De angst van de buitenstaander

Welkom bij de club

De kloof tussen de vanzelfsprekende elite en de mensen die er graag bij willen horen is een dankbaar thema voor romans en films. Het haperen komt meestal van twee kanten.

NOOIT WERD DE BLIK van de gretige buitenstaander, geconfronteerd met een wereld waar hij niet in thuishoort maar waar hij wel graag deel van zou uitmaken, intenser vastgelegd dan in Brideshead Revisited, de roman van Evelyn Waugh uit 1945. Het is een blik van verlangen en bewondering, gemengd met pijn en melancholie, al was het maar omdat jaren nadien wordt teruggeblikt op een periode waarin de verteller zich ‘dicht bij de hemel’ voelde. Voor Charles Ryder begon zijn leven in Oxford pas echt toen hij Sebastian Flyte ontmoette, de jongste zoon van de aristocratische Marchmain-familie. Eenmaal aangeraakt door de magie van het landgoed Brideshead en zijn bewoners wilde Charles Ryder niets liever dan hierin doordringen, en hoe kon hij dat uiteindelijk beter doen dan door een verhouding te krijgen met Sebastians zus Julia? Een vergeefse poging natuurlijk, zij het dat Waugh niet het standsverschil de spelbederver liet zijn, maar het katholieke geloof, dat scheiding en hertrouwen niet toestond.
In 1981 werd er een televisieserie van Brideshead Revisited gemaakt, met Jeremy Irons in de rol van Charles Ryder. Als Sebastian Charles voor het eerst door Brideshead heen gidst, zijn de meeste vleugels nog gesloten en is het meubilair bedekt met stofdoeken, maar Charles kijkt ernaar alsof hij in een andere wereld terecht is gekomen, van pracht en weelde, en voelt meteen dat hij 'that low door in the wall’ gevonden heeft, 'which opened on an enclosed and enchanted garden’.
Zijn smeulende blik leek niet te overtreffen, tot zoveel jaar later de ogen van Jonathan Rhys Meyers een vergelijkbaar brandend verlangen bleken te kunnen uitstralen in de film Match Point (2005) van Woody Allen. Ook hier een ambitieuze buitenstaander, een Ierse jongen van eenvoudige komaf, die eenmaal geroken hebbende aan de hogere kringen in Londen vervuld raakt van de ambitie geadopteerd te worden. En ook hier kan dat het best bewerkstelligd worden door in te gaan op de avances van de dochter des huizes, hoe saai die dan ook moge zijn. Maar afkomst verloochent zich niet, lijkt Woody Allen duidelijk te willen maken in dit zedendrama dat zich halverwege ontpopt tot een soort thriller, en daarmee ook ver verwijderd raakt van het verstilde Brideshead Revisited. De sociale klimmer zet zijn alras geprivilegieerde leven op het spel door een affaire te beginnen met de wellustige ex van zijn zwager, door de laatste aan de kant gezet omdat ze geen goede partij was. Zoals hij het in de duurste restaurants niet kan laten om roast chicken te bestellen, zo wordt hij onweerstaanbaar toegetrokken naar de borsten en de lippen van het onbeduidende Amerikaanse actricetje, vertolkt door Scarlett Johansson op haar allerverrukkelijkst.
De kloof tussen de vanzelfsprekende elite en zij die er graag bij willen horen is een dankbaar thema voor romans en films. Het mooiste, want in potentie meest pijnlijke, vertelperspectief is dat van de buitenstaander die graag op wil gaan in zijn nieuwe omgeving maar zichzelf altijd zal verraden omdat hij nooit helemaal weet hoe het spel gespeeld moet worden. Het klassieke voorbeeld hiervan is The Great Gatsby (1926), dat een dubbel buitenstaandersperspectief kent. Het verhaal wordt verteld vanuit het gezichtspunt van een relatieve voorbijganger, Nick Carraway, en gaat over de zakenman Jay Gatsby, die van zijn leven een façade heeft gemaakt om zijn vroegere liefde Daisy, die van rijke komaf is, terug te winnen. Een wanhopige, vergeefse actie, zoals eigenlijk van meet af aan al duidelijk is.
