Essay: Gretta Duisenbergs voetangels

Welke joodse gemeenschap?

Gretta Duisenberg heeft binnen het Nederlandse jodendom scherpe tegenstellingen gecreëerd. Niemand van «de joodse gemeenschap» hoeft ingenomen te zijn met haar optreden, maar wie haar beticht van antisemitisme speelt vals spel.

Er schijnt in Nederland zoiets te bestaan als een «joodse gemeenschap», maar waarvoor zij staat is moeilijk vast te stellen. Ze laat af en toe van zich horen door zich met veel bombarie tegen werkelijk of vermeend antisemitisme te keren. Voor de rest is er bij haar even weinig geestverwantschap als geestelijke authenticiteit te bespeuren. Mede daardoor beantwoordt zij vrij aardig aan de hypothese van Sartre dat de joden — uitgezonderd de religieuze — uit vele heterogene exemplaren bestaan die hun specifieke hoedanigheid van jood door antisemieten opgelegd krijgen. In die opvatting is het jodendom eigenlijk niet meer dan een schijngestalte. De uitroeiing van miljoenen die tot die categorie werden «gestempeld», verleent dat jodendom niettemin een merkwaardige realiteit.

Vorig jaar december hield Benno Barnard de Huizinga- lezing 2002 in Leiden. Zich verdiepend in Europa wijdde hij veel aandacht aan het jodendom. Tenslotte concludeerde hij dat de ware betekenis van het jodendom school «in de driehoek die door woord, moraal en gedachtenis wordt gevormd». Sprekend over woord en moraal zei Barnard dat de talmoed studenten die tot de diepte van het jodendom trachten door te dringen niet zozeer in detail op zoek zijn «naar God, als wel gerechtigheid; want met de hersenspinsels der metafysica vermoeit het jodendom zich niet of nauwelijks».

Het waren echter niet talmoedstudenten maar schrijvers bij wie Barnard stilstond: Joseph Roth, Karl Kraus, Stefan Zweig, Egon Erwin Kisch, Sjolom Alejchem en Mendele Mojsche Sforim, Midden-Europeanen van voor de holocaust, afkomstig uit het centrum van het joodse leven of de periferie ervan. Vier van hen schreven Duits, twee Jiddisch. Zij waren exponenten van een immens rijke en veelvormige cultuur die het joodse bleef weerspiegelen ook als de drager, zoals Roth, katholiek was geworden of, zoals Kraus, zich afwijzend uitte over vele aspecten van het jodendom.

De joden waren toen verdeeld in orthodoxen en chassidim, in liberalen en atheïsten, in sociaal-democraten en communisten, in linkse poalei-zionisten, centrum-zionisten en racistische revisionisten, in Jiddischisten en Hebrasten, in geassimileerde joden die in hun «thuislanden» Duits, Pools of Russisch spraken en joden die hun bestaan in de diaspora als tijdelijk beschouwden, overtuigd als zij waren dat zij naar het «Beloofde Land» zouden terugkeren. Het grote gebrek aan eenheid en de hevige twisten ten spijt, vormden de joden van Midden-Europa toentertijd een volksgemeenschap. Misschien bruiste het joodse leven daar wel al te zeer.

Anders was het ten westen van het centrum, waar niet-gelovige joden, bij gemis aan geestelijke binding, zich bewust of onbewust van het jodendom verwijderden. Bij hen was er nauwelijks enige sprake van joodse cultuur, hoogstens van wat lege joodse tradities. De joodse karakteristiek van bewoners van de Amsterdamse jodenbuurt bestond voornamelijk uit wat areligieuze eetgebruiken zoals kippensoep en «nasjen» op de vrijdagavond. Daarnaast hoorde het tot de stamgewoonte lid te zijn van een joodse begrafenisvereniging.

Er was een joodse elite van intellectuelen en kunstenaars, maar haar houding werd grotendeels gekenmerkt door vluchtgedrag uit het jodendom. Schrijvers als Carry van Bruggen, Israël Querido en Herman Heijermans zijn exponenten van dat afscheid. Siegfried van Praag zocht zijn onderwerpen aanvankelijk in het Franse hofleven. Pas na de holocaust wijdde hij zich aan «herdenkingsliteratuur». Enkele anderen die de oorlog hadden overleefd, gaven zich er ook aan over: Maurits Mok, Abel Herzberg, Meyer Sluyser. Daarentegen leefde ook bij Abel Herzberg een verlangen naar pure joodse thematiek. Herzberg was de zoon van Oostjoodse immigranten en had de joodse cultuur van huis uit meegekregen. Zijn bron was eveneens het joodse leven: dat in het Oost-Europa van zijn ouders en grootouders en dat in de bijbelse periode onder Herodes.

