Profiel: Carl Friedman

Welke idioot heeft verdomme het licht uitgedraaid

Deze maand verschijnt Verzameld werk van Carl Friedman. De schrijver en nachtbraker joeg velen op de kast, maar ze was zelf haar grootste vijand. En vrijdags ontstak ze de kaarsen, maar ineens bleek ze niet joods. Verbijstering alom.

Het is oudejaarsavond. IJzig koud, het vriest en sneeuwt. Emma, vertaalster, is van plan de avond lezend en alleen door te brengen in haar Amsterdamse appartement op driehoog, wanneer de bel gaat. Als ze uit haar raam kijkt, ziet ze de Rus Joelie staan, een man die ze eerder die dag ontmoet heeft. Getooid in een militaire jas en Slavische liederen zingend danste hij met haar in de sneeuw nadat zij hem de weg had gewezen in de hem onbekende stad. Nu vraagt hij of ze beneden komt. Ze weigert, wil het raam sluiten maar hij glijdt uit en blijft liggen in de sneeuw op haar stoep. Uitgestrekt, koudebestendig, net zo lang tot ze alsnog naar buiten komt. ‘U bent een volhouder’, zegt ze. ‘Anders u wel!’ roept hij.

Het is een van de beginscènes van Zwemmers in de nacht, een roman van Carl Friedman (1952-2020) die ze nooit voltooide maar die nu in al zijn onvoltooide glorie en ruim een jaar na haar dood is opgenomen in haar Verzameld werk.

In 2007 verscheen een gedeelte ervan in het tijdschrift Tirade, waar ik toen in de redactie zat. Ik was er blij mee: blij dat Carl na lang stilzwijgen weer iets had wat ze durfde te publiceren; blij ook omdat ik iets goed kon maken door het op te nemen. Vele jaren eerder had ze een verhaal ingeleverd dat heel mooi was maar waarin aan het einde iets kromtrok. Dat had ik haar geschreven, in een waarschijnlijk overmatig toegewijde brief. Ik was een beginnend redacteur, zo eentje die nog weleens een inschattingsfout maakt, en dat de kleinste opmerking haar zelfvertrouwen kon ondermijnen wist ik nog niet. Dat deed het. Ze antwoordde met een vinnige brief en trok het verhaal terug. Ik was geschrokken, zij kwaad, en het duurde lang voor de kou uit de lucht was.

Er is weinig meer nodig dan de alinea’s hierboven als vertrekpunt voor een portret van Carl Friedman. Vrijwel alle onderdelen vormen een lipje waaraan je de voor haar leven en schrijverschap cruciale elementen tevoorschijn kunt trekken.

Haar precieze liefde voor taal, de nauwgezette en door degelijke kennis onderbouwde liefde vertalers eigen. Na haar middelbare school volgde Friedman een tolkenopleiding in Antwerpen, de stad die het decor vormde van haar tweede boek, Twee koffers vol, en later werkte ze soms inderdaad als vertaler. Het personage Emma heeft overeenkomsten met haarzelf maar ze ís haar niet, zoals ook de onderwerpen van Friedmans boeken autobiografisch geworteld zijn zonder dat de uitwerking dat is.

Haar grote hartstocht voor Russische literatuur en cultuur: in een bevlieging kocht ze ooit de gehele Russische Bibliotheek. Aan Dostojevski had ze een hekel, Tsjechov was haar grote liefde en ze las álles, van Achmatova tot Poesjkin tot Toergenjev. In een van de columns die ze tussen 1999 en 2005 schreef voor Trouw en Vrij Nederland schrijft ze over haar voormalige schoonvader die altijd verhalen vertelde over zijn Russische voorouders. Ze citeert hem met instemming: ‘Een goed verhaal moet je niet uitbenen tot op het merg om dezelfde reden waarom je een liefdesbrief niet grammaticaal moet ontleden.’ Zelf was ze, vertelt iedereen die haar kende, een meesterlijke verhalenvanger: ze hoefde de deur maar uit te gaan of ze maakte iets krankzinnigs mee. Het ongerijmde was voor haar iets waar je dagelijks op straat over struikelde als over een Rus in de sneeuw.

