Welke kleur heeft de Poolse dictatuur?

Warschau – In de jaren negentig leerde de Nederlandse student politieke theorieën dat het gevaar voor het individu niet meer van de overheid kwam, maar van grote multinationals.

Bedrijven als Shell en Unilever stopten de overheid in hun zak en dwongen de burger in een rol van consumerende slaaf. Deze nieuwe leerstelling maakte boekenkasten vol politiek-filosofische werken over de verhouding overheid-burger overbodig. Hopelijk zijn de boeken niet vernietigd: in Polen komt het gevaar voor de burger weer vooreerst van de overheid.

De nieuwe machthebbers proberen in razend tempo hun klassiek-totalitaire dromen te verwezenlijken. Het loopt lekker. Het rechtscollege dat nieuwe regelingen en wetten aan de grondwet toetst, is vleugellam gemaakt. De bazen en belangrijkste journalisten van de publieke omroep zijn vervangen en een belastingmaatregel is in de maak die het te duur voor commerciële omroepen maakt nog aan zinvolle nieuwsgaring te doen. De afluisterbevoegdheden van de politie zijn verruimd en de minister van Justitie mag zich sinds kort op elk niveau bemoeien met een gerechtelijk onderzoek. (Gaat het om een partijlid? Laat maar vallen die zaak.) En, wellicht meest verontrustende voor de verdediger van burgerrechten: opsporingsambtenaren mogen de wet overtreden, zo is het plan, als dat ‘in het belang van het land’ is. Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal? Bestaat niet meer. De wet zal discussies over martelen irrelevant maken. Ondertussen vervangt de regering de leiding van alle staatsbedrijven, van ziekenhuizen, energiebedrijven, de spoorwegen, zelfs van een beroemde fokker van Arabische paarden. Belangrijkste kwalificatie van de nieuwe leiders: de juiste partijkeuze.

De totalitaire wensen van de nieuwe machthebbers zijn traditioneel. Maar welk klassiek label verdienen ze? Onder de duizenden demonstranten die afgelopen weekend de straat op gingen, hoorde je zelden het woord ‘communisme’. Omdat regeringspartij PiS de Poolse samenleving juist wil ‘zuiveren’ van leiders en zakenmensen die ooit het communisme dienden. In de donkere spelonken van de Poolse academie hoor je de vergelijking echter wel degelijk: de liefde voor overheidscontrole; de retoriek tegen ‘westers imperialisme’; het instrumentaliseren van de rechterlijke macht; de belofte van culturele stilstand; het politiek bedrijven uit naam van de arme, echte Pool… degenen met historisch besef ontgaan de overeenkomsten niet.

In het café hoor je iets anders. Daar heet de communistische retro-politiek, opgediend met nationaal-katholieke superioriteitsgevoelens, gewoon: nationaal-socialisme. Wellicht lukt het met de kennis uit die oude, lang verguisde boeken om deze kwalificatie verder scherp te stellen.