrookje. En op zijn naambordje aan de faculteit, vertelt hij grijnzend: de s achter zijn drs-titel wordt weggelakt met een beetje tipp-ex, totdat er een nieuw bordje voor dr. Langerak is. 'Verder blijft alles bij het oude - ik heb godzijdank een vaste baan en ga nu iets meer verdienen.’ Hij heeft nog geluk gehad, weet hij: 'Na mij is de deur dichtgevallen in onze vakgroep. Het is toch treurig dat ik met mijn 45 jaar een van de jongsten ben. Een collega van mij is zich nu maar aan het omscholen, ze gaat personeelswerk doen.’ Hij ziet het cynische daarvan in, en zegt met een kort lachje: 'Zij moet de juiste man voor de juiste baan gaan zoeken.’
WAS DE PROMOTIE van Langerak ook leuk voor de leek, bij de derde kandidaat van vandaag zit het publiek weer wat glazig en niet-begrijpend toe te kijken. Een enkeling knikkebolt wanneer Marcel den Hartog (30) uitweidt over de pathobiochemie van de schildklier.
'Ik heb een heel basaal, heel wetenschappelijk onderzoek gedaan’, licht hij later toe. Bij de vorming van het schildklierhormoon zijn verschillende eiwitten betrokken en een daarvan heeft Den Hartog in de vier jaar van zijn aio-aanstelling bestudeerd. Hij is gaan promoveren omdat dat 'de deur naar de toekomst opent: als doctorandus tel je in het lab gewoon niet mee’. Voorlopig moet hij het echter met een jaarcontract doen. 'Vaak blijft het heel lang bij losse, tijdelijke banen - soms wel vier of vijf jaar’, zegt hij berustend.
'Toen ik aan mijn onderzoek begon dacht ik: ik ga dat hele eiwit doen, maar dat is niet gelukt. Eigenlijk heb ik maar een vierde deel in kaart gebracht. Van die andere driekwart van het eiwit weet ik nog altijd niets; dat wordt na mij door anderen onderzocht.’ Vindt hij dat nou bevredigend? Den Hartog: 'Het is maar een heel klein stapje, maar je moet het over een langere periode zien. Als we over vijftien jaar precies weten hoe het zit, kan bij patienten met schildklierafwijkingen beter de diagnose worden gesteld.’
Niet alleen in de betawetenschappen wordt onderzoek gedaan op de vierkante centimeter, aan de hele Alma Mater is er een tendens tot superspecialisatie. Zo promoveerde aan de Letterenfaculteit onlangs iemand op De syntactische variatie in het algemeen Nederlands van Heerlen, en bij Taalkunde werkt op het ogenblik een neerlandica aan een proefschrift over het betekenisverschil tussen de woorden nu en nou.
Een dissertatie, zo wordt vaak verzucht, is geen magnum opus meer. De leraar die dertig jaar lang na schooltijd in de archieven duikt om op zijn zestigste zijn levenswerk te voltooien, lijkt uit te sterven. De tijd dringt voor degenen die in de vier jaar van hun aio- of oio-aanstelling een proefschrift moeten voltooien - momenteel bijna de helft van alle promovendi in Nederland.
IS DAT NU OOK af te zien aan de resultaten? Pieter de Meijer, de rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, meent van niet. 'Natuurlijk zie je wel een wisselende kwaliteit; ook bij proefschriften loopt die uiteen van een zes tot een negeneneenhalf. Maar er wordt vaak gedaan alsof de kwaliteit van proefschriften nu minder zou zijn dan die uit het verleden, omdat het aantal zo is toegenomen. Ik denk eerder dat in de afgelopen veertig jaar een kwaliteitsverhoging is opgetreden door de druk die er nu achter staat en door de intensieve begeleiding van de meeste promovendi.’ Het 'vroeger was alles beter’ gaat dus niet op. De Meijer: 'In de rechtsgeleerdheid kon je aan het begin van deze eeuw nog op stellingen promoveren. Dat was voldoende!’
De Meijer vindt het 'wel een leuke mijlpaal’ dat zijn universiteit binnenkort haar tienduizendste promovendus aflevert. 'Wij hebben op het ogenblik jaarlijks het hoogste aantal promoties van de Nederlandse universiteiten. Dat komt vooral doordat wij zo'n actief aio-beleid hebben gevoerd. De keerzijde is echter dat wij ook de meeste wachtgelden moeten uitkeren.’ Want dat er voor vele promovendi weinig meer te verdienen valt dan een uitkering, weet de rector ook wel. 'Op dit moment zijn er nauwelijks banen aan de universiteit, en er is dan ook sprake van een zekere fuikwerking. Met de invoering van het aio-stelsel is een flinke impuls gegeven aan het aantal promoties, maar waar moe ten al die mensen nu naartoe? De allerbesten kunnen weer voor drie of vijf jaar post-doc-onderzoek doen, maar daarmee verschuif je de fuik slechts.
Het is een groot probleem, ook voor de universiteit. Want ik vind dat je, puur vanuit de wetenschap, toch moet zeggen: hoe meer promoties, hoe beter. Onderzoek doen is immers een van onze taken en het stimuleren van goed onderzoek dus ook. Maar er is ook nog de arbeidsmarkt en die werkt niet erg mee. We proberen daar wel wat invloed op uit te oefenen, maar heel ver gaat die niet.’