De Slavische liederen: in het verhaalfragment gezongen door de onbekende tot wie Emma zich hartstochtelijk voelt aangetrokken, maar in haar overige werk steevast door de vader die haar leven en werk ingrijpend bepaalde. Niets wierp Friedman zo direct terug naar de verlatenheid en het erbarmen uit haar jeugd, naar de verhalen over de kampen waar de vader zijn liederen leerde. Uit haar debuut Tralievader: ‘Zijn langgerekte Slavische vocalen waaien wel over onze hoofden, maar zijn niet voor ons bestemd.’

Dan het volhouden, wat Emma en de Rus elkaar toedichten. Twintig jaar doorploeteren aan een roman die nooit afkomt getuigt van volharding. Maar tegenover het volhouden stond bij Friedman het afkeuren: van eigen werk dat nooit goed genoeg was. Terwijl zowel haar beeldend als stilistisch talent zo groot was – zo’n man plat op de stoep in een Amsterdamse winter, zo’n onbekende die een vrouw pardoes in de geüniformeerde armen neemt: haar werk barst van de krachtige scènes en formuleringen. Sla willekeurige pagina’s op in Tralievader: ‘Mijn vader schuift zijn stoel achteruit en zet het op een drafje’; ‘Ze tilt haar voeten nauwelijks op, ze schaatst. Ze trekt baantjes door de keuken’; ‘We blijven wachten tot de zon als een grote zuurbal langs de spoordijk omlaag rolt’. In die beelden zit ook Friedmans subtiele humor ingebouwd. Hoe groot de ernst van haar onderwerpen ook is, ze blijft geestig, in zinnen die zelfs zonder context beklijven – ‘Wat voor zin heeft het leven zonder onderbroek?’

Ten slotte dan de briefschrijverij. In zijn inleiding bij Verzameld werk vertelt Frits Abrahams, die bevriend met haar was, hoe haar brieven waren: ‘Lange, in een vloeiende stijl geschreven epistels over alles wat haar bezighield; persoonlijke zaken, maar ook veel over literatuur en politiek.’ En in de vorig jaar verschenen bibliofiele uitgave Brieven aan Jos vertelt een andere vriend: ‘Twee tot vier, soms wel zes, brieven per dag waren geen zeldzaamheid. Er moeten mensen zijn met karrenvol brieven van haar in huis.’

Een van die mensen is Oeke Hoogendijk, jarenlang haar meest nabije vriendin. Dozen vol brieven heeft die. ‘En daarnaast spraken we elkaar soms dagelijks, telefonisch, urenlang. Dat hoorde gewoon bij haar. Bij haar was alles veel. Carl was véél.’

Carl Friedman was schrijver en lezer in hart en nieren. Zo’n kind dat altijd maar las, dat op haar achttiende al honderden gedichten in het Nederlands, Engels en Duits uit het hoofd kende en uitgroeide tot iemand die alles wat ze meemaakte in taal wilde omzetten.

Haar boeken, Tralievader, Twee koffers vol, De grauwe minnaar en twee columnbundels, getuigen allemaal van hetzelfde stilistische vernuft, van helderheid, schwung en trefzekerheid. Ze maken een zeer zorgvuldige indruk, tonen dat er nauwgezet aan gewerkt is, maar ook haar brieven zijn opvallend goed geformuleerd. Na een verdrietige ontmoeting met haar goede vriend Jos kon ze hem schrijven: ‘Mensen hebben te korte armen om elkaar te kunnen troosten, dat weet ik wel, maar ineens gaat het om veel meer: je ziel jeukt ontzettend, ergens waar je niet kunt krabben, en welke idioot heeft verdomme het licht uitgedraaid.’ In sommige brieven lijkt haar snelle, talige manier van associëren op die van Fritzi Harmsen van Beek, intelligent, kronkelig, grillig.