In de beroemdste scène vragen Carraway en Gatsby wat voor ondefinieerbaar accent er toch in Daisy’s tongval ligt, totdat Gatsby op de juiste term komt: 'She has a voice full of money.’
Dat kun je jezelf niet aanleren.
Onlangs verscheen in Nederlandse vertaling het lijvige Rich Boy, de debuutroman van de Amerikaanse Sharon Pomerantz. Een gatsbyaans drama over lot en destinatie van de zoon van een postbode, Robert Vishniak, die opgroeit in een arme joodse wijk in Philadelphia. Vader en moeder beulen zich af om hun beide zonen gevoed en gekleed te krijgen. Ondertussen krijgen ze een vanzelfsprekende dosis klassenhaat meegeleverd: de wereld van de hoger opgeleiden staat bol van de corruptie en oneerlijkheid; alleen de arbeidende klasse - de wereld van de schlemielen - is eerlijk. Maar voor Robert en zijn jongere broer Barry willen ze wel graag een makkelijker leven.
Wat in Roberts voordeel werkt is allereerst zijn uiterlijk, en in de tweede plaats zijn scherpe brein. Zeer smakelijk beschrijft Pomerantz de ontdekking van Robert dat hij aantrekkelijk is voor meisjes, en hoe snel hij zijn verleidingskunsten weet te vervolmaken. Zonder veel moeite weet hij een studiebeurs te krijgen voor een universiteit in Boston, alwaar hij onmiddellijk in andere kringen komt te verkeren. Het milieu van zijn rijke medestudenten oefent een grote aantrekkingskracht op hem uit en dankzij zijn charme weet hij zich te handhaven. En dankzij zijn praktische zin. Zijn kamergenoot Tracey, volstrekte luiwammes van goede komaf, gooit zijn overhemden in de stortkoker als ze vies zijn, waar Robert ze dan weer uitvist. Hij voelt zich anders wanneer hij Tracey’s overhemden draagt, zelfverzekerder, en al gauw wil hij ze de hele tijd dragen. Ondertussen blijft hij zich verwonderen over zijn nieuwe omgeving. 'Waarom zou Tracey hem als vriend hebben uitgekozen? Het was een raadsel. Ze waren hem allemaal een raadsel, deze mannen en vrouwen, zo cryptisch en toch zo zeker van hoe alles hoorde te zijn. Wie precies had hun regels opgesteld en waarom kende hij ze niet?’
Roberts aanpassingsbereidheid is ondertussen groot: hij ontdoet zich van de lange klinkers die bij het accent van Philadelphia horen, houdt zijn mes en vork anders vast, kleedt zich anders, loopt anders. 'Hij zou zijn oude zelf niet meer kunnen terughalen.’
Dan wordt hij verliefd op de Britse Gwendolyn, ook al steenrijk, maar erg labiel en bezig met drugs en de wereld verbeteren. Het zijn de jaren zeventig: de naweeën van de Vietnamoorlog, Nixon komt aan de macht. Gwendolyn, met wie hij binnen de kortste keren samenwoont in haar riante appartement, wil de revolutie ondersteunen in Zuid-Amerika en trekt zich het leed van de wereld almaar intenser aan. Van zijn eigen familie raakt Robert steeds meer vervreemd, maar als hij op haar aandringen Gwendolyn een keer meeneemt naar zijn ouderlijk huis, blijkt zij in ieder van hen de verborgen deugden te kunnen zien. 'Zij had een nieuwe versie van hen in het leven geroepen.’
Zo'n engel, die kan geen lang leven beschoren zijn - en inderdaad, het loopt niet goed af met Gwendolyn. Een lange periode van rouw breekt voor Robert aan, waaruit zijn broer Barry, die zich heeft ontwikkeld tot beurshandelaar, hem weet los te weken. Hij gaat opnieuw studeren, rechten ditmaal, en loopt zijn voormalig kamergenoot Tracey weer tegen het lijf. Via hem leert hij Crea kennen, nazaat van een steenrijke familie, en dan, ja dan, lijkt Roberts kostje gekocht. Vanaf dit moment in de roman loopt de verhaallijn ongeveer parallel aan die in Match Point, inclusief de femme fatale van lagere komaf, in Rich Boy ook al een actrice in spe die zo lang haar geld verdient met schoenen poetsen en die ook nog eens Sally Johannson heet.
