Armer en rijker in Nederland

Welkom in Corpocratië

Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 zijn de rijken rijker en de armen armer geworden. Het kapitalisme vreet zijn eigen middenklasse op en ondergraaft daarmee zichzelf. Verzoek aan grootbedrijf en banken: betaal fatsoenlijke lonen, kom je belastingplichten na en hou je aan democratische normen.

Medium armerrijker engelen1

Trots meldde de website dat er deze keer 41.500 bezoekers naar de Amsterdamse Rai aan de Europaboulevard waren getogen om zich daar met een lauw glaasje champagne in de hand te vergapen aan dure auto’s, grote boten en luxe vakanties. Sommigen hadden de verleiding niet kunnen weerstaan en ter plekke een boot aangeschaft ter waarde van 128.000 euro, of een Jaguar Roadster uit 1965 à raison de 156.000 euro, of hadden zonder blikken of blozen vijftigduizend euro neergeteld voor een bubbelbadboot – wat dat ook moge zijn: bad, boot of bubbel.

Maar terwijl de elite in een geblindeerd Amsterdams beurshalletje tevreden aan een glaasje Laurent-Perrier lurkt, onderwijl een zilt oestertje wegslikkend, staat het kapitalisme op het punt zijn eigen middenklasse op te vreten. Zeven jaar na de grootste financiële crisis sinds 1930 is het lek namelijk nog lang niet boven. Sterker: zeven jaar na het faillissement van Lehman Brothers is het zonneklaar dat dit niet zomaar een lek is, maar een systeemfout die reikt tot in de krochten van het mondiale kapitalisme. Sinds 2008 is de artificiële welvaart van schuldgedreven vastgoedgroei als sneeuw voor de zon gesmolten en is de ruïne van het sociaal contract tussen kapitaal en arbeid dat verzorgingsstaat heet in al zijn naakte gruwelijkheid zichtbaar geworden.

‘Privaat keynesianisme’ heet deze macro-economische botox in de internationale literatuur. Omdat de staat door de hoge schulden, geërfd uit de jaren tachtig, niet langer bij machte was burgers tegen de mondiale economische conjunctuur te beschermen (meer uitgeven als het economisch tij tegen zit, sparen als het mee zit), gaf de overheid na intensief lobbyen door banken in de jaren negentig huishoudens de mogelijkheid om dat zelf maar te gaan doen, (vooral) via het aangaan van hypotheekschulden. Zo stond de Nederlandse wetgever vanaf 1994 nieuwe hypotheekvormen toe (de spaar-, de beleggings-, de aflossingsvrije en de variabele rentehypotheek), waarmee huishoudens hun belastingaftrek konden maximaliseren, daarmee hun netto hypotheeklasten minimaliseren en zo hun leencapaciteit maximaal oprekken. Freelancers, werknemers met tijdelijke contracten, uitzendkrachten, studenten, kunstenaars – iedereen kon vanaf midden jaren negentig een tophypotheek krijgen.

Het resultaat was ernaar. Sinds 1995 zijn de hypotheekschulden geëxplodeerd. Bedroegen die midden jaren negentig nog pakweg 100 miljard euro, vijftien jaar later was dat bedrag verzevenvoudigd, naar 700 miljard euro, 115 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Daarmee is Nederland wereldkampioen hypotheekschulden. Gelijk op ging de explosieve groei van bancaire balansen. Van twee maal het bbp in 1995 naar vijf maal in 2008. De gevolgen laten zich raden: huizenprijsstijgingen van 350 (eengezinswoningen) tot 400 (appartementen) procent tussen 1995 en 2008. De woonlasten stegen navenant: met gemiddeld dertig procent van het besteedbaar huishoudinkomen is Nederland Europees koploper.

Leuk voor wie vooraan in de rij stond. Omdat het onderpand jaar op jaar met sprongen in waarde steeg, was verhuizen in die jaren een feest. Groot-groter-grootst financierde zich als het ware vanzelf. Maar het was dramatisch voor wie achteraan stond. De pechvogel die tussen 2004 en 2008 een woning of appartement kocht, keek namelijk tegen zwaar oververhitte vastgoedprijzen aan. Banken en hypotheekbemiddelaars wrongen zich in de vreemdste bochten om hypothecaire leningen te kunnen verstrekken en huishoudens werden opgezadeld met veel te veel schuld, veel te hoge woonlasten en dus veel te veel risico. Van de 4,6 miljoen huishoudens in Nederland met een hypothecaire lening hikken er momenteel pakweg 1,5 miljoen aan tegen potentiële restschulden. Het zijn vooral de 45-minners die ‘onder water staan’.

Geen wonder dat de consumptieve bestedingen in Nederland nu al jaren dalen: één op de zeven huishoudens probeert uit alle macht onder de molensteen van groeiende netto schuld uit te komen en past daar zijn uitgavenpatroon op aan: geen nieuwe auto, geen kinderopvang, geen tweede kind, niet op vakantie, geen nieuwe winterjas, niet meer uit eten. Voeg er de 52 miljard aan ombuigingspakketten die Rutte I en II Nederlandse burgers sinds 2010 door de strot hebben gedouwd aan toe, en je begrijpt waarom de Nederlandse economie zoveel slechter presteert dan de Duitse, Belgische of zelfs de Franse: wij hebben een schuldentrauma en zij niet.

Medium armerrijker engelen3

De neoliberale utopie van privatisering, liberalisering en deregulering, van marktwerking en mondialisering, van vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en arbeid, van iPad en Starbucks, van Thatcher en Reagan, van welvaart en geluk voor iedereen – die hele santenkraam van begeerlijke beloften waarmee we onze existentiële pijn verdoven –, die utopie is voor een groeiend aantal burgers meer en meer een doffe teleurstelling geworden. Zeker, het mobieltje kost een habbekrats, roaming is gratis, wifi is alomtegenwoordig, vliegen is binnen ieders bereik gekomen, en we kunnen overal pinnen en spotifyen. Maar het inkomen is gedaald, de baanzekerheid is uitgehold, zorg en onderwijs zijn slechter en duurder geworden, de democratie is uitgekleed en de belastingdruk neemt steeds verder toe. Om maar te zwijgen van het loden gevoel in de maagstreek als we piekeren over het armzalige toekomstperspectief van ons kroost – zeker als het de boot heeft gemist wat betreft een studie maatschappelijk parasitisme zoals bedrijfskunde, accountancy, rechten of economie. Om het over de snel naderende milieuramp door opwarming van de aarde en klimaatverandering überhaupt maar niet te hebben.

De staat danst nu al weer veertig jaar hitsig rond het gouden kalf van het mobiele kapitaal om zijn wispelturige priesters te paaien. Omdat de receptuur van het naoorlogse sociaal-liberalisme van Keynes en Drees simpelweg was uitgewerkt, volgens de een. Omdat verwoed plottende Oostenrijkse Koude-Oorlogsstrijders, verenigd in de Mont Pelerin Society, in Ronald Reagan en Margaret Thatcher eindelijk de perfecte voertuigen voor hun neoliberale agenda hadden gevonden, volgens de ander. Omdat het multinationale grootbedrijf via de ideologische seances van de Bilderberggroep, het World Economic Forum, de Europese Unie, de World Trade Organization en andere multinationale organisaties geleidelijk was gelukt een hegemoniale consensus te vestigen die van links tot rechts, van Noord tot Zuid en van Oost tot West door de politieke, bestuurlijke, industriële en financiële elites werd gedeeld, volgens weer een ander. Omdat mondialisering onder leiding van de Bilderberg-elite nu eenmaal het eindpunt van de geschiedenis en de bestemming van de mensheid is, volgens nog weer een ander.

Hoe het ook zij, vanaf de late jaren zeventig van de vorige eeuw hebben de politieke dienaren van de staat zich laten aanpraten dat efficiëntie het alfa en omega was, dat de verzorgingsstaat een obstakel was om dat doel te bereiken en dat de overheid zich in plaats daarvan zo veel mogelijk zou moeten voegen naar de grillen van het grootbedrijf. Burgers behielden de nationale parlementaire democratie (‘government’) en de schijn van medezeggenschap; het grootbedrijf kreeg het multinationale bestuur (‘governance’) en op nationale schaal de macht van chantage (‘dan verkassen wij’) en daarmee in feite het laatste woord. Wat zijn een hoog salaris, goede arbeidsvoorwaarden en genereuze uitkeringen immers waard als ze leiden tot werkloosheid?

In het keynesiaanse tijdperk, toen de deelverzamelingen ‘werknemers’ en ‘consumenten’ nog min of meer samenvielen, luidde het sociale contract: wat goed is voor arbeid is goed voor kapitaal. In het postkeynesiaanse tijdperk van Reagan, Thatcher en mondialisering is het sociale contract in zijn tegendeel komen te verkeren: wat goed is voor kapitaal is goed voor arbeid. Niet langer hoge lonen en zekere arbeidsrechten die voldoende afzet (consumptie) moesten garanderen. Maar loonmatiging en flexibele arbeidsmarkten die maximale bedrijfswinsten moesten waarborgen in ruil voor arbeidsplicht – al is het ver onder je opleidingsniveau en tegen abominabele arbeidsvoorwaarden: zie de wereldwijde opkomst van het zogenoemde precariaat, een term die de International Labour Organization (ilo) heeft gemunt voor de schil van wegwerpwerknemers die de mondiale productieketens bemensen.

U wilt een muntunie, minder regeldruk, meer subsidie, meer aftrekposten, een plaatsje op de eerste rij? U vraagt, wij draaien

Zo is in veertig jaar tijd een landschap ontstaan dat naadloos op de wensen van de bestuursvoorzitter is toegesneden. Meneer wenst loonmatiging? Krijgt meneer. U wenst minder ontslagbescherming? Geven wij u. De voorzitter wil beter opgeleide arbeidskrachten? Krijgt u. U wilt lagere vennootschapsbelasting? Geven wij u. U wenst meer zeggenschap over het universitaire onderzoek? Krijgt u. U wilt meeliften op de pracht en praal van Oranje? Geen probleem. U wilt dat ontwikkelingssamenwerking handelsbevordering wordt? Doen we. U wilt een muntunie, een vrijhandelsverdrag, minder regeldruk, meer subsidie, meer aftrekposten, een plaatsje op de eerste rij, meer vrijkaartjes, uw naam boven de museumgarderobe, een station voor de deur, een bilateraaltje met de premier, een steiger voor uw pand, betere straatverlichting, een expat-loket, klassenjustitie? U vraagt, wij draaien – welkom in Corpocratië.

En natuurlijk heeft de bestuursvoorzitter het beste voor met de wereld: hij zit in het bestuur van tientallen charitatieve instellingen, zijn bedrijf voldoet aan alle duurzaamheidscriteria, en hij is nooit te beroerd om in Davos, tijdens het World Economic Forum, zijn zorgen over de groeiende inkomens- en vermogensverschillen uit te spreken. Het is per slot van rekening Piketty-jaar. Maar ja, die aandeelhouders, hè? Wij kunnen nu eenmaal niet achterblijven bij de concurrentie. En dus moet alles wijken voor een Return on Equity (roe) van twaalf procent, want zo heet in het dieventaaltje van de moderne bestuurder het rendement op kapitaal waar de aandeelhouder recht op heeft.

Sinds 1980 is wereldwijd de nominale vennootschapsbelasting zo ongeveer gehalveerd: in Nederland van 48 procent toen naar 25 procent nu. Reden: om de internationale concurrentieslag om mobiel kapitaal niet te verliezen, moet Nederland mee op de glijbaan naar beneden. Ter meerdere eer en glorie van ons land als vestigingslocatie voor multinationals, zo wordt erbij verteld door de spreekbuis van het grootbedrijf, het ministerie van Economische Zaken. Alsof belastingvluchtige brievenbusmaatschappijen iets te maken hebben met directe buitenlandse investeringen (dbi) en de associaties met bedrijven, banen, netwerken, kansen, uitdagingen en welvaart die dat oproept. Dertig jaar lang zijn belastingparadijzen als Ierland, Luxemburg en Nederland willens en wetens ongemoeid gelaten. Ook al vermoedde iedereen dat de parasieten van Ernst Young, Deloitte, kpmg en PricewaterhouseCoopers wereldwijd uiterst agressieve belastingconstructies verkochten, die het grootbedrijf in staat stelde toch al lage (en dalende) nominale belastingtarieven te reduceren tot nul.

Veel erger is dat ook anno 2015 nog altijd niemand precies weet wat het smoezelige gerommel van de in en in keurige corpsballen van Deloitte en Loyens Loeff andere schatkisten kost. Amerikaanse data leren dat multinationals uit dat land dankbaar gebruikmaken van onze bilaterale belastingverdragen om steeds meer van hun winsten te laten neerslaan in belastingparadijzen als de Kaaimaneilanden, Luxemburg, Ierland en Nederland. Anno 2013 was ruim 35 procent van hun winst ‘afkomstig’ uit het buitenland, tegen 15 procent in 1990: met dank aan mondialisering. Van die 35 procent is meer dan de helft gestald in belastingparadijzen, waarvan Nederland met een derde veruit het grootste is.

De schade is gigantisch. Dankzij Nederlandse fiscalisten en advocaten hebben Amerikaanse ondernemingen hun effectieve belastingdruk weten terug te dringen van 35 naar 15 procent. Dat betekent een inkomstenderving voor de Amerikaanse fiscus van 200 miljard dollar per jaar, ongeveer vijf procent van wat de Amerikaanse federale overheid jaarlijks uitgeeft en bijna evenveel als de jaarlijkse rentebetalingen op de Amerikaanse staatsschuld van 17.000 miljard dollar en pakweg drie maal het bedrag dat de Amerikaanse federale overheid aan onderwijs spendeert. Geen kattenpis dus.

Medium armerrijker engelen2

Ook uit die jaren stamt de aanval op loonkosten en ontslagbescherming. Beginnend in Nederland, dat in 1982 met het Akkoord van Wassenaar internationaal de eerste stap zette op de glijdende schaal van loonconcurrentie. Sindsdien zijn vele landen gevolgd: Ierland, Oostenrijk, Finland en, als laatste vóór de crisis, Duitsland. In Nederland zakte de arbeidsinkomensquote, of dat deel van het nationaal inkomen dat naar de factor arbeid gaat, in tien jaar tijd van 86 naar 80, waar zij sindsdien, dankzij de overschatte inkomsten van de één miljoen zzp’ers die Nederland telt, is blijven hangen. En zoals de al eerder genoemde ilo heeft laten zien, is hetzelfde de laatste jaren in nog rapper tempo in de rest van de wereld gebeurd: een ‘goed’ voorbeeld doet ‘goed’ volgen, is het niet goedschiks (sociale akkoorden) dan wel kwaadschiks (afgedwongen door Internationaal Monetair Fonds of Europese Commissie). Net zo is het met ontslagbescherming gegaan. Ooit een teken van emancipatie en beschaving is het verworden tot obsoleet anachronisme dat louter de deelbelangen van oudere vakbondsleden zou dienen en dus moet worden afgebroken: flexibilisering is al twintig jaar het internationale toverwoord. Ieder jaar eindigt de Employment Outlook van de neoliberale piketpaalproducent die oeso heet met dezelfde fantasieloze aanbeveling: gij zult uw arbeidsmarkt liberaliseren!

Inmiddels is deze tegelspreuk door de Europese Commissie tot heilige graal van economische wijsheid verheven. Zeven jaar na de crisis is het bbp van de eurozone nog altijd twee procent kleiner dan het in 2008 was, terwijl dat van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk respectievelijk acht en vier procent groter is. Het radeloze Brusselse beleidsantwoord op een door domme bezuinigingen en nog dommere lastenverzwaringen afgeknepen groei luidt anno 2015 de vierkante cirkel van ‘groeivriendelijke structuurhervormingen’. Verdere afbraak van arbeidsrechten en verzorgingsstaat moet de eurozone er bovenop helpen. Wie dat denkt is óf niet wijs, óf zit in de zak van het grootbedrijf.

Nou is het eerste nooit uit te sluiten, maar met vijftien- tot dertigduizend grootzakelijke lobbyisten in het Brusselse mierennest rond Rond-point Schuman is het laatste toch echt het meest waarschijnlijke. En de burger laat zich bij monde van zijn volksvertegenwoordiger afpoeieren met de fopspeen van de schijn van democratische medezeggenschap op het Binnenhof, terwijl negentig procent van de wetgeving inmiddels uit Brussel komt en de rest uit andere ijle supranationale sferen. Met de goedkeuringsstempel van ook het Nederlandse grootbedrijf. Dat dan weer wel.

Corpocratië is een vreemd land. Daar betalen miljardairs de minste belasting en de middenklasse de meeste. Hoe lager de vennootschapsbelasting, hoe hoger de inkomstenbelasting. Iemand draait ervoor op. De kosten voor het onderhoud van onze materiële (wegen, kabels, sporen) en immateriële (onderwijs, rechtsstaat, vertrouwen) infrastructuur, waarop ook het grootbedrijf zwaar leunt, lopen namelijk gewoon door.

En als het grootbedrijf en de rijken niet dokken, is het de burger die mag schuiven. Volgens Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, namen in 2002 werknemers in Nederland 49 procent van de belastinginkomsten voor hun rekening. Tien jaar later was dat 57 procent. Voor kapitaal geldt het omgekeerde: 20 procent in 2002, 14 procent in 2012. Nergens waren de verschuivingen zo groot als bij ons.

De nieuwe rijken bouwen van hun poen geen fabrieken of bibliotheken maar spenderen het aan een triptiek van Bacon

Ondertussen komen de grenzen van dit kannibalenkapitalisme steeds meer in zicht. En Thomas Piketty komt de eer toe deze grenzen als eerste voor een groot publiek zichtbaar te hebben gemaakt. Scherp oplopende inkomens- en vermogensongelijkheden hebben wereldwijd de prangende vraag opgeroepen wie er nou eigenlijk van de neoliberale revolutie heeft geprofiteerd. Het antwoord, aldus onderzoek van Piketty zelf, en van Milanovic, Atkinson, Saez, Kaplan, Rauh en anderen, is een handvol bankiers, wat bestuurders, een verdwaalde commissaris, wat advocaten, accountants en fiscalisten, een omhooggevallen politicus en, niet te vergeten, vierhonderd miljoen Chinezen (maar die mogen niet stemmen) – dat is het wel zo’n beetje. En het merendeel van deze roofzuchtige kaste ontleent zijn vermogen niet aan het verlenen van maatschappelijk nuttige diensten, maar aan sociaal schadelijke arbitrage (belastingontwijking, financiële innovatie, outsourcing), speculatie (opkopen, splitsen en afstoten), afromen (kopen en doorverkopen) en zelfs fraude (woekerpolissen) die alleen henzelf baat en de samenleving schaadt. Zoals de crisis van 2008 luid en duidelijk heeft aangetoond.

Terwijl de Europese en Amerikaanse middenklasse al tien (hier), twintig (daar) jaar op een houtje bijt, om maar te zwijgen van de onderklasse, die zowel hier als daar al langer het nakijken heeft, zijn we, aldus Piketty, langzaam maar zeker teruggekeerd naar het patrimoniale kapitalisme van de negentiende eeuw. De essentie van kapitalisme, aldus Piketty, is dat het rendement op kapitaal ® bij geringe bevolkingsgroei altijd groter is dan de groei van het bruto binnenlands product (G) en dat inkomens- en vermogensongelijkheden dus onvermijdelijk zullen toenemen. Oorlog, onteigening, inflatie, massademocratie, politieke mobilisatie en de verzorgingsstaat zijn de factoren die volgens Piketty de twintigste eeuw tot de meest gelijke ooit hebben gemaakt – in de Verenigde Staten en Europa althans. Deze condities, zo waarschuwt Piketty terecht, zijn historisch uniek en zullen niet snel terugkeren.

Groot hangt boven zijn boek dan ook de schaduw van de teloorgang van effectieve democratische politiek in de late twintigste eeuw, zoals recentelijk geboekstaafd door onder anderen Colin Crouch, Wolfgang Streeck en Peter Mair, als verklaring voor de terugkeer van het patrimoniale kapitalisme. De greep van het grootbedrijf op staat, politiek en wetgeving kon zo groot worden door de uitschakeling van het democratische basisprincipe van een persoon, een stem. Open en bloot in landen als Ierland, Griekenland, Spanje en Portugal waar technocraten democratisch verkozen politici vervingen. Indirect in de rest van de eurozone waar de Europese Commissie het laatste woord heeft gekregen over het begrotingsbeleid. Impliciet in alle parlementaire democratieën waar miljardairs (de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk) en het grootbedrijf (Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie) een buitenproportionele invloed op de politiek hebben.

Ga maar na: in plaats van schuldkwijtschelding hebben wij cadeautjes voor banken, in plaats van inflatie deflatie, in plaats van massademocratie corpocratie, in plaats van politieke mobilisatie politieke apathie, terwijl de herverdelende verzorgingsstaat van weleer door mondialisering en belastingontwijking van onder en boven wordt uitgekleed. En dus zijn sinds het uitbreken van de crisis de rijken rijker en de armen armer geworden, en wordt de middenklasse van links en rechts bedreigd. Terug naar de toekomst dus. Ook in Nederland, zoals Tony Atkinson en Salvatore Morelli in hun Chartbook of Economic Inequality onlangs hebben laten zien. Want ook hier kruipt de laatste jaren de inkomensongelijkheid weer langzaam omhoog. Terwijl de vermogensongelijkheid in Nederland, met pakweg een vijfde van het nationaal vermogen in handen van ‘de één procent’ vergelijkbaar is met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Toch is er een fundamenteel verschil tussen nu en ruim een eeuw geleden. In het fenomenale The Economic Consequences of the Peace dat de jonge Britse econoom John Maynard Keynes in de zomer van 1919 in twee maanden over de in zijn ogen desastreus verlopen vredesonderhandelingen in Versailles schreef, staat een beknopt overzicht van de wereld van vóór 1914. In het eerste hoofdstuk van dat boek, getiteld Europe before the War, doet Keynes een belangrijke constatering: ‘Europa was zo georganiseerd dat er een maximale accumulatie van kapitaal kon plaatsvinden. Ook al ging de levensstandaard van de massa er tussen 1870 en 1914 maar mondjesmaat op vooruit, de samenleving zat zo in elkaar dat het grootste deel van de economische groei terechtkwam bij diegenen die de minste aandrang tot consumptie hadden. De “nieuwe rijken” van de negentiende eeuw waren niet gewend aan een ostentatief uitgavenpatroon en prefereerden de macht van investeringen boven het plezier van consumptie. Sterker, het was de ongelijke verdeling van kapitaal die de immense aanwas van productieve investeringen mogelijk maakte, die de belle époque zo uitzonderlijk maakte. Dit vormde de voornaamste legitimering van het vooroorlogse kapitalistische systeem. Als de nieuwe rijken hun pas verworven rijkdom hadden gespendeerd ter eigen vermaak en genot, dan zou de massa al lang de ketens van zo’n regime hebben afgeworpen.’

Hier schrijft Keynes met zoveel woorden dat het patrimoniale kapitalisme van vóór 1914 was gebaseerd op een impliciet sociaal contract. De kapitalist mocht van het proletariaat veruit het grootste deel van de economische koek opeisen, mits hij het investeerde in plaats van consumeerde. Flash-forward naar 2014. De duizend grootste niet-financiële, beursgenoteerde ondernemingen ter wereld zitten op historisch ongekend hoge kasreserves ter waarde van meer dan 3500 miljard dollar, grotendeels buitengaats, in belastingparadijzen aangehouden. Daar staan lage investeringen tegenover, vooral bij de twintig procent met de grootste kasreserves. In plaats daarvan besteden beursgenoteerde ondernemingen een toenemend deel van hun reserves aan het terugkopen van eigen aandelen om de koers op te blazen, aandeelhouders te trakteren en de bonuspakketten van de eigen bestuurders te vergroten. Van waardecreatie naar waarde-extractie, in de woorden van de Amerikaanse politiek-econoom William Lazonick. Neem Apple, het grootste beursgenoteerde bedrijf ter wereld: maar liefst 100 miljard dollar keert het dit jaar uit aan aandeelhouders.

In de 21ste eeuw bouwen de nieuwe rijken van hun poen geen fabrieken of bibliotheken maar spenderen zij het aan een triptiek van Francis Bacon à raison de 142,4 miljoen dollar, aan appartementen in One Hyde Park van 20 miljoen Britse pond, aan superjachten van 15 miljoen euro, aan Patek Philippe-herenhorloges van 44.000 Britse pond, aan onvergetelijke vakanties op de Malediven – of aan bubbelbadboten.

Het tekent de absurditeit van Corpocratië. Marx en Engels schetsten in 1848 in hun onvolprezen Communistisch manifest het beeld van een kapitalistische klasse die aan zijn eigen patsers ten onder zou gaan. Competitie leidt tot afnemende winsten en toenemende uitbuiting. Op die manier zou de bourgeoisie haar eigen doodgravers baren: het proletariaat dat met hooivorken de vermaatschappelijking van het kapitaal zou afdwingen. Hoewel de hooivorken tot nog toe in de schuur zijn gebleven, loopt het kapitalisme in de 21ste eeuw het gevaar alsnog aan zijn eigen cognitieve dissonantie ten onder te gaan. Publieksenquêtes en peilingen leren dat schulden, werkloosheid en sociale daling al lang onderwerpen als migratie, integratie en Zwarte Piet van de agenda hebben verdreven. Het wachten is op de politieke entrepreneur die deze zorgen mobiliseert.

Je zou verwachten dat de Bilderberg-elite dat zelf ook snapt en dat in die kringen de Henry Ford van de 21ste eeuw al lang zou zijn opgestaan. De achturige werkdag van vijf dollar waarmee Ford honderd jaar geleden in één klap het arbeidsloon verdubbelde, was gebaseerd op het briljante inzicht dat omzet en winst koopkrachtige vraag vereisen: alleen als Ford zijn mensen goed betaalde, konden ze zo’n zwart Fordje T kopen. Oftewel: arbeidsloon is voor de kapitalist niet alleen een kostenpost, maar ook zijn belangrijkste bron van inkomsten.

Daarmee stond Ford aan de basis van het naoorlogse sociaal contract van de verzorgingsstaat en redde hij het kapitalisme van de marxistische ondergang. Na de crisis van 2008 staan we voor exact dezelfde vraag als Ford destijds: hoe het kapitalisme te redden van de patsers en dienstbaar te maken aan de sukkels? Ingewikkeld is het niet: betaal fatsoenlijke lonen, kom je belastingplichten na, ruim je rotzooi op, hou je aan democratische normen en stop de race naar de bodem. Dat is geen ideologie, dat is welbegrepen eigenbelang. Reformisme uit eigen kring of de grote kladderadatsch – meer smaken zijn er niet.


Armer rijker

Deze week verschijnt bij uitgeverij Bas Lubberhuizen Armer rijker van fotograaf Roel Visser over de toenemende kloof tussen arm en rijk. Roel Visser won diverse internationale prijzen en werd driemaal bekroond met de Zilveren Camera. Eerder publiceerde hij onder andere Zorg in Nederland, Hier in Holland, Platter dikker en Van rechtswege. Financieel geograaf Ewald Engelen schreef er een voorwoord bij.


Dit is een voorpublicatie uit Armer rijker (uitgeverij Bas Lubberhuizen, € 19,95) van Roel Visser en Ewald Engelen. Het essay van Ewald Engelen is hier ingekort.


Beeld: (1) Bezoekers van Fête du Beaujolais, een jaarlijks evenement op kasteel Wittenburg in Wassenaar. (2) Winkelen in de P.C. Hoofdstraat in Amsterdam. (3) Laagbouwhuisjes even ten zuiden van Rotterdam Airport.