Grillig was Friedman ook als persoon. Haar Duitse vertaalster Christiane Kuby schreef na haar dood in een mooie herinnering dat ze een dramaqueen was ‘en tegelijk een heel verlegen en onzeker mens. Het schrijven liet haar niet los, het hoorde bij haar, net als haar zoon, haar huis, de rampen die haar overkwamen.’ En Oeke Hoogendijk vertelt hoe haast álles haar prikkelde. ‘Ze stond nooit ergens onverschillig tegenover en kon ook niet relativeren, alles raakte haar. Bijna alsof ze geen huid had. Ze ondernam in de loop van haar leven ook steeds minder, kwam minder de deur uit, want raakte altijd weer verzeild in iets wat haar ontregelde.’

Zenuwachtig was ze, druk, kettingroker, nachtbraker, soms tot het ochtendgloren lezend, de laatste jaren in haar appartement in de Amsterdamse Rivierenbuurt waar ze woonde met haar achtereenvolgende hondjes. Haar dierenliefde was grenzeloos, maar tegen mensen kon ze venijnig zijn. In columns maakte ze vliegensvlug en welbespraakt gehakt van personen als Gretta Duisenberg (‘de Jeanne d’Arc van de Gazastrook’), Arnon Grunberg, Joost Zwagerman, Max Pam of Mies Bouwman (een faux pas waar ze zelf spijt van had). Meestal sprak er een onstuimige aanklacht tegen onoprechtheid uit, soms vergaloppeerde ze zich, en ze kweekte zeker ook vijanden.

Maar haar grootste vijand was ze zelf. Uit een andere brief aan Jos uit 1979, ze was 26: ‘Op een uiterst sombere avond laadde ik al mijn gedichten, verhaaltjes, aantekeningen e.d. in kartonnen dozen, die ik in een verlaten container heb gedumpt. Wat wilde ik ermee bereiken? Het moet een wanhopige poging zijn om me te ontdoen van dat deel van mezelf dat me de meeste zorgen baart en tegelijkertijd het dierbaarst is. Mijn tocht naar de container was er een van boete, van duistere zelfkwelling en diepe vernedering. Waarom haat ik mezelf? Vraag het me maar niet, ik ben de oorzaak nog niet op het spoor.’

Kort daarvoor had ze een zoon gekregen, samen met de man wiens achternaam ze aannam en na de scheiding behield, David Friedman. Haar grote ‘slaande liefde’, een Amerikaan, joods.

In 1993. ‘Alles raakte haar, alsof ze geen huid had’ © Kees Bennema / ANP

Daar zijn we: ruim duizend woorden op weg in een stuk over de schrijver Carl Friedman en het woord valt pas nu.

Carl Friedman, geboren Carolina Klop, Eindhoven, 1952, voerde als schrijver een joodse achternaam. Ze schreef, las en sprak voortdurend over het jodendom en de holocaust en vanaf haar debuut, over het gezin waarin de vader ‘kamp’ heeft, werd door de buitenwereld aangenomen dat dat ging over de kampervaringen van een joodse man wiens schrijvende dochter dus ook joods was. Dat daarna ook Twee koffers vol over een joods gezin ging bevestigde die veronderstelling. Ze gaf daarin bovendien een gedifferentieerd beeld van het jodendom: het streng orthodoxe van het gezin Kalman tegenover het vrijzinnige van Chaja’s familie. Beide boeken werden een internationaal succes, in zo’n tien landen vertaald, beide verfilmd. Friedman werd een bekend auteur, verschijnend bij Sonja , Maarten ’t Hart en Hanneke Groenteman, gevierd op de Frankfurter Buchmesse en tijdens lezingentournees.

In de buitenwereld was haar integriteit in het geding gekomen, dat hakt erin. Er kwam geen boek meer af

Haar derde boek, De grauwe minnaar, opende met het verhaal over een joodse jongen die het van de ene op de andere dag op een door de ik-figuur verafschuwd orthodox joods geloven zet. ‘Hans en jiddischkeit?’ roept de ik lachend uit. ‘Sinds wanneer bekommert hij zich om jiddischkeit? Hij kan Abraham en Mozes niet eens uit elkaar houden.’ En in een van haar vroege gedichten, over de vader van haar kind, schreef ze:

Met de erfenis van eeuwenlang vervolgde
voorvaders losjes in de Levi’s achterzak,
hing je de heiden uit, verkondigde
dat er even weinig jood stak
in jou als water in de rots bij Horeb
die Mozes openbrak

Dat was bij haarzelf wel anders. In haar stak een jood.