Joodse politici: Henry Polak, Boekman, Wijnkoop — assimilanten — richtten hun activiteiten op het Nederlandse volk in bredere zin. O ja, er waren ook een paar zionisten: Sam de Wolf, prof. S. Kleerekoper, die vooral na het aan de macht komen van Hitler voor een joods tehuis in Palestina ijverden. Het gros van de Nederlandse joden richtte zich echter onmiskenbaar op Nederland, sloot in toenemende mate gemengde huwelijken en gaf aan zijn joodse afkomst weinig uitdrukking. Interessant is dat de vader van Ischa Meijer, Jaap Meijer, die nu juist stevig in het joodse verleden wortelde, een studie schreef over de joodse bijdrage tot de Nederlandse cultuur — niet tot de joodse.

Voor joden die de oorlog hadden overleefd, bood het tijdperk na de catastrofe weinig aanknopingspunten met het verleden. In bijna elk leven was de continuïteit verbroken. Iedereen moest materieel en emotioneel een nieuwe basis zoeken. Verdriet om vermoorde familieleden en vrienden was weinigen bespaard. Voor de overlevenden bestond de erfenis van het nazidom ook uit een moeilijk uitwisbaar stempel van jood-zijn, in de zin van Sartre. Velen wisten zich er geen raad mee. Innerlijke motieven bemoeilijkten het vluchtgedrag van weleer. Maar wilde men een «joodse identiteit» staven, van welke inhouden moest die dan worden voorzien?

In de holocaust werd het brede joodse proletariaat uitgeroeid. De overlevenden vormden een selectie van overwegend ontwikkelde en gegoede joden. Daaruit groeide een middenklasse van hooggeschoolden, beoefenaren van vrije beroepen en ondernemers. Denkers van formaat, van wie geestelijke leiding had kunnen uitgaan, bracht de «sociale metamorfose» niet met zich mee. Was de joodse identiteit voor religieuze joden vanzelfsprekend, iedere niet-religieuze jood hier te lande moest zijn geestelijk fundament zelf in elkaar knutselen. De stichting van de staat Israël was daarbij voor velen een uitkomst. Bij gemis aan kennis omtrent de joodse denkwereld door de millennia heen en gebrek aan gebondenheid met de joodse cultuur, onttrokken ze aan het zionisme een schijntje van «identiteit». Sommigen verhuisden naar Israël. Sommigen keerden na een aantal jaren teleurgesteld terug. Zij die in Nederland bleven, hadden echter in het bestaan van Israël een houvast gevonden dat hen niet alleen met troost en trots vervulde over het feit dat de joden hun lot in eigen hand hadden genomen, maar dat hun ook een gevoel van macht verleende.

De naoorlogse generaties joden keken en kijken met een zekere minachting neer op de geslachten vóór hen die zich zo weinig militant tegenover het antisemitisme hebben gedragen, culminerend in de generaties die zich doorgaans zonder verweer, «als makke schapen» zoals ze het noemen, naar de slachtbank hadden laten afvoeren. Ze willen demonstreren dat zij met de vroegere houding van gelatenheid hebben gebroken. Ze wensen geen enkele bedenking tegen joden of tegen Israël door de beugel te laten gaan. Van tijd tot tijd komt er in dit land iets voor dat hun in het verkeerde keelgat schiet en onmiddellijk signaleren zij antisemitisme.

Er zijn altijd een paar figuren die verklaren dat de protesten uitgaan van de «joodse gemeenschap». Niemand heeft echter tot nog toe de moeite genomen te vertellen wie deze woordvoerders heeft aangewezen om namens ongeveer dertigduizend anonieme joden te spreken.

In gevallen dat er voor de aantijging van antisemitisme te zwakke argumenten worden gevonden, rechtvaardigt men het protest met de verklaring dat «de joodse gemeenschap» gekrenkt is of dat haar leed is aangedaan. We laten enkele van die protestacties de revue passeren. Daar was de manifes tatie tegen Fassbinders toneelstuk Het vuil, de stad en de dood. En de actie tegen de huisvesting van nonnen in een bijgebouw van het voormalige concentratiekamp Auschwitz en tegen de kruisen die katholieke ijveraars in de omgeving van het kamp hadden geplaatst.

