KUNST

Welgestelde konten

‘t Binnenhuis

Het Gemeentemuseum Den Haag hoeft eigenlijk alleen maar de deur van het depot open te zetten om een acceptabele tentoonstelling van Nederlandse kunstnijverheid te maken, doch gelukkig maken ze er doorgaans meer werk van, zoals bij Berlage Totaal! (2010) en K.P.C. de Bazel: Ontwerper voor de elite (2006). Dezer dagen toont het museum een flinke hoeveelheid meubelen (plus klokken, koffiekannetjes, textiel et cetera) die ooit in het ‘verkooplokaal ter meubileering en versiering van het interieur ’t Binnenhuis’ in Amsterdam zijn verkocht. Die winkel was een initiatief uit 1899 van de architect/vormgever H.P. Berlage, de juwelier Willem Hoeker (1862-na 1906) en de meubelontwerper Jac van den Bosch (1868-1948). Het was geen uniek verschijnsel; er waren andere min of meer coöperatieve werkplaatsen waar aan 'nieuwe’ meubels voor een 'nieuwe tijd’ werd gewerkt, van De Bazel en Lauweriks bijvoorbeeld. Evenmin ging de opening van ’t Binnenhuis gepaard met een politiek of artistiek manifest. Het ging in eerste instantie om de verkoop van dat contemporain Nederlands product; het ging er niet om (zoals later wel werd aangenomen) dat die nieuwe voorwerpen ook binnen het bereik van de gewone arbeider zouden komen. Bij de opening was er behalve van Berlage en Van den Bosch werk te zien (en te koop) van Lauweriks, De Bazel, Cuypers en Kromhout, van de batikontwerpers Baanders en Lebeau en de beeldhouwer Mendes da Costa, en verder van de metaalbewerker Eisenloeffel en van glazenier Le Nobel. De opening in 1900 was een knallend media- en societysucces, maar binnen korte tijd hadden de directeuren en de samenwerkende kunstenaars van ’t Binnenhuis slaande ruzie. In 1903 was de zaak, door wanbeleid van Hoeker, op een haar na failliet.
Er was geen manifest - maar er was wel zoiets als een gedeelde overtuiging. 'The arts of our day must not be luxurious, nor its metaphysics idle’, had Ruskin geschreven, en Berlage claimde dat als een devies. Hij trok van leer over de zielloosheid van het toenmalige ontwerp: 'Onze grootouders, onze ouders en wijzelf hebben geleefd en leven nu nog in een omgeving, zoo leelijk als er vroeger geene is geweest. (…) Bekijken we het binnenste van onze woningen, dan is het toch eigenlijk tuig, wat wij huisraad noemen. Geen stoel, geen tafel, geen kopje zelfs, dat ook maar eenigszins bevredigt.’
De oorzaak lag volgens Berlage in het kapitalisme, dat de mensheid en daarmee de kunsten van een 'gezamenlijk geestelijk belang’ had beroofd: 'De leugen is regel, de waarheid uitzondering geworden; zoo is het in het geestelijke leven, zoo in de kunst.’ 'Want wat moet er niet nog gebeuren, alvorens de maatschappij weer zoover is, dat zij aan deze volstrekte stijlloosheid zal zijn ontgroeid?’ - woorden die opmerkelijk fris klinken, overigens. De ironie is natuurlijk dat de eerlijke en 'ware’ producten van de Binnenhuizers zo krakend duur waren dat alleen de zeer gemotiveerde elite ’t zich kon veroorloven. Hun welgestelde konten zaten op de vooruitstrevend vormgegeven kussens. Het aardige van de tentoonstelling is wel dat de stukken zijn gegroepeerd op basis van de aankoop door die specifieke klanten, en niet per kunstenaar, en aangevuld met ander huisraad - een schilderij van Marius Bauer bijvoorbeeld - zodat er iets na te voelen is van hoe die dingen ooit in ensemble bij de familie Bouvy of de familie Dentz van Schaik hebben gefunctioneerd. Als amusante noot worden daarbij foto’s getoond van meubels die nog altijd in privé-bezit zijn, en dagelijks worden gebruikt.

Rechte stoelen, rechtschapen burgers: Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929).
Gemeentemuseum Den Haag, t/m 4 maart, www.gemeentemuseum.nl