Ze was al als tiener begonnen zich in het jodendom te verdiepen. Ze las de thora, de talmoed, leerde Hebreeuws, maakte als dertiger actief deel uit van de liberale joodse gemeenschap in Breda en later in Amsterdam, de vader van haar kind was joods net als haar schoonfamilie, ze gaf haar kind een joodse opvoeding. Daarnaast was haar jeugd bepaald door het trauma en de ziekte die haar vader, Egbert Klop, had opgelopen in het Duitse concentratiekamp Sachsenhausen en tijdens de dodenmars erna.

Dat hij vanwege verzetsactiviteiten in het kamp terecht was gekomen en niet vanwege joods-zijn, is in het werk van de dochter niet aan de orde. Over de vader in Tralievader schreef Elsbeth Etty in 1993: ‘Of hij joods was of communistisch of als verzetsstrijder werd opgepakt, doet niet ter zake, zoals ook de naam van het kamp waaraan hij een gruwelijk trauma heeft overgehouden niet wordt genoemd.’

Maar in juli 2005 schreef een journalist in het Algemeen Dagblad dat Carl Friedman niet joods was, eigenlijk Carolina Klop heette en uit een katholiek gezin kwam. Meteen waren de rapen gaar.

Ik werkte in die tijd als redacteur bij Van Oorschot. De uitgeverij was op de hoogte van haar meisjesnaam, altijd al, maar niet van dit kennelijke niet-joods-zijn. Consternatie. De uitgevers, Wouter van Oorschot en Gemma Nefkens, belden met Carl, het bleek pijnlijk, ze wilde niet reageren. De uitgeverij ging achter haar staan. Ik herinner me een wanordelijke ochtend, de rinkelende telefoon, journalisten, een briesende Joost Zwagerman aan de lijn – ‘dat kun je toch niet menen, dat jullie hier niets over wisten! Dat jullie hier verder niets over gaan zeggen?’ Maar we meenden het. En het bleef zo.

Gemma Nefkens vertelt hoe er met Friedman niet over te praten viel. ‘Je stuitte op een enorme muur. Daar kwam je niet doorheen. We merkten ook dat het gevaarlijk was en besloten vrijwel meteen: hier mag ze niet aan ten onder gaan. Er was al veel zo getroebleerd in haar leven, het schrijven was van enorm belang, we wisten dat we dat overeind moesten proberen te houden.’

In de weken erna werd er door een aantal, veelal joodse schrijvers en columnisten woedend over Friedman gepubliceerd. In tweede instantie werd hier en daar geprobeerd alles wat kalmer uiteen te rafelen en deze vorm van toe-eigening naast vergelijkbare gevallen te leggen – fictieschrijvers die zich ook buiten hun fictie identificeerden met hun personages. Helga Ruebsamen, Jerzy Kozinsky, de Zwitserse Binjamin Wilkomirski die zijn jeugdherinneringen aan Majdanek en Birkenau uit zijn duim gezogen bleek te hebben.

Men vond dat Friedman zich ten onrechte had voorgedaan als joodse schrijfster. Cristiane Kuby schreef: ‘Dat verwijt trof me door zijn genadeloosheid, hoe kon je iemand die de gevolgen van de Holocaust zo invoelbaar had beschreven, op die manier wegzetten? Ik begreep onmiddellijk hoe eenzaam ze zich nu moest gaan voelen. Maar op een brief die ik haar schreef reageerde ze niet.’ Kuby voelde zich machteloos, dacht: ‘Dit was niet met opzet gebeurd, en het was niet de essentie.’

Het was niet de essentie, maar werd het wel. Google haar nu en de woorden ‘in opspraak’ lijken vastgeplakt aan haar naam. Jessica Durlacher, die zich verwant had gevoeld met Friedman die net als zij gold als stem van de ‘tweede generatie’, vroeg zich expliciet af of Friedmans boeken ‘vals’ waren, nu de authenticiteit van haar achtergrond verbrokkelde. ‘Waarom had Friedman zich niet actief verzet tegen de misverstanden, tegen de manier waarop ze werd geportretteerd in de interviews?’