Ik heb mij indertijd in de discussie over Fassbinders stuk gemengd en het verdedigd tegen de aantijging dat het kwetsend was voor joden. Het ademde de geest van de marxistische Verelendung. Het drama tekent de Duitse stad Frankfurt in de jaren zeventig, waar een samenraapsel van lieden aan de zelfkant leeft. Een oud-nazi en een jood spelen belangrijke rollen in het stuk. De armetierige oud-nazi, travestiet, die de oer-Duitse naam Müller draagt, hoopt en wacht op de terugkeer van het fascisme. De geldmaker is een jood die zijn ouders in de gaskamer heeft verloren en toch in Duitsland is blijven wonen. Het vermeende antisemitisme zou hierin liggen dat het om een rijke jood gaat. De nazi en de jood brengen teksten over het voetlicht die, bezien in hun psychologische en historische context, allerminst vreemd zijn. Fassbinder wilde de ontbinding van een samenleving en de verwording van mensen schetsen. Waarom moest er een rijke jood bij zijn? Omdat tegenover de oud-nazi, Müller, een nobele jood hoogst ondramatisch en banaal zou zijn geweest. Maar ook omdat het succes van de rijke jood als een prisma moest werken dat het hele spectrum van Müllers fascistische rancune kon blootleggen.

Werd er werkelijk leed aangedaan door een antifascistisch stuk als dat van Fassbinder? Zij die toen protesteerden, bleken geen van allen het stuk te hebben gelezen. Dat gold ook voor een rabbijn die het voortouw had genomen. Hij moest eerst nog een besloten voorstelling bijwonen om tot de ontdekking te komen dat het niet om een antisemitisch stuk ging. In die constatering was de Deense opperrabbijn hem voorgegaan.

Voor de televisie verkondigde de rabbijn dat «de joodse bevolking» bang is voor een opkomend antisemitisme en dat zij daarom zo alert reageert op uitingen die kunnen worden misverstaan. Ik heb die angst nog nergens kunnen waarnemen. Angst leidt er gewoonlijk toe dat men probeert zich onzichtbaar te maken en een low profile zoekt. Wat «de joodse gemeenschap» betreft is het tegendeel waar. Zelden heeft die zo zelfverzekerd aan de weg getimmerd als de laatste jaren.

Laat ons wel wezen: de actie tegen het toneelstuk van Fassbinder was niet uit angst geboren, eerder uit overmoed. De jonge generatie joden wilde tonen dat zij militant was en zich niet in een hoek liet drijven.

Als we nog eens de herinnering oproepen aan de joodse protesten tegen de huisvesting van nonnen in een bijgebouw van het concentratiekamp Auschwitz, dan biedt dat ons de gelegenheid andere bronnen van actie aan een beschouwing te onderwerpen. In Nederland ontmoette dat protest ook veel begrip bij niet-joden. Zij vonden dat de symboliek van het joodse martelaarschap «ontheiligd» werd door een paar biddende nonnen en een kruis in de nabijheid van de plaats des onheils. De grootste sympathie voor het joodse protest werd uiteraard betuigd door mensen voor wie de katholieke kerk geen goed kan doen.

Intussen is het wel bekend dat Auschwitz een verzamelbegrip was voor een complex van kampen waartoe ook Birkenau, Gleiwitz en Monowitz behoorden. De meeste joden werden in Birkenau vermoord, waar de gaskamers stonden. Men zou kunnen zeggen dat het protest tegen het kloostertje geografisch enigszins misplaatst was. Birkenau ligt een kilometer of vijf van Auschwitz verwijderd. Ter vereenvoudiging hebben ze de ondergang van zes miljoen joden op één centrale plaats gesitueerd, buiten beschouwing latend dat de verdelgingsfabrieken van de nazi’s zich ook in Treblinka, Majdanek, Sobibor en andere plaatsen bevonden waar vijfzesde van de joden werd vermoord.

In dit geval ging het protest in eerste instantie uit van religieus-joodse groepen die in de nonnen en de kruisen een usurpatie van Auschwitz door Poolse katholieken wilden zien. Daarmee rees echter de vraag of die groepen niet bezig waren Auschwitz voor een joods-religieus martyrium te claimen en of de geestelijke achtergrond van de slachtoffers daartoe voldoende rechtvaardiging bood. Anders gezegd: had de meerderheid van de omgekomen joden veel op met het joodse geloof en beschouwde zij zich door de religieuze instellingen gerepresenteerd, of maakte de joodse orthodoxie zich achteraf wellicht wat te exclusief meester van de herinnering aan de slachtoffers van de holocaust?

De Nederlandse joden van die tijd waren in meerderheid religieus onthecht. Om het slechts met één gegeven te illustreren: toen tijdens de mobilisatie van 1939 joodse soldaten werd gevraagd of zij prijs stelden op rabbinale zielszorg bleek maar twaalf procent daarvan gediend te zijn.