Het aloude verhaal van de jongen die zich aan zijn milieu ontworstelt en met de heel rijken komt te verkeren, wordt door Pomerantz zeer adequaat opgedist. Dat klinkt nu een beetje zuinig, maar dat heeft te maken met het hoge entertainmentgehalte van deze breed uitwaaierende roman. Pomerantz neemt de ruimte om de verschillende sociale omgevingen en bijbehorende mores precies te beschrijven, met veel vermakelijke scènes tot gevolg. Een van de hoogtepunten is de kennismaking van Crea met de vrouwelijke leden van haar aanstaande schoonfamilie. Deze hebben zich alle moeite getroost om Roberts lievelingsrecepten op kaartjes helemaal uit te schrijven. Nonchalant neemt Crea het bundeltje, bijeengehouden door een elastiekje, aan en spreekt dan de onsterfelijke woorden: 'Erg vriendelijk van jullie, alleen… ik kook niet.’
Mooi ook wordt het af en toe - héél af en toe - opvlammende loyaliteitsconflict waarin Robert terechtkomt beschreven, bijvoorbeeld als hij zich moet onderhouden met zijn schoonvader. 'Hij hád een vader, een vader die altijd van hem had gehouden en voor hem had gezorgd. Waarom was hij dan zo dankbaar voor de minste aandacht, het geringste blijk van goedkeuring, van Crea’s vader? Omdat hij niet deze vader had, een man die hem in de wereld kon introduceren, een geslaagd man waar de mensen mee wegliepen, die niet om macht vroeg, maar die zelf greep.’
Robert Vishniak is geassimileerd, maar niet helemaal. Het haperen komt van twee kanten. Hij wordt weliswaar toegelaten tot de club - letterlijk in deze roman het Tuxedo Park, net buiten New York - maar alleen in het kielzog van zijn vrouw en op de voorwaarden van zijn schoonvader. De laatste biedt hem een baan, maar zal geen gelegenheid voorbij laten gaan om hem de duimschroeven aan te draaien. En dan is er zijn eigen onloochenbare heimwee, dat zich vertaalt in het verlangen naar het schoenpoetsmeisje. Nergens voelt hij zich eenzamer dan in zijn eigen huis, het huis in de Upper East Side, waar hij dan al een jaar woont met Crea en zijn dochtertje dat hij via slinkse wegen Gwendolyn heeft laten noemen. Overal kunst, in zijn ogen afschrikwekkende kunst, witte wanden, een uitgemergeld vrouwenlichaam op een sokkel in de hal, een Kokoschka in de woonkamer - ook al een wanhopige naakte vrouw - en boven het bed een Klimt. Hij woonde in een museum, en schrok ook nog eens van de harde slagen van 'die rotklok’.
Pomerantz schetst in Rich Boy een interessant tijdsbeeld, dat loopt van de jaren zeventig in een Amerikaanse universiteitsstad tot aan de jaren negentig in New York, met de grote beurscrisis als eindpunt. Met korte, snelgesneden hoofdstukken, die ouderwets verhalende titels hebben als 'Robert leert iets over schoonheid en haar tegendeel’ en 'Sally zwicht niet’, blaast ze een aloud genre een geheel nieuw leven in. De passages waarin Robert zijn schoenpoetsmeisje mee uit eten neemt, er genoegen in schept voor haar de duurste gerechten aan te kunnen laten rukken, en zelfs het voor haar mogelijk maakt voor een zacht prijsje in een mooi appartement te kunnen wonen, behoren tot de ontroerendste van het boek. Vooral omdat hij er alles aan doet om door haar wel herkend te worden als iemand van haar eigen soort. 'Hij wilde door haar niet als iemand uit een andere klasse worden gezien.’

Sharon Pomerantz, Rich Boy. Vertaald door Anneke Blok en Jan de Nijs. Prometheus, 464 blz., € 19,95