De vraag is welke authenticiteit er nu écht was stukgevallen. Niet de literaire: Tralievader en Twee koffers vol zijn sterke boeken met een zeer eigen stem en een warm hart en ze overstijgen wat literatuurwetenschapper Samuel Dresden noemde de matter of fact-toon van veel literatuur over de kampen. Ook niet die van Friedmans connectie met het jodendom, die was voor haarzelf reëel.

Oeke Hoogendijk stuurt me een citaat van rabbijn Abraham Yehoshua: ‘Who is a Jew? Everyone who considers himself a Jew’, en laat weten dat Friedman er volgens haar echt zo tegenaan keek. ‘Ook voor mij was Carl joods’, zegt Hoogendijk, zelf joods. ‘Sterker nog: door mijn vriendschap met haar leerde ik het jodendom kennen dat ik zocht, dat ik van huis uit niet had meegekregen. Zij wist alles. Ze las de thora, stak de kaarsen aan op vrijdag, voedde haar zoon joods op.’

Praten over de aantijgingen deed Friedman niet, dat bevestigt iedereen die ik spreek. In zijn in memoriam schreef Wouter van Oorschot dat ze er niet in slaagde ‘een aanvaardbare uitweg te vinden’. Zoon Aron vertelde in 2006 in het Nieuw Israëlietisch Weekblad dat zijn moeder het gevoel had ‘door het slijk gehaald’ te worden, maar dat ze aan het schrijven was en dat het wel goed zou komen als haar boek af was.

Er kwam geen boek meer af.

In de buitenwereld was haar integriteit in het geding gekomen, dat hakt erin. Wat haar wellicht vooral niet lukte, was om zich nog autonoom te bewegen in de ruimte tussen de werkelijkheid van haar boeken en van het beeld dat de buitenwereld van haar had.

De confrontatie tussen fictie en identificatie is riskant. De werkelijkheid van een boek verzinnen is legitiem, de werkelijkheid zelf naar je hand zetten is op sommige fronten, en etniciteit en religie behoren daar zeker toe, gevaarlijk. Een schrijver als Elena Ferrante mag een vrouw willen zijn zonder dat iemand kan checken of ze dat echt is, maar joods willen zijn en je associëren met het lot van de joden in de holocaust, is voor velen iets heel anders.

Kun je dit oeuvre nog onbevangen lezen, dat wil zeggen: zonder het zoeklicht van die joodse ‘kwestie’? Moeilijk – maar eigenlijk vooral omdat het jodendom gewoon haar onderwerp was.

Een van haar allereerste journalistieke stukken, in 1982 in de NRC, was een recensie over essays en brieven van de joodse anarchiste Emma Goldman. Al in 1987 schreef ze in dezelfde krant een ingezonden brief over Poolse joden, die getuigt van de grondige kennis en betrokkenheid bij de joodse geschiedenis die later zou spreken uit haar columns. Die tonen behalve haar grote belezenheid over de Tweede Wereldoorlog (de slachtingen door Einsatzgruppen in de Sovjet-Unie; de verduisteringen in Berlijn in 1941) voortdurend haar vertrouwdheid met al wat joods was, van de schlemielen en schlemazzels van Isaac Bashevis Singer, de pogroms in de twintigste eeuw tot Dostojevski’s antisemitisme.

Dat Friedman al jong begon met alles te lezen over de kampen lijkt een manier te zijn geweest om de vader te naderen, uitverkoren te raken als hij

Door derden werd de link al vanaf het begin gelegd. Haar debuut werd al vóór verschijning aangekondigd in het NIW en er vervolgens geprezen omdat het ‘de Sjoa’ zo subtiel in beeld bracht. In 1993 schaarde Andreas Burnier haar onder de ‘naoorlogse schrijvers van joodse afkomst’ en plaatste Levend Joods Geloof een voorpublicatie van Twee koffers vol in een themanummer over vrouwen en jodendom. In 1994 sprak Friedman samen met de door haar bewonderde G.L. Durlacher op een holocaustcongres in Florida, later werd werk van haar opgenomen in de internationale bloemlezing Nothing Makes You Free: Writings by Descendants of Jewish Holocaust Survivors.

Wat haar nagedragen werd is vooral dat ze zich identificeerde met het leed van de groep. Voor haarzelf was de identificatie waarschijnlijk waarachtig en daarbij tweeledig: de identificatie van haar vaders oorlogsleed met dat van de joden, en haar eigen identificatie met het leed van de vader.

In een column uit 2000 beschrijft ze een herinnering van toen ze vijf jaar oud was en na het buitenspelen het huis binnenkwam (opmerkelijk is dat deze scène niet voorkomt in Tralievader – te particulier, te pijnlijk?):

‘In de woonkamer trof ik alleen mijn vader. Hij zat met zijn rug naar me toe en hij keek niet op toen ik binnenkwam. Bij zijn stoel bleef ik als aan de grond genageld staan. Hij huilde. Ik had nog nooit een volwassene zien huilen, ik wist helemaal niet dat zoiets kon. Angstig keek ik naar zijn schokkende schouders. Hij snikte hartverscheurend. Ik deed een stap in zijn richting, maar hij merkte niets van mijn aanwezigheid.’

Wat moet een extreem gevoelig kind tegenover zo’n immens verdriet en zo’n ondoordringbaarheid? Waarin de hulpeloosheid te vertalen?

Volgens Oeke Hoogendijk was Friedmans neiging zich te identificeren met leed heel groot. ‘Met ál het leed in de wereld. Zeker met dat van haar vader en zeker met dat van de joden. Maar als ze in het asiel een hondje ging halen wilde ze ook alleen de allerlelijkste en allerzieligste – daar wilde ze voor zorgen. Ze had dat grote hart.’

Uit haar werk blijkt hoe ver de pogingen om als kind dicht bij het lijden van de vader te komen, konden gaan. De dochter in Tralievader droomt ervan onzichtbaar te worden, ‘dan kan de SS mij niet vinden’. Ze is banger voor kapo Willie Hammer dan voor een krokodil onder haar bed. Ze begraaft haar speelgoed zodat het bewaard blijft als ze moet vluchten en haar broertje stopt zijn voeten in de ijskast opdat ze bevriezen, een anekdote die ook terugkomt in het gedicht Buitenstaander:

Ze waren koud, maar niet bevroren,
de tenen zaten er nog steeds aan vast.
Weer ging mijn hoop op zaligheid verloren.
Ach, werd ik maar een tikkeltje vergast,
genoeg ten minste om er bij te horen:
het voorrecht slechts van wie beschadigd was.
Tot lijden kennelijk niet uitverkoren,
trok ik mijn voeten somber uit de ijskast.

Doeschka Meijsing schreef al naar aanleiding van Tralievader dat ‘het verleden van de ander altijd al moeilijk doordringbaar is, maar dat de werkelijkheid van een kampervaring ontoegankelijk is’. Dat Friedman al jong begon met alles te lezen over de kampen lijkt een manier te zijn geweest om de vader te naderen, uitverkoren te raken als hij. Mogelijk scheurde dat uit zijn voegen en werd het gaandeweg het joodse lijden van de holocaust waarin ze zich ingroef.

Mogelijk. Mogelijk ook was het anders. Uiteindelijk rest de buitenwereld weinig meer wijsheid dan die ze zelf formuleerde in De grauwe minnaar: ‘Misschien is het ook een illusie dat wij, die zo weinig begrijpen van onszelf, zouden kunnen doorgronden wat anderen bezielt.’

Het jodendom is haar onderwerp, maar haar intiemste schrijversaandacht gold haar ouders. Rare ouders, schreef ze in een column, ‘in de wijde omtrek kwam je nergens zulke ouders tegen. Ze zagen er raar uit en ze gedroegen zich raar’, maar ouders tegen wie ze opkeek. Belezen, intelligent, een uitgesproken gevoel voor esthetiek en moraal en ook nog eens aaneengesmeed door een grote liefde, hoe nietsontziend de misère zich ook openbaarde. Van haar ouders erfde ze haar leeshonger, nog op haar sterfbed verslond de moeder boeken van Tsjechov, Singer, Yourcenar, Graham Greene, Natalia Ginzburg. De lat lag hoog, de verwachtingen waarschijnlijk evenzeer. Een ontvankelijke dochter loopt daaromheen al gauw volledig op haar tenen – het drama van het begaafde kind.

Een van de indringendste en nu voor het eerst gepubliceerde verhalen in Verzameld werk is Het eenzaamste uur, over de dood van de vader. De toenaderingspogingen van de dochter culmineren er in een bezoek aan ‘zijn’ kamp. Moederziel alleen staat ze op de appèlplaats waar hij nog elke nacht van wakker schrikt. Uiteindelijk ligt ze naast hem in het uur van zijn gruwelijke dood en dan blijkt de kwellende dochterliefde ook nog eens gestuurd en geregisseerd te worden door de moeder, Bette.

‘Pas daar, aan het doodsbed van mijn vader, zag ik in heel hun omvang de verschrikkingen die hij met de hulp van Bette een leven lang meester was gebleven. Maar over zijn laatste nacht mag ik niet praten. Bette heeft het me verboden. In de grauwe ochtendschemer, nadat ze vergeefs had gepoogd hem tot leven te wekken, legde ze me het zwijgen op. “Hij is rustig ingeslapen”, zei ze op een toon die geen tegenspraak toeliet.’

Het verhaal, eindigend met de hopeloos verlangende zin ‘Ik zal mijn vader in mijn armen tillen en hem daar vandaan dragen’, was bedoeld om uit te groeien tot een roman. Ook die kwam er niet. Volgens Frits Abrahams was ze ‘ontzettend en verpletterend verdrietig’ na de dood van haar vader en getuige een brief aan Gemma Nefkens had ze het gevoel zonder hem ‘geen recht van leven meer’ te hebben.

Een paar jaar later stierf ook haar moeder en schreef ze het even liefdevolle als meedogenloze portret Terugkeer naar Bette. Haar allerlaatste column, van 20 augustus 2005, de enige in Verzameld werk van na de commotie, gaat eveneens over de moeder en is van een ontredderende schoonheid.

‘Na haar begrafenis, terug in Amsterdam, was ik nog laat wakker. Ik zat aan tafel, in gedachten verzonken. Tot mijn stomme verbijstering zag ik mijn moeder binnenkomen. Ze droeg haar badpak en ze zwom door de kamer, rakelings langs mijn boekenkasten. Dat deed ze in een imposante crawlslag, waarbij ze haar armen krachtig bewoog en het hoofd beurtelings naar links en naar rechts draaide om lucht te happen. Op zeker moment liet ze zich uitdrijven. In een vloeiende draai kwam ze achter me langs en legde haar wang tegen de mijne. Dat kan ik me onmogelijk hebben verbeeld, want mijn gezicht bleef er vochtig van.’

Zelf was Friedman een innig toegewijde moeder voor haar zoon, die ze haar volledige en eigenzinnige liefde gaf – hier in een brief tijdens haar zwangerschap: ‘Groei maar. Van mij mag het. We zullen alles eerlijk delen: koolhydraten en zo, eiwitten, kalk, nicotine.’ Een paar jaar later zong ze haar eigen liedjes voor hem. ‘Aarde aarde draai maar door/ doe je zwartste sluier voor/ Laat mijn Aron slapen/ Straks komt er een bedelaar/ Met een zak van paardenhaar/ Sterrekruimels rapen.’

Het zou hartverscheurend zijn als Friedmans sterrekruimels, de teksten die ze schreef, verhuld zouden blijven achter de zwarte sluier van de vingerwijzing. Laat dat niet gebeuren. Laat iemand verdomme het licht weer aandoen.


Carl Friedman, Verzameld werk, Van Oorschot, 992 blz., verschijnt 25 juni. Carl Friedman, Brieven aan Jos, *32 blz. *

Mirjam van Hengel is schrijver en programmamaker. Ze publiceerde de boeken Hoe mooi alles (2014) over Leo en Tineke Vroman en Een knipperend ogenblik (2018) over Remco Campert