Ook in Duitsland was er slechts een kleine minderheid geweest die haar jodendom religieus beleed. De meerderheid was doortrokken van de Duitse cultuur en wilde niets liever dan Duitser zijn. Onder de Duitse joden die voor de oorlog internationale bekendheid genoten, was er niet één die binding had met de joodse religie; Einstein, Wassermann, Dublin, Tucholski, Beckman, Hindemith, Weil — geen van hen had iets op met het joodse geloof. Sommigen mogen inspiratie hebben geput uit thora en talmoed, maar dan alleen als bronnen van wijsheid. De Duitse joden waren zo Duits dat zij van de Poolse joden de scheldnaam «jekke» kregen: mof.

Hoewel in Polen de verhoudingen anders lagen, vormden de joods-religieuze groepen ook daar een minderheid. Orthodoxie en chassidisme waren er sterk teruggelopen en de voornaamste binding die nog bestond was die van de cultuur — de Jiddische cultuur. Zeer vele joden geloofden niet meer in de komst van de Messias, maar in de komst van het socialisme.

De jongste protesten komen voort uit de verbondenheid van «de joodse gemeenschap» met Israël, for better and worse, en zijn voornamelijk gericht tegen de voorzitter van de actie Stop de Bezetting, Gretta Duisenberg.

Inmiddels zijn verschillende stromingen binnen het Nederlandse jodendom zich wat scherper gaan aftekenen. Daar zijn de religieuzen van orthodoxe en liberale gezindheid; daar zijn de zionisten met wel of niet een hang zich in Israël te vestigen, en daar zijn om zo te zeggen «Nederlanders met joodse reminiscenties» die een besef van joodse verantwoordelijkheid met zich dragen. Dat gevoel gaat onder bepaalde omstandigheden opspelen; bijvoorbeeld nu de crisis in het Midden-Oosten onaanvaardbare vormen is gaan aannemen. Velen voelen een zodanige emotionele betrokkenheid bij Israël dat zij in de zelfmoordaanslagen van de Palestijnen een rechtvaardiging vinden voor een grenzeloze onderdrukking van het Palestijnse vrijheidsverlangen. Anderen bezien de crisis deels in het licht van het traditionele joodse appèl aan humaniteit en gerechtigheid en deels van de noodzaak de problemen pragmatisch aan te pakken, zodat zij niet op termijn tot een catastrofe leiden.

Er zijn scherpe tegenstellingen ontstaan tussen de verschillende groeperingen en in de emotionele opwinding die alom heerst, zijn zuiverheid van denken en handelen vaak ver te zoeken. Hoewel lippendienst wordt verleend aan de vrijheid van meningsuiting, neigen de «beschermers van Israël» ertoe de critici de mond te snoeren door niet-joden voor antisemieten uit te maken en joden voor verraders van de joodse zaak.

Aangezien ik tot de verraders word gerekend ben ik zo vrij geen blad voor de mond te nemen en de protestactie tegen Gretta Duisenberg als demagogie te kenschetsen. Iedereen is natuurlijk vrij haar opstelling in het Israëlisch-Palestijnse conflict fel te kritiseren en wie wil mag haar antipathiek vinden, maar wie de euvele moed heeft haar van antisemitisme te betichten, speelt vals spel. Er valt een enkele keer een aanmerking te maken op haar slordig woordgebruik of op een manke vergelijking. Dergelijke missers worden door sommigen misbruikt om haar integriteit in twijfel te trekken en dat is laaghartig. Wie zich niet laat misleiden, begrijpt al gauw dat de diffamatie ten doel heeft haar monddood te maken.

Er was een aanklacht tegen Gretta Duisenberg van advocaat Moszkowicz. Zij zou met het uitspreken van de wens «zes miljoen» handtekeningen bijeen te krijgen voor de actie Stop de Bezetting, joodse gevoelens hebben gekwetst en zich aan antisemitisme schuldig hebben gemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft die klacht niet in behandeling genomen. De motivering die de officier van justitie Velleman op de beslissing heeft gegeven, is echter dermate buiten de orde dat de vraag rijst of niet ook hij aan verwarring des geestes lijdt. Waar haalt hij de «gotspe» vandaan bij Gretta Duisenberg bedoelingen en gedragingen te veronderstellen waarvoor hij geen andere aanwijzingen kan aanvoeren dan die in zijn hoogst individuele, vooringenomen brein leven? Met zijn psychologie van de koude grond laat hij zich door de fantasie van een mannetjesmug leiden die wel zoemt, maar niet steekt. Terecht heeft Gretta Duisenberg een klacht ingediend tegen deze onzakelijke handelwijze van het parket.

Intussen wil ik graag verklaren dat ik Gretta Duisenberg de zes miljoen handtekeningen die zij met de actie Stop de Bezetting nastreeft (een getal dat ik volslagen los zie van het aantal slachtoffers van de holocaust) van harte gun. Juist omdat ik een jood ben, heb ik er met mijn eigen handtekening een bescheiden bijdrage toe geleverd.

Een geheel andere vraag is met hoeveel omzichtigheid er over de holocaust gesproken moet worden. Misschien zou het van goede smaak getuigen als we over de slachtoffers in piëteit zouden zwijgen. Er zijn echter weinig nabestaanden die zich daaraan kunnen of willen houden. Bij herhaling herinneren zij aan de zes miljoen doden, met een verscheidenheid aan bedoelingen die niet alle even nobel zijn. Nu dat verschijnsel zich met een zekere onvermijdelijkheid voordoet, ben ik zo onedel mij er ook aan te bezondigen.

Weliswaar geloof ik, in tegenstelling tot de heer Velleman, dat Gretta Duisenberg bij het noemen van het getal zes miljoen niet aan het aantal slachtoffers van de holocaust dacht, maar ook al zou dat wél zo zijn geweest, waarin zou dan het kwetsende van haar opmerking hebben gelegen?

Om ons nu even los te maken van de zaak-Duisenberg refereer ik aan de eerste premier van Israël Ben Goerion. Toen in de Knesset eens felle kritiek werd geuit op de wapen leveran ties van Israël aan de Bondsrepubliek riep hij de slachtoffers van de holocaust retorisch aan ter verdediging van zijn beleid: «Indien de zes miljoen om het leven gebrachte mensen vanuit hun graf of vanuit de hemel zouden zien wat er in Israël tot stand wordt gebracht, zouden ze ongetwijfeld juichen en zich verheugen. Zij zouden troost vinden in het zien van het herrezen Israël, het Israëlische leger en onze militaire industrie die zelfs de Duitsers op hoge waarde weten te schatten.»

Wat Ben Goerion mocht, mogen ook tegenstanders van de politiek van Sharon c.s.: de slachtoffers van de holocaust aanroepen in een appèl voor vrijheid, verdraagzaamheid en menselijkheid. De overgrote meerderheid van joden die aan de nazi-moordzucht ten offer zijn gevallen, was vervuld van humanitaire denkbeelden die zij tot uitdrukking bracht in haar politieke opstelling. Nederlandse joden stemden voor de Tweede Wereldoorlog in meerderheid SDAP. Poolse joden stemden in meerderheid de Bund (de joodse socialistische partij). Vooral Poolse joden, die met meer dan drie miljoen slachtoffers van de holocaust het zwaarst werden getroffen, hebben voor de Tweede Wereldoorlog de verschillende fascistische en fascistoïde bewegingen fel bestreden — ook de fascistoïde vleugel binnen het zionisme, de revisionisten, waarvan de huidige Likoed min of meer de erfgenaam is.

Het kan niet zo zijn dat de «zes miljoen» voor niets zijn ge storven. De holocaust moet bij al het onmenselijke de profundis ook iets positiefs oproepen. Vele joden zien dat in het ontstaan van de staat Israël. Velen achten het van nog groter belang dat de holocaust appelleert aan onze wil een samenleving met meer humaniteit, solidariteit en tolerantie op te bouwen.

Er zijn anno 2003 ongetwijfeld veel joden die in hun door de geschiedenis getormenteerde brein niet meer in staat zijn de boodschap van de profeten tot zich te laten doordringen en in te zien waardoor hun joodse identiteit gedragen dient te worden. Zeker niet door een waan van enerzijds slachtofferschap en anderzijds superioriteitsgevoel dat hun het recht zou verlenen ieder die zich kritisch uit over het beleid van Israël van antisemitisme te beschuldigen. Als zij er nog enigszins van overtuigd zijn dat jodendom iets met de joodse profeten te maken heeft, laten zij dan de uitspraak overdenken van Jesaja (66): «Zoals zij hun eigen wegen hebben verkozen en hun ziel in hun gruwelen behagen schept, zo zal Ik hun ongeluk verkiezen en dat wat zij vrezen, over hen brengen, omdat niemand geantwoord heeft, toen ik riep, en zij niet gehoord hebben, toen ik sprak, maar gedaan hebben wat kwaad is in mijn ogen en verkozen wat Mij mishaagt.»