Er zal een rem gezet worden op het aantal promoties, en ook zal de universiteit proberen wat te veranderen aan de beeldvorming rond de 'wereldvreemde wetenschappers’. De Meijer: 'Te vaak wordt gedacht dat een promovendus alleen maar in zijn kamertje bezig is een probleempje uit te puzzelen. Maar er komt veel meer bij kijken. Door het zelfstandig opzetten, organiseren en uitvoeren van een onderzoek en het oplossen van een probleem kwalificeert iemand zich voor allerlei functies, ook buiten het eigen vakgebied. Het is treurig dat dat niet wordt ingezien.’
KWADE TONGEN beweren wel eens dat de universiteit het promoveren ondanks alles blijft aanmoedigen vanwege het geld dat een promotie oplevert. Uit Den Haag komt zestigduizend gulden voor een gepromoveerde alfa en honderdtwintigduizend voor een beta. Maar, zegt De Meijer, dat geld valt in het niet bij de investering in de promovendus, diens faciliteiten en de intensieve begeleiding. 'En denkt u eens aan het wachtgeld dat we na afloop vaak moeten betalen.’
Sinds het ministerie van Sociale Zaken in 1991 bedacht dat er flink bezuinigd kon worden door de universiteiten hun ex-werknemers voortaan zelf financieel te laten steunen, zitten de universiteiten nog dieper in de schulden. In 1994 maakten landelijk 1280 ex-aio’s aanspraak op wachtgeld, waarmee een bedrag van ruim 28 miljoen gulden was gemoeid. In arren moede hebben de universiteitbestuurders daarom bedacht de 'aio’ tot 'beurspromovendus’ uit te kleden. Wie wil promoveren, krijgt dan niet langer een baan maar een (lage) beurs.
Verschillende universiteiten hebben al zulke 'beurspromovendi’ aangenomen. Zij bezitten niet de status van werknemer en hebben dus ook geen recht op secundaire arbeidsvoorwaarden als vakantiegeld, zwangerschapsverlof, ziektekostenverzekering en reiskostenvergoeding. En na afloop van het contract evenmin op wachtgeld. Wordt de beurspromovendus werkloos, dan moet de Sociale Dienst bijspringen. De 'nazorg’ wordt zodoende weer teruggeschoven naar waar die vandaan kwam.
'Ik vind dat een waardeloos idee’, zegt ex-aio Marcel den Hartog. 'Het salaris van aio’s is al heel mager, zeker in het eerste jaar, terwijl ze keihard werken. Veel laboratoria draaien op hun aio’s en zij zorgen ook voor de meeste publikaties. Dat moet niet nog meer ondergewaardeerd worden.’
AAN HET EINDE van de dag wordt de statige promotiezaal bijkans afgebroken. Isabel Hoving ontvangt haar doctorstitel met een cum laude. Het publiek klapt en joelt, de promovenda straalt. De promotiecommissie vindt haar dissertatie over het literaire werk van Afrikaanse en Caribische migrantenvrouwen vernieuwend: 'U heeft een belangrijke klus geklaard door in te gaan tegen het Eurocentrische denken over literatuur.’
Maar of die lof haar verder zal helpen, is zeer de vraag, vertelt ze achteraf. Hoving is nu doctor, maar ze is ook 39 en ze heeft een halve baan die in de zomer afloopt. Uitzendwerk, waarvoor ze iedere week uren moet schrijven. 'Voor je status hoef je niet te promoveren’, smaalt ze. En daarna? 'Goeie vraag. Ik zit barstensvol plannen, maar ik droom weleens dat ik het tot professor zal schoppen om daarna stratenmaker te worden.’
Hoving begon in 1989 aan haar onderzoek, niet als aio maar als 'toegevoegd assistent onderzoeker’. 'Dat was nog in het staartje van de goede tijd’, zegt ze. Ze was 'enorm geinspireerd’ en helemaal gegrepen door het onderwerp. 'Maar toen had ik nog niet door hoe vreselijk slecht het zou gaan met de universiteit. Kijk naar die beurspromovendi: die krijgen drie keer niks - dat is toch afgrijselijk. Maar de promotiefabriek moet doordraaien want zolang er gepromoveerd wordt, hebben andere mensen werk. Dat houdt het hele circus in stand.
Mijn generatie onderzoekers is hartstikke goed en bereid om veel aan te pakken tegen lage betaling. Maar we zijn ook heel boos. Voor ons is er geen werk, terwijl de universiteit bevolkt wordt door vijftigers die er nog in de gouden tijd zijn gekomen en altijd veel geld hebben verdiend. De vakbond beschermt de belangen van de mensen die zitten, maar neemt niet de zorg voor de nieuwe generatie op zich.’
Hoving gaat nu een post-doc-onderzoeksvoorstel schrijven voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. 'Ik hoop dat dat lukt, want dan kan ik weer een aantal jaar vooruit. Maar de spoeling is dun. Veel wetenschappers verdwijnen naar het buitenland, en zelf zal ik ook internationaal gaan solliciteren. Ik weet alleen niet hoe dat zou moeten met mijn relatie en mijn kind.’
Ze haalt haar schouders op en zegt dan vurig: 'Cultuurwetenschap is verschrikkelijk belangrijk, zeker voor een maatschappij die in crisis is. Het is een onschuldige, niet-vervuilende, niet-gewelddadige bezigheid die het innerlijk leven verdiept en bijdraagt aan de reflectie van de maatschappij op zichzelf. Je zou toch denken dat het nu juist de tijd is om dit soort activiteiten te stimuleren om het leven wat inhoud